Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3281

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
07-04-2021
Zaaknummer
09-842288-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag en mishandeling. Beroep op (putatief) noodweer en noodweerexces verworpen. Gestelde feitelijke toedracht deels niet aannemelijk. Niet voldaan aan eis van subsidiariteit. De verdachte had zich aan de situatie kunnen en moeten onttrekken, nu hij zich in een positie bevond waarin hij de overhand had, zittend op het slachtoffer, nabij de voordeur, met een mes in de hand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0312
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842288-19

Datum uitspraak: 7 april 2021

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te Amsterdam,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn, locatie Maatschapslaan.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 11 december 2019, 26 februari 2020,

13 mei 2020, 29 juli 2020, 21 oktober 2020, 6 januari 2021 (alle pro forma) en 24 maart 2021 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. D.M. van Gosen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman

mr. J.A.W. Knoester naar voren is gebracht.

Namens de benadeelde partijen hebben ter terechtzitting van 24 maart 2021 de volgende raadslieden het woord gevoerd:

- mr. P.H.W. Spoelstra namens [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] ;

- mr. N. Stolk namens [benadeelde 5] .

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 augustus 2019 te 's-Gravenhage [slachtoffer 1] opzettelijk

van het leven heeft beroofd, door (meermalen) met een mes, althans een scherp

en/of puntig voorwerp in het lichaam [slachtoffer 1] te steken;

2.

hij, op of omstreeks 9 juni 2019 te Breda, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, die De Windt met een mes, althans een

scherp/puntig voorwerp, meermalen in de zij, althans het lichaam, heeft

gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 9 juni 2019 te Breda, [slachtoffer 2] heeft mishandeld

door die [slachtoffer 2] met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, meermalen

in de zij, althans het lichaam, te steken en/of die [slachtoffer 2] in het gezicht,

althans tegen het lichaam, te slaan.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Deze zaak gaat om een steekpartij die in de nacht van 27 augustus 2019 heeft plaatsgevonden op [adres] te Den Haag, waarbij een zevenenveertigjarige man, genaamd [slachtoffer 1] , om het leven is gekomen.

Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd doodslag op [slachtoffer 1] . Niet ter discussie staat dat de verdachte de persoon is geweest [slachtoffer 1] om het leven heeft gebracht. De verdachte heeft dat ook bekend.

Tevens wordt de verdachte verdacht van een steekpartij in Breda eerder dat jaar, op 9 juni 2019. Dit is onder 2 primair ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling, subsidiair als mishandeling.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde doodslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft de raadsman vrijspraak bepleit. De raadsman heeft zich ten aanzien van de onder 2 subsidiair ten laste gelegde mishandeling gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Ten aanzien van feit 1

De verdachte heeft ter terechtzitting van 24 maart 2021 bekend dat hij [slachtoffer 1] op

27 augustus 2019 meermalen met een mes heeft gestoken in zijn bovenlichaam en zijn been. Namens de verdachte is geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal daarom met een opgave van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen voor de bewezenverklaring:

  • -

    de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 24 maart 2021;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor verdachte van 31 augustus 2019, blz. 379 – 383;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige] van 30 augustus 2019, blz. 356 – 360;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van [getuige] , op 12 februari 2020 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier;

  • -

    een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut betreffende pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood, opgesteld door dr. H.H. de Boer, arts en patholoog, op 6 september 2019, met bijlagen, blz. 321 – 328.

Ten aanzien van feit 2 primair

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair

De rechtbank zal voor feit 2 subsidiair met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen voor de bewezenverklaring:

  • -

    de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 24 maart 2021;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van 9 juni 2019, blz. 3 – 5;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor getuige van 9 juni 2019, blz. 12 – 13;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor getuige van 9 juni 2019, blz. 14 – 15;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van 9 juni 2019, blz. 22 – 23;

  • -

    een geschrift, te weten een medische verklaring ten name van [slachtoffer 2] ,

blz. 24.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1.

hij op 27 augustus 2019 te 's-Gravenhage [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meermalen met een mes in het lichaam van [slachtoffer 1] te steken;

2. subsidiair

hij op 9 juni 2019 te Breda [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met een mes in de zij te steken.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

4.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte met betrekking tot de bewezenverklaarde doodslag dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer toekomt.

