Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3161

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
C/09/607302 / JE RK 21-230
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing bekrachtiging schriftelijke aanwijzing Afwijzen zelfstandig verzoek tot benoeming bijzondere curator ex artikel 1:250 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/607302 / JE RK 21-230

Datum uitspraak: 9 maart 2021

Beschikking van de kinderrechter

Afwijzing bekrachtiging schriftelijke aanwijzing

Afwijzen zelfstandig verzoek tot benoeming bijzondere curator ex artikel 1:250 BW

in de zaak naar aanleiding van het op 11 februari 2021 ingekomen verzoekschrift van:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

betreffende:

- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2007 te [geboorteplaats]

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man]

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 1]

advocaat: mr. H. Polat, te Den Haag,

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. F. Pool, te Rotterdam.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift met bijlagen d.d. 9 februari 2021 van de gecertificeerde instelling.

Op 9 maart 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld, gelijktijdig met het verzoek ten aanzien van [minderjarigen] de broers van [minderjarige] , met zaaknummer C/09/607364 / JE RK 21-246. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    [vertegenwoordigers van de GI] namens de gecertificeerde instelling.

[minderjarige] is voorafgaand aan de zitting apart door de kinderrechter in raadkamer gehoord.

Feiten

  • -

    [minderjarige] is erkend door de vader.

  • -

    De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

  • -

    [minderjarige] verblijft feitelijk bij de moeder.

  • -

    De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 14 december 2020 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 19 december 2020 tot 19 december 2021.

  • -

    De gecertificeerde instelling heeft op 9 februari 2021 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Deze schriftelijke aanwijzing heeft – kort samengevat – betrekking op het volgende:
    zicht op de behandeling van de moeder, aanmelding van [minderjarige] bij Pluryn, inzet van een traumaverwerkingsverhaal, medewerking aan ambulante thuisbegeleiding van Stichting Groeii en het voeren van gesprekken met [minderjarige] zonder de aanwezigheid van de moeder.

Verzoek en verweer

De gecertificeerde instelling heeft bekrachtiging van voornoemde schriftelijke aanwijzing verzocht. Blijkens het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is het verzoek als volgt gemotiveerd. Ondanks dat [minderjarige] en de moeder blijven aangeven dat het goed gaat met [minderjarige] , maakt de gecertificeerde instelling zich ernstige zorgen om [minderjarige] in de thuissituatie. Het is daardoor nog maar de vraag of [minderjarige] in de toekomst bij de moeder kan blijven wonen. [minderjarige] is in september 2019 na een netwerkplaatsing bij de moeder gaan wonen. Feitelijk verbleef zij reeds bij de moeder zonder dat de gecertificeerde instelling hiervan op de hoogte was. Dit was de uitdrukkelijke wens van de moeder en [minderjarige] . Er zijn toen bodemeisen opgesteld voor de thuisplaatsing, waarmee zowel de moeder als [minderjarige] akkoord zijn gegaan. Aan een aantal belangrijke bodemeisen wordt tot op heden niet voldaan. [minderjarige] wordt belast met de strijd die de ouders met de gecertificeerde instelling voeren over de uithuisplaatsing van haar broertjes. In de thuissituatie is geen zicht meer op [minderjarige] . [minderjarige] wil geen begeleiding en de moeder lijkt [minderjarige] hierin te steunen. De moeder heeft een ambivalente houding jegens de hulpverlening. De gecertificeerde instelling krijgt geen zicht op de behandeling van de moeder en de moeder deelt de resultaten van het psychologisch onderzoek dat in oktober 2020 afgenomen is niet. Na de afronding van de training KOPP-tiener groep door [minderjarige] is geadviseerd om eerst een traumaverwerkingsverhaal te maken en daarna te starten met traumabehandeling bij Pluryn. [minderjarige] wil geen behandeling en de moeder weigert een handtekening te zetten ten aanzien van de aanmelding van [minderjarige] voor het traject bij Pluryn. Dit heeft tot gevolg dat [minderjarige] nog niet is aangemeld, nog niet op de wachtlijst staat en dat de hulpverlening stagneert. De ambulante thuisbegeleiding door Stichting Groeii komt door bedreigingen vanuit de moeder niet tot het opstellen van een hulpverleningsplan voor [minderjarige] . Het lukt de gecertificeerde instelling ten slotte niet of nauwelijks om [minderjarige] alleen te spreken. De gecertificeerde instelling hoopt dat middels de bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing de samenwerking verbetert en de juiste hulpverlening alsnog ingezet kan worden.

Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. De moeder herkent zich niet in de door de gecertificeerde instelling aangedragen zorgen. Zij heeft aan behandeling meegewerkt en deze met goed gevolg afgerond. Op basis van artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet (hierna: Jw) kan de gecertificeerde instelling gedurende de ondertoezichtstelling de benodigde informatie over de behandeling van de moeder zonder haar toestemming bij de behandelaar opvragen. De moeder heeft er geen bezwaar tegen als er informatie bij de behandelaar wordt opgevraagd, maar dat kan de gecertificeerde instelling dus zelf doen. Het kan de moeder niet worden aangerekend als de behandelaar onvoldoende informatie verstrekt. De zorgen die de gecertificeerde instelling benoemt zijn niet concreet onderbouwd. [minderjarige] en de moeder werken mee aan de hulpverlening van Stichting Groeii. Het gaat goed met [minderjarige] , zowel thuis als op school. Als [minderjarige] niet mee wil werken aan een traject van Pluryn zal dit leiden tot problemen. De moeder is bang dat een bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing averechts zou kunnen werken en de verhoudingen (nog) meer op scherp komen te staan.

