Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3288

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
8828104/20-84894
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Geen noodzaak gebleken om een mentorschap in te stellen. De kantonrechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat onderhavig verzoekschrift, samen met drie andere zaken waarin de voorgestelde mentor is voorgesteld, met name is ingediend om de ambitie van de voorgestelde mentor waar te maken om professioneel mentor te worden. De voorgestelde mentor is echter bij brief van 22 oktober 2020 door de kantonrechter niet benoembaar geacht als professioneel mentor in zaken bij deze rechtbank en artikel 1:452, zevende lid, BW verzet zich tegen de benoeming van hem in meer dan twee zaken. Bovendien kan hij in dat geval alleen aanspraak maken op de beloning voor particuliere mentoren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

AL

Zaaknr.: 8828104 \ EJ VERZ 20-84894

Datum: 1 april 2021

Beschikking van de kantonrechter op een verzoek tot instelling mentorschap

op verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] ,

[adres] ,

hierna ook te noemen: verzoeker.

Het verzoek strekt tot instelling van een mentorschap ten behoeve van verzoeker zelf.

Procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, ter griffie ingekomen op 19 oktober 2020.

De zaak is behandeld ter zitting van 18 maart 2021, waarbij zijn verschenen: verzoeker, [mentor] en [betrokkene] . Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden. Uitspraak van deze beschikking is vervolgens bepaald op heden.

Beoordeling

Het verzoek strekt tot instelling van een mentorschap ten behoeve van verzoeker zelf met benoeming van [mentor], wonende te [woonplaats] , [adres] , tot mentor.

Grondslag van het verzoek is dat verzoeker als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn niet-vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoeker zijn verzoek nader toegelicht en - samengevat - het navolgende aangevoerd. Verzoeker is hulpbehoevend en niet in staat om zelfstandig beslissingen te nemen over zijn zorg. Zijn echtgenote beheerst onvoldoende de Nederlandse taal om hem hierbij te helpen en zijn kinderen kunnen niet met iedere afspraak met de arts mee. Gelet hierop verzoekt hij om een professionele mentor te benoemen die hem kan helpen bij het nemen van niet-vermogensrechtelijke beslissingen. De voorgestelde mentor heeft zich hiertoe bereid verklaard. De echtgenote en de kinderen van verzoeker zijn niet betrokken bij het verzoek.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

De kantonrechter stelt voorop dat bij beoordeling van het verzoek hij slechts één belang dient te behartigen en dat is het belang van de betrokkene, voor wie het mentorschap wordt aangevraagd. De kantonrechter kan zich namelijk niet aan de indruk onttrekken dat onderhavig verzoekschrift, samen met drie andere zaken waarin [mentor] als mentor is voorgesteld, met name is ingediend om de ambitie van [mentor] om professioneel mentor te worden waar te maken. [mentor] is echter bij brief van 22 oktober 2020 door de kantonrechter niet benoembaar geacht als professioneel mentor in zaken bij deze rechtbank en artikel 1:452, zevende lid, BW verzet zich tegen de benoeming van hem in meer dan twee zaken. Bovendien kan hij in dat geval alleen aanspraak maken op de beloning voor particuliere mentoren.

Op grond van artikel 1:450, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een mentorschap instellen als betrokkene als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam wordt bemoeilijkt zijn niet-vermogensrechtelijke belangen behoorlijk zelfstandig waar te nemen. Uit de overgelegde medische verklaring is gebleken dat er een medische grond aanwezig is. De vraag is echter of een mentorschap noodzakelijk is omdat betrokkene de niet-vermogensrechtelijke belangen niet zelfstandig kan waarnemen.

Niet is gebleken dat verzoeker niet in staat is om zijn niet-vermogensrechtelijke belangen, waaronder het nemen van beslissingen omtrent zijn medische behandeling en zorg, zelf te nemen en dat hiervoor een mentor noodzakelijk is. Bovendien is het geen taak van een mentor om doktersafspraken bij te houden. Dit kan eenvoudig door een familielid of iemand anders gedaan worden. Zelfs indien verzoeker onvoldoende in staat zou zijn om zelfstandig zijn niet-vermogensrechtelijke belangen waar te nemen, is niet gebleken dat de echtgenote dan wel de naaste familieleden van verzoeker hem hierbij niet kunnen helpen. De directe familieleden zijn niet betrokken bij het verzoek en hebben zich niet uit kunnen laten over de vraag of mentorschap noodzakelijk is en of één van hen bereid is om tot mentor te worden benoemd. Op grond van artikel 1:452 lid 4 BW geeft de wetgever de voorkeur bij het instellen van een mentorschap, om de echtgenote/levensgezel te benoemen tot mentor.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het verzoek wegens het ontbreken van een noodzaak tot het instellen van een mentorschap dient te worden afgewezen.

Beslissing
De kantonrechter:

- wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. D. de Loor, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2021.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag:

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.