Hiertoe is aangevoerd dat het slachtoffer boos naar de deur is gestormd, naar de verdachte heeft geroepen “Ik maak je dood” en de verdachte heeft aangevallen door met een mes of iets anders scherps te steken, waarbij hij de duim van de verdachte heeft geraakt. Daarna bewoog het slachtoffer zijn rechterarm (met het mes) richting het hoofd van de verdachte. Aldus was sprake van een noodweersituatie waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat, indien de rechtbank van oordeel is dat het slachtoffer geen mes of iets anders scherps in zijn hand had, de verdachte dan een beroep op putatief noodweer toekomt. De verdachte was, aldus de verdediging, namelijk in de gerechtvaardigde veronderstelling dat hij zich moest verdedigen tegen een aanval met een mes. Hij heeft aldus verontschuldigbaar gedwaald over de noodzaak tot verdediging, waardoor hem een beroep op putatief noodweer toekomt.

Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op (putatief) noodweerexces toekomt. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte, mede door een eerdere zeer bedreigende ervaring in 2018, in paniek was en vreesde voor zijn leven. De verdachte dacht dat hij dood zou gaan als hij niets zou doen en zag in zijn doodsangst geen andere uitweg dan te steken met het mes. Volgens de verdediging was het overschrijden van de grenzen van de noodzakelijke verdediging door de verdachte een onmiddellijk gevolg van de hevige gemoedsbeweging die veroorzaakt werd door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer. De verdediging stelt dat ook in dat geval de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat, indien de rechtbank niet aannemelijk acht dat het slachtoffer een voorwerp in zijn hand had en van oordeel is dat de verdachte daarover niet verontschuldigbaar heeft gedwaald, hem nog steeds een beroep op noodweerexces toekomt als de aanranding bestond uit een aanval met vuisten. Nu de verdachte zich moest verdedigen tegen een oudere, sterke, agressieve Kung Fu vechter, zou hij dat met zijn vuisten verliezen. Dat de verdachte zich hiertegen heeft verdedigd met een mes en daarmee de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, is een onmiddellijk gevolg van de hevige gemoedsbeweging, aldus de verdediging.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het scenario zoals door de verdachte beschreven, niet aannemelijk is geworden. De verklaringen van de [getuige] , die naar de mening van de officier van justitie betrouwbaar zijn, dienen als uitgangspunt te worden genomen. Voorts heeft de officier van justitie erop gewezen dat de verdachte pas is gaan verklaren dat sprake was van een noodweersituatie, nadat hij het dossier had gelezen en bezoekers in de penitentiaire inrichting (P.I.), onder wie zijn vader, hem hadden verteld wat hij moest verklaren om een beroep op zelfverdediging goed te kunnen onderbouwen. Gelet op de verklaringen van [getuige] en op het forensisch bewijs, is de officier van justitie van mening dat het slachtoffer geen wapen in zijn hand heeft gehad. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich moest verdedigen. Hierdoor komt de verdachte geen succesvol beroep op noodweer toe, aldus de officier van justitie.

Ten aanzien van het noodweerexcesverweer heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat, bij het ontbreken van een noodzaak tot verdediging, ook geen geslaagd beroep op noodweerexces kan worden gedaan.

Ten aanzien van het verweer dat er sprake was van putatief noodweer(exces) heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat bij de verdachte in redelijkheid niet de veronderstelling heeft kunnen bestaan dat hij zich mocht of moest verdedigen tegen een aanval of een onmiddellijke dreiging daarvan, nu niet aannemelijk is geworden dat de verdachte de sleutelbos van het slachtoffer kan hebben aangezien voor een wapen waartegen hij zich moest verdedigen door het slachtoffer dood te steken. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ook dit verweer dient te worden verworpen.

De officier van justitie acht het feit strafbaar en de verdachte een strafbare dader.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, de rechtbank zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden op grond van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door deze noodzakelijke verdediging – waarmee onder meer de subsidiariteitseis tot uitdrukking wordt gebracht – leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.

Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond.

Feitelijke toedracht

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte en [getuige] hebben in de nacht van 27 augustus 2019 met elkaar afgesproken via de datingapp Badoo. [getuige] heeft de verdachte uitgenodigd in de woning van het slachtoffer aan [adres] in Den Haag. Aanvankelijk heeft [getuige] de verdachte laten weten dat het slachtoffer hiermee instemde, maar om 04.45 uur heeft zij de verdachte bericht dat het slachtoffer weigerde en om 04.56 uur heeft zij geappt dat het slachtoffer nee zei. De verdachte heeft om 04.57 uur naar [getuige] geappt: “Kom naar buiten”. Een minuut later heeft [getuige] naar 112 gebeld om de aanval met een mes op het slachtoffer te melden.

Vast staat dat in de vroege ochtend, rond 05.00 uur, tussen de verdachte en het slachtoffer een handgemeen heeft plaatsgevonden. Over het verloop van dat handgemeen hebben de verdachte en [getuige] verschillende verklaringen afgelegd.

Verklaringen van de verdachte

De verdachte heeft verschillende verklaringen afgelegd.