Mr. Polat heeft namens de vader bepleit dat de gecertificeerde instelling niet-ontvankelijk verklaard moet worden in het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing, omdat de gecertificeerde instelling niet bevoegd is een schriftelijke aanwijzing te geven aan een minderjarige. Het is duidelijk dat de samenwerking tussen [minderjarige] en de jeugdbeschermer niet optimaal verloopt. De vader is bang dat dit ertoe zal leiden dat [minderjarige] uit huis geplaatst wordt. Ter zitting is namens de vader voorts verzocht een bijzondere curator in de zin van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor [minderjarige] te benoemen, althans is de kinderrechter verzocht gebruik te maken van de mogelijkheid om dat ambtshalve te doen. De bijzondere curator kan als neutrale partij een bemiddelende rol spelen tussen de ouders, [minderjarige] en de gecertificeerde instelling.

Beoordeling

bekrachtiging schriftelijke aanwijzing

De kinderrechter stelt voorop dat uit het bepaalde in artikel 1:263 lid 2 BW volgt dat de ouders en de minderjarige een gegeven schriftelijke aanwijzing dienen op te volgen. Daaruit kan naar het oordeel van de kinderrechter worden afgeleid dat een gecertificeerde instelling een schriftelijke aanwijzing ook (mede) kan richten tot een minderjarige. De gecertificeerde instelling kan daarom worden ontvangen in haar verzoek tot bekrachtiging daarvan.

Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting kan echter naar het oordeel van de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing niet worden bekrachtigd. Weliswaar onderschrijft de kinderrechter de noodzaak om passende hulpverlening voor [minderjarige] in te zetten, maar de schriftelijke aanwijzing is niet concreet genoeg om deze zonder meer te bekrachtigen. Een bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing zal er mogelijk toe leiden dat de onderlinge verhoudingen tussen de [minderjarige] , de ouders en de gecertificeerde instelling nog meer op scherp komen te staan. Dit acht de kinderrechter thans niet in het belang van [minderjarige] .

De kinderrechter wijst erop dat zolang sprake is van een ondertoezichtstelling van [minderjarige] , de gecertificeerde instelling de door de rechtbank gegeven opdracht uitvoert om daaraan invulling te geven. De ouders dienen medewerking te verlenen aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling door de gecertificeerde instelling. Daarbij kan het geven van een schriftelijke aanwijzing een noodzakelijk middel zijn, maar voor bekrachtiging van een schriftelijke aanwijzing dient deze naar het oordeel van de kinderrechter zodanig concreet te zijn dat duidelijk is wat van de ouders en/of de minderjarige wordt verwacht. De kinderrechter adviseert de gecertificeerde instelling de aan de moeder en [minderjarige] te geven aanwijzing(en) stapsgewijs te geven, zodat duidelijk is wat concreet van hen wordt verwacht. Vervolgens kan de bekrachtiging van een schriftelijke aanwijzing worden verzocht. Daarbij dient de gecertificeerde instelling de door haar gestelde zorgen te specificeren, zodat duidelijk is waarom de schriftelijke aanwijzing noodzakelijk is. De kinderrechter wijst er in dit kader op dat de ouders en de gecertificeerde instelling in het belang van [minderjarige] op een constructieve manier dienen samen te werken.

bijzondere curator

Ingevolge artikel 1:250 BW kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als – in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding of het vermogen van een minderjarige – de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders of voogd(en) in strijd zijn met die van de minderjarige. De kinderrechter moet derhalve beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen. Benoeming van een bijzondere curator kan plaatsvinden op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve.

De kinderrechter overweegt in de eerste plaats dat het verzoek eerst ter zitting en mondeling is gedaan door de advocaat van de vader. Dat laat onverlet dat de kinderrechter ook is verzocht te beoordelen of er grond is om ambtshalve een bijzondere curator te benoemen.

De kinderrechter overweegt voorts als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is thans niet, althans onvoldoende gebleken dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:250 BW. Het verzoek stoelt in belangrijke mate op de stelling dat een bijzondere curator als belangenbehartiger van [minderjarige] een bemiddelende rol zou kunnen spelen. Op dit moment is er onvoldoende aanleiding dit verzoek te honoreren. Een benoeming van een bijzondere curator leidt in deze zaak niet tot een andere beslissing. Hoewel het niet ondenkbaar is dat er bijzondere omstandigheden kunnen zijn die het noodzakelijk maken dat er naast een jeugdbeschermer een bijzondere curator wordt benoemd, zijn deze omstandigheden op dit moment niet of onvoldoende aangedragen. Het benoemen van een bijzondere curator voor [minderjarige] zou wellicht in de toekomst in haar belang kunnen zijn.

Indien en voor zover de advocaat van de vader of een van de andere betrokkenen hiertoe aanleiding ziet, kunnen zij een met redenen omkleed verzoekschrift bij de rechtbank indienen. Het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator voor [minderjarige] zal nu worden afgewezen.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