Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3310

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
NL21.516
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo afgewezen omdat op het beroep is beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.516


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Spapens),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.


Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2021 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond, verzoeker opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.


Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en daarbij een nieuw asielmotief aangevoerd. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op verzoek van partijen aangehouden zodat verweerder het nieuwe asielmotief beoordeelt.

Op 9 februari 2021 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen.

Het beroep is op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht tegen het besluit van 9 februari 2021.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.515, plaatsgevonden door middel van een beeldverbinding (telehoren) op 22 maart 2021. Verzoeker is verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen

I. Soltani. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag, in de procedure met zaaknummer NL21.515, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep.

2. Nu op het beroep van verzoeker is beslist, wordt niet langer voldaan aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste. Om die reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. I.N. Powell, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.