In zijn eerste verklaring op 29 augustus 2019 heeft hij zich ten aanzien van het ten laste gelegde beroepen op zijn zwijgrecht.

Op 31 augustus 2019 is de verdachte voor de tweede keer verhoord en heeft hij als volgt verklaard. Bij [adres] aangekomen stond hij voor een ijzeren hek. Hij heeft bij een bellentableau aangebeld, maar niemand deed open. De verdachte heeft [getuige] gebeld en gevraagd of zij naar buiten kwam. Na enige tijd gingen het hek en een andere deur open. De verdachte is naar binnen gegaan en heeft bij de voordeur van [adres] aangebeld en geklopt. Hij was een beetje geïrriteerd en liep toen weg. Opeens ging de voordeur open en stond er een man – het slachtoffer – in de voordeur die gelijk tegen de verdachte begon te schreeuwen. Hij zei: “Wat kom je hier doen, nee, dit is mijn huis”. De verdachte dacht dat hij wilde praten, dus liep naar hem toe. Toen de verdachte vlak bij hem stond, stapte het slachtoffer ineens naar voren en prikte hem met iets scherps in zijn linker duim. De verdachte zag niet precies wat het was, maar dacht dat het slachtoffer hem neer wilde steken. Omdat het slachtoffer hem direct aanviel en met zijn rechter hand, met dat mes erin, richting zijn hoofd wilde steken, stapte de verdachte achteruit en pakte zijn mes uit zijn tas. De verdachte pakte de hand van het slachtoffer waarin het mes zat en voelde dat het slachtoffer met zijn hand richting zijn, verdachtes, hoofd wilde bewegen. De verdachte heeft toen met zijn rechterhand, waarin hij zijn mes vast had, het slachtoffer meerdere malen gestoken. Hij stopte toen hij merkte dat het slachtoffer minder kracht zette en zag dat hij op de grond zakte.

In zijn derde verhoor op 18 oktober 2019 heeft de verdachte verklaard dat hij het slachtoffer wilde tegenhouden, want deze wilde hem in zijn hoofd steken. De verdachte had zijn mes in zijn rechter hand, maar nog niet helemaal uit zijn tas. Hij zette kracht, zodat het slachtoffer tegen de muur binnen in zijn woning kwam. De verdachte duwde hem daar tegenaan. Het slachtoffer duwde hem vervolgens terug, waardoor hij tegen de deuropening van de woning kwam en nergens heen kon. De verdachte had zijn mes toen helemaal uit zijn tas gepakt en hoorde het slachtoffer schreeuwen: “Ik ga je dood maken. Wil je dood? Ik ga je dood maken”, waarbij hij druk bleef zetten met zijn rechtervuist richting het gezicht van de verdachte. Toen heeft de verdachte het slachtoffer gestoken.

Op 17 oktober 2019, een dag voor zijn derde verhoor, heeft de verdachte in de P.I. bezoek gehad van twee mannen. Uit het opgenomen gesprek, gevoerd tijdens dat bezoek, blijkt dat deze bezoekers hem hebben verteld wat hij moest verklaren om een beroep op zelfverdediging goed te kunnen onderbouwen.

Verklaringen van [getuige]

is twee keer als verdachte en één keer als getuige gehoord door de politie. Tevens heeft zij meegewerkt aan een reconstructie en is zij door de rechter-commissaris gehoord. In hoofdlijnen komt haar verklaring op het volgende neer.

Nadat de verdachte aanbelt bij het bellenplateau, heeft [getuige] een discussie met het slachtoffer en laat zij de verdachte weten dat het slachtoffer zich bedacht heeft. Een paar minuten later hoort zij een harde klap, gestamp op de galerij en gebons op de voordeur. Het slachtoffer loopt naar de voordeur alsof hij wil slaan, hij gedraagt zich macho en is boos. Hij opent de voordeur en stapt naar buiten. Hij begint te roepen: “Ga weg hier. Je mag hier niet zijn. Opkankeren”. [getuige] ziet de verdachte niet, gaat half in de badkamer staan en ook het slachtoffer verdwijnt heel even uit beeld. Daarna ziet [getuige] de verdachte en het slachtoffer beiden vechtend naar binnen vallen, waarbij de verdachte duidelijk sterker is. [getuige] ziet dat het slachtoffer beide onderarmen voor zijn buik heeft gekruist en dat de verdachte op het slachtoffer zit. Zij ziet dat de verdachte meermalen in het lichaam van het slachtoffer steekt, waarbij hij scheldt: “Motherfucker, klootzak”. [getuige] hoort dat het slachtoffer zegt: “Alsjeblieft, niet steken” en “Hij heeft een mes”. Het slachtoffer beweegt niet meer. [getuige] heeft verklaard dat het mes van de verdachte een lemmet had van ongeveer 15 centimeter. Het slachtoffer had niets bij zich.

[getuige] heeft verklaard dat zij de verdachte niet heeft gezien op het moment dat het slachtoffer zijn deur uit stapte en dat zij de eerste confrontatie buiten tussen de verdachte en het slachtoffer niet heeft gezien.

Beoordeling feitelijke toedracht

Bij het feitelijke gebeuren gaat het om hetgeen buiten de woning, voor de voordeur heeft plaatsgevonden, en hetgeen daarna binnen, in de gang van de woning heeft plaatsgevonden.

Bij de situatie buiten de woning wordt de verklaring van de verdachte op onderdelen bevestigd door [getuige] , namelijk dat het slachtoffer boos reageerde op het geklop of gebons van de verdachte en naar de voordeur liep alsof hij wilde slaan, waarna hij schreeuwend tegen de verdachte de deur opende en de deur uit stapte. Gelet op deze twee verklaringen, die verder niet worden ontkracht, neemt de rechtbank aan dat de verdachte buiten de woning – al of niet met een scherp voorwerp, dat overigens niet is aangetroffen – door het slachtoffer werd aangevallen.

Over de daaropvolgende gebeurtenissen binnen, in de gang van de woning, lopen de verklaringen van de verdachte en [getuige] echter sterk uiteen.

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte over wat zich binnen in de woning heeft afgespeeld niet aannemelijk. Pas in het derde verhoor heeft de verdachte verklaard dat het slachtoffer terug duwde, waardoor hij – de verdachte – tegen de deuropening kwam en nergens naar toe kon. De verdachte heeft zijn eerdere verklaring, waarbij hij zei alles te vertellen wat er die avond gebeurd is, pas aangevuld met het terechtkomen tegen de deuropening en het nergens heen kunnen, nadat hem in de P.I. was verteld wat hij daarover moest verklaren. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de derde verklaring van de verdachte bij de politie onbetrouwbaar is, nu hij pas na de gesprekken in de P.I. over een beroep op zelfverdediging is gaan verklaren dat hij nergens heen kon, terwijl hij dit in zijn tweede verhoor bij de politie nog niet had verklaard.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de verklaringen van [getuige] daarentegen wel betrouwbaar zijn, nu zij over hetgeen zich in de gang heeft afgespeeld consistent hetzelfde is blijven verklaren.

Noodweer

Uit het bovenstaande volgt dat de rechtbank zowel de situatie buiten de woning als die binnen in de woning moet beoordelen in het licht van het beroep op (putatief) noodweer dan wel noodweerexces.

Ten aanzien van de situatie buiten de woning overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat op het moment dat het slachtoffer schreeuwend vanuit zijn woning op de verdachte af kwam, er buiten de woning sprake was van een noodweersituatie. Zoals hiervoor overwogen neemt de rechtbank aan dat de verdachte buiten de woning – al dan niet met een mes of een ander scherp voorwerp – door het slachtoffer werd aangevallen. Het handelen van de verdachte – het van zich af duwen van het slachtoffer en het proberen een mes uit zijn tas te pakken – daar en op dat moment was naar het oordeel van de rechtbank een noodzakelijke verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Ten aanzien van de vraag of er binnen in de woning nog sprake was van een noodweersituatie, overweegt de rechtbank als volgt.

Proportionaliteit en subsidiariteit

In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is "geboden door de noodzakelijke verdediging" worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Met andere woorden: de verdediging tegen de aanranding dient dus zowel passend, als gepast te zijn.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet aan de subsidiariteiteis is voldaan.

Op grond van de verklaringen van [getuige] stelt de rechtbank vast dat de verdachte, nadat hij en het slachtoffer vechtend de gang in waren gevallen, bovenop het liggende slachtoffer zat en dat de verdachte toen, getuige ook het geroep van het slachtoffer (“Alsjeblieft, niet steken”), een mes paraat had. Op dat moment had de verdachte zich aan de situatie kunnen en moeten onttrekken. De verdachte bevond zich immers in een positie waarin hij de overhand had – zittend op het slachtoffer, nabij de voordeur, met een mes in de hand – en waarin hij, desnoods door te dreigen met zijn mes, afstand had kunnen nemen van het slachtoffer en weg had kunnen komen. Daarbij betrekt de rechtbank de omstandigheid dat het slachtoffer zich niet langer agressief uitte, maar de verdachte smeekte hem niet te steken. Er kan, gelet op al deze omstandigheden, niet worden gezegd dat de verdachte niet anders kon handelen dan zoals hij uiteindelijk heeft gedaan: het onder hem liggende slachtoffer meermalen – op vitale plaatsen – steken. De noodzaak zich te verdedigen bestond niet meer: er bestond voor de verdachte immers een reële en redelijke mogelijkheid zich aan de situatie te onttrekken, terwijl dat ook van de verdachte gevergd kon worden.

Op grond van het bovenstaande is niet voldaan aan de subsidiariteiteis. Het beroep op noodweer van de verdachte slaagt dan ook niet.

Noodweerexces

Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte zich niet met succes op noodweer kan beroepen, komt aan de verdachte ook geen beroep op noodweerexces toe. Bovendien heeft de verdachte aan het beroep op noodweerexces ten aanzien van de situatie in de gang een afwijkende feitelijke toedracht ten grondslag gelegd, die de rechtbank zoals gezegd niet aannemelijk acht.

Dat betekent dat de verdachte geen beroep op noodweerexces toekomt.

Putatief noodweer(exces)

Gelet op het bovenstaande kan hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ten aanzien van putatief noodweer onbesproken blijven.

Aangezien geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten, zijn het feit en de verdachte strafbaar.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat aangevoerd dat het gerechtshof in Den Haag voor doodslag een indicatiepunt van acht jaar gevangenisstraf heeft geformuleerd. Gezien het risico op verharding bij afstraffing, de verminderde toerekeningsvatbaarheid, het lage recidiverisico en de jonge leeftijd van de verdachte, heeft de raadsman – in geval van strafoplegging – verzocht een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar op te leggen, met aftrek van voorarrest.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft het slachtoffer, [slachtoffer 1] , op brute wijze van het leven beroofd door hem te blijven steken totdat hij niet meer bewoog. Door het handelen van de verdachte is het slachtoffer uit het leven weggerukt en leeft de vader van drie jonge kinderen niet meer. Het slachtoffer is ’s nachts om het leven gebracht in zijn eigen woning, door een hem onbekende man, die hij te kennen had gegeven dat hij niet welkom was. Buren zijn hierdoor wakker geworden en sommigen van hen hebben de geluiden gehoord van het stervende slachtoffer. Dit feit heeft niet alleen een schok veroorzaakt bij de nabestaanden en de omgeving van het slachtoffer, het heeft ook gevoelens van onveiligheid veroorzaakt in de maatschappij.

Het leed dat als gevolg van dit feit is ontstaan, is groot en onherstelbaar. Dit is ook naar voren gekomen in de verklaring van de zus van het slachtoffer, die ter terechtzitting heeft verteld hoe belangrijk hij voor haar was en hoe hij wordt gemist door haar gezin. Door de verdachte is haar leven en dat van haar kinderen compleet verwoest, aldus de zus van het slachtoffer. Ook namens de moeder van de kinderen van het slachtoffer is gebruik gemaakt van het spreekrecht en is verteld dat de manier waarop hun vader aan zijn einde is gekomen intens verdriet heeft veroorzaakt voor de kinderen.

Strafblad

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van de verdachte van 25 februari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op de volgende rapportages betreffende de verdachte:

- een Pro Justitia rapport van 18 februari 2020, opgemaakt door dr. T.W.D.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus;

- een Pro Justitia rapport van 18 februari 2020, opgemaakt door N. van der Weegen, psycholoog;

- een Pro Justitia rapport van 30 november 2020 van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum (PBC).

De psychiater en de psycholoog hebben geen goed beeld kunnen krijgen van de verdachte. Zij hebben geen antwoord kunnen geven op vragen over eventuele psychische stoornissen, toerekenbaarheid en recidiverisico. De psychiater en de psycholoog hebben geadviseerd de verdachte te laten observeren in het PBC.

De verdachte is zeven weken opgenomen geweest in het PBC ter observatie. Het PBC heeft geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis in de zin van een gebrekkige ontwikkeling, mild van omvang, zich uitend in een zwakke identiteits-ontwikkeling met een gebrekkige angsttolerantie. Er wordt hierbij geconcludeerd tot de aanwezigheid van een andere gespecificeerde trauma- of stressor gerelateerde stoornis en niet tot een posttraumatische stressstoornis in volle omvang. Omdat de genoemde gebrekkige identiteitsontwikkeling en gebrekkige angsttolerantie over langere tijd aanwezig waren, was de psychische stoornis ook aanwezig ten tijde van het hem ten laste gelegde.

De psychische stoornis, relatief mild van omvang, maakte dat de keuzevrijheid van de verdachte ten tijde van de hem ten laste gelegde doodslag slechts in beperkte mate werd ingeperkt. De verdachte staat relatief snel paraat vanwege zijn angstklachten maar de problematiek maakt niet dat hij het zicht op wat er gaande is of de controle over zijn handelen verliest. Vanwege de beperkte mate van, doch wel aanwezige, doorwerking in het ten laste gelegde adviseert het PBC de verdachte de ten laste gelegde doodslag in verminderde mate toe te rekenen.

Ten aanzien van de risicotaxatie ziet het PBC eerdere problemen met geweld en gebrek aan

inzicht in enige mate als een risico. Het PBC wijst verschillende beschermende factoren aan, zoals voldoende intelligentie, enig empathisch vermogen, voldoende zelfcontrole, motivatie en bereidheid hulp te aanvaarden. De coping van emoties wordt evenwel als zwak ingeschat,

daar de verdachte moeilijk zijn emoties deelt met anderen. Het PBC schat het risico op recidive van gewelddadig gedrag op grond van het bovenstaande in als laag.

Naast voornoemde rapporten heeft de rechtbank tevens kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 25 februari 2020, opgesteld door [reclasseringswerker] . De reclassering schat de kans op recidive en de kans op letselschade in als hoog. De verdachte deinst er bij (mogelijke) dreiging niet voor terug om een mes te gebruiken. De reclassering stelt dat de psychische gesteldheid, impulsiviteit, ontbrekende copingvaardigheden en maatschappelijke onstabiliteit van de verdachte als risicofactoren aangeduid kunnen worden.

De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van het PBC over de mate van toerekening voldoende worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt deze conclusies dan ook over en maakt deze tot de hare.

Dit betekent dat de rechtbank de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte zal toerekenen.

Strafmodaliteit en strafmaat

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straf die wordt opgelegd in vergelijkbare zaken. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een langdurige gevangenisstraf.

De rechtbank zal in strafverhogende zin rekening houden met de omstandigheid dat het slachtoffer – dat de verdachte niet kende – om het leven is gebracht in zijn eigen woning, waar hij zich veilig zou moeten voelen.

Bovendien wordt de verdachte nu ook veroordeeld voor een ander feit, ruim twee en halve maand voor de doodslag gepleegd, waarbij ook sprake was van steken met een mes. De verdachte had van dit feit moeten schrikken en zich moeten realiseren wat er kan gebeuren als je een mes bij je draagt.

Ten voordele van de verdachte houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, voortkomend uit de doorwerking – zij het beperkt – van de milde psychische stoornis van de verdachte.

In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank voorts mee de jonge leeftijd van de verdachte.

Het vorenstaande leidt ertoe dat, alles overwegende, aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar wordt opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6 De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel

De vorderingen van de benadeelde partijen

6.1

De inhoud van de vorderingen

De volgende personen hebben zich ten aanzien van feit 1 als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

6.1.1.

[benadeelde 1] , de ex-echtgenote van [slachtoffer 1] , met een vordering ten bedrage van € 4.118,42, bestaande uit materiële schade.

6.1.2.

[benadeelde 2] , minderjarig kind van [slachtoffer 1] , met een vordering ten bedrage van € 20.000,00, bestaande uit affectieschade;

6.1.3.

[benadeelde 3] , minderjarig kind van [slachtoffer 1] , met een vordering ten bedrage van € 20.000,00, bestaande uit affectieschade;

6.1.4.

[benadeelde 4] , minderjarig kind van [slachtoffer 1] , met een vordering ten bedrage van € 20.000,00, bestaande uit affectieschade;

6.1.5.

[benadeelde 5] , zus van [slachtoffer 1] , met een vordering ten bedrage van

€ 38.267,29, bestaande uit € 3.267,29 aan materiële schade, € 17.500,00 aan shockschade en € 17.500,00 aan affectieschade;

Ten aanzien van alle vorderingen geldt dat is gevorderd deze te vermeerderen met de wettelijke rente en dat is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

6.2

Het standpunt van de officier van justitie

6.2.1, 6.2.2, 6.2.3 en 6.2.4

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en de drie minderjarige kinderen van

[slachtoffer 1] , te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.


6.2.5

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

[benadeelde 5] geconcludeerd tot toewijzing van de materiële schade en de shockschade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de door [benadeelde 5] gevorderde affectieschade heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van dit deel van de vordering.

De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat de wetgever broers en zussen heeft uitgesloten van de regeling die affectieschade toekent, tenzij sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu onvoldoende sprake is van deze omstandigheden, dit deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

6.3

Het standpunt van de verdediging

6.3.1

De verdediging heeft zich aanzien van de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 1] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de posten 1 en 2.

De posten 3, 4, 5 en 6 zijn, op gronden als verwoord in de pleitnota, betwist door de verdediging. De raadsman heeft verzocht de vordering voor dit deel af te wijzen, subsidiair niet-ontvankelijk te verklaren.

6.3.2, 6.3.3 en 6.3.4

Ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding die zijn ingediend namens de kinderen van [slachtoffer 1] heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3.5

Materiële schade

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 5] op het standpunt gesteld dat voor wat betreft de posten 1 en 2 de vordering dient te worden afgewezen, subsidiair niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze kosten reeds zijn opgevoerd door [benadeelde 1] . Ten aanzien van post 3, de kosten van de aanschaf van kleding voor de begrafenis, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze niet als kosten voor lijkbezorging kunnen worden aangemerkt. De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van post 4 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat parkeerkosten zowel als materiële alsook als proceskosten dienen te worden afgewezen. De raadsman heeft verzocht de vordering voor dit deel af te wijzen, subsidiair niet-ontvankelijk te verklaren.

Shockschade

De verdediging heeft de vordering strekkende tot vergoeding van geleden shockschade, op gronden als verwoord in de pleitnota, betwist. De raadsman heeft verzocht de vordering voor dit deel af te wijzen, subsidiair niet-ontvankelijk te verklaren.

Affectieschade

De verdediging heeft de vordering strekkende tot vergoeding van affectieschade, op gronden als verwoord in de pleitnota, betwist omdat deze niet voor toewijzing in aanmerking komt. De raadsman heeft verzocht de vordering voor dit deel af te wijzen, subsidiair niet-ontvankelijk te verklaren.

6.4

Het oordeel van de rechtbank

6.4.1.

De vordering van [benadeelde 1]

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten 1 (urnentuin) en 2 (gedenksteen inclusief plaatsen), de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat onvoldoende onderbouwd is of deze vordering als kosten voor lijkbezorging kunnen worden aangemerkt. Kosten voor lijkbezorging zijn immers ook door [benadeelde 5] gevorderd, terwijl niet duidelijk is hoe de uitvaart heeft plaatsgevonden en welke kosten daarbij door wie zijn gemaakt.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten 3 (boedeltaxatie), 4 (notariskosten afwikkeling), 5 (verklaring erfrecht) en 6 (RDW tenaamstelling), de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu weersproken is dat deze kosten zijn gemaakt in het kader van de noodzakelijke kosten van lijkbezorging en die stelling nadien onvoldoende is onderbouwd.

De behandeling van deze onderdelen van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan de vordering dan ook slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken . De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

6.4.2.

De vordering van [benadeelde 2]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade, te weten affectieschade, heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit.

Voor het bepalen van de affectieschade is aansluiting gezocht bij het Besluit vergoeding affectieschade, waarin is aangegeven dat indien sprake is van nabestaanden (kinderen) van een slachtoffer dat door een misdrijf om het leven is gekomen, per persoon een bedrag van € 20.000,00 toewijsbaar is.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 20.000,00, bestaande uit affectieschade.

6.4.3.

De vordering van [benadeelde 3]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade, te weten affectieschade, heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit.

Voor het bepalen van de affectieschade is aansluiting gezocht bij het Besluit vergoeding affectieschade, waarin is aangegeven dat indien sprake is van nabestaanden (kinderen) van een slachtoffer dat door een misdrijf om het leven is gekomen, per persoon een bedrag van € 20.000,00 toewijsbaar is.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 20.000,00, bestaande uit affectieschade.

6.4.4.

De vordering van [benadeelde 4]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade, te weten affectieschade, heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit.

Voor het bepalen van de affectieschade is aansluiting gezocht bij het Besluit vergoeding affectieschade, waarin is aangegeven dat indien sprake is van nabestaanden (kinderen) van een slachtoffer dat door een misdrijf om het leven is gekomen, per persoon een bedrag van € 20.000,00 toewijsbaar is.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 20.000,00, bestaande uit affectieschade.

6.4.5.

De vordering van [benadeelde 5]

Materiële schade

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten 1 (kosten grafsteen) en 2 (kosten grafrechten), is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van € 2.935,84.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op post 3 (aanschaf kleding begrafenis), de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Voor wat betreft dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist dat deze kosten als kosten voor lijkbezorging kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op post 4 (parkeerkosten), de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door of namens de benadeelde partij niet onderbouwd.

Shockschade

Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade, sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201 en HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2241). Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden

vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Dergelijke schade moet worden onderscheiden van de emotionele en psychische gevolgen die het verlies van een dierbare voor ouders, familie en andere nabestaanden heeft.

In deze zaak is ter onderbouwing van de gestelde shockschade aangevoerd dat de benadeelde partij het lichaam van haar broer heeft moeten identificeren en daarbij geconfronteerd is met het ernstige fysieke letsel dat haar broer het leven heeft gekost. Ook heeft zij kennis genomen van het dossier en heeft zich daardoor een beeld kunnen vormen van wat haar broer in die laatste momenten van zijn leven heeft moeten doorstaan.

Gewezen is daarbij op een brief van een psycholoog en psychotherapeut waarin staat dat de benadeelde partij onder behandeling is wegens een recidiverende matige, ernstige depressie en een andere gespecificeerd psychotrauma of stressor gerelateerde stoornis, die ook met het verleden te maken hebben.

De rechtbank is van oordeel dat daarmee onvoldoende is komen vast te staan, mede gelet op hetgeen als verweer naar voren is gebracht, dat het geestelijk letsel waaraan de benadeelde partij lijdt veroorzaakt is door de confrontatie met het dode lichaam van haar broer of het lezen van het dossier, om te kunnen concluderen dat sprake is van shockschade die voor vergoeding in aanmerking kan komen. Het is immers ook mogelijk dat het verlies van haar broer of in het verleden gelegen gebeurtenissen oorzaken zijn van haar geestelijke letsel.

Zonder af te willen doen aan het grote leed dat de benadeelde partij, de zus van het slachtoffer, is aangedaan, zal de rechtbank de gevorderde vergoeding voor shockschade niet-ontvankelijk verklaren.

Affectieschade

Affectieschade is immateriële schade. Het uitgangspunt van de wet was dat alleen het slachtoffer van een strafbaar feit zelf immateriële schade in het strafproces kan vorderen. Sinds 1 januari 2019 is het vorderen van affectieschade daarnaast ook mogelijk voor een beperkte kring van gerechtigden. Het betreft partners en kinderen van het slachtoffer, alsmede gevallen waarin sprake is van een duurzame zorgrelatie in gezinsverband, zoals bij pleegkinderen het geval zal zijn of bij het kleinkind dat door een grootouder wordt groot gebracht.

Voorts is in artikel 6:108 lid 4 sub g Burgerlijk Wetboek een zogenoemde hardheidsclausule opgenomen, die onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding toekent aan een persoon die niet tot de vaste kring van gerechtigden behoort. Als voorbeeld in de Memorie van Toelichting wordt gegeven broers en zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. Broers en zussen zijn dus in principe door de wetgever van de regeling uitgesloten, tenzij er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden zoals in voornoemd voorbeeld beschreven.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij een zus van het slachtoffer is. Zij hebben weliswaar zeven maanden samengewoond, maar dat is al langer geleden. Uit hetgeen verder is aangevoerd, is onvoldoende gebleken van de zeer uitzonderlijke omstandigheden zoals bedoeld door de wetgever. De enkele omstandigheid dat de benadeelde partij en het slachtoffer elkaars enige (directe) familie in Nederland waren, zoals is aangevoerd, is daartoe onvoldoende.

De vordering voor zover deze betrekking heeft op affectieschade wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 2.935,84 aan materiële schade. Voor het overige wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard, nu de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Wettelijke rente

Ten aanzien van de toegewezen bedragen geldt dat deze worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf de datum van het feit, te weten 27 augustus 2019, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Kosten

Nu deze vorderingen (gedeeltelijk) worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Schadevergoedingsmaatregelen

Omdat vaststaat dat de verdachte tot de hiervoor genoemde toegewezen bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente, aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen deze bedragen aan de Staat te betalen ten behoeve van de desbetreffende nabestaanden.

Dit betekent dat het totale bedrag van de toegewezen vorderingen in het kader van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel € 62.935,84 bedraagt. De rechtbank bepaalt de daaraan gekoppelde gijzeling in het kader van artikel 36f Sr op 328 dagen.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 57, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

doodslag;

ten aanzien van feit 2 subsidiair:

mishandeling;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan

- [benadeelde 2] een bedrag van € 20.000,00;

- [benadeelde 3] een bedrag van € 20.000,00;

- [benadeelde 4] een bedrag van € 20.000,00;

telkens vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 augustus 2019;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.935,84 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 augustus 2019, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 5] ;

verklaart deze benadeelde partij in het overige deel van de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, telkens vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 augustus 2019, van:

- € 20.000,00 ten behoeve van [benadeelde 2] ;

- € 20.000,00 ten behoeve van [benadeelde 3] ;

- € 20.000,00 ten behoeve van [benadeelde 4] ;

- € 2.935,84 ten behoeve van [benadeelde 5] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van in totaal maximaal 328 dagen, waarbij het toepassen van gijzeling de verdachte niet ontslaat van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging van die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.M. van der Schenk, voorzitter,

mr. J. Snoeijer, rechter,

mr. B.J. de Groot, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. H.A.F. Tromp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 april 2021.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit ten aanzien van feit 1 de pagina’s van het proces-verbaal in het onderzoek Ferdinand19, met het nummer PL1500-2019239236, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Den Haag-Centrum, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 559) en ten aanzien van feit 2 de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL2000-2019134710 Z, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, district De Baronie, basisteam Dongemond, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 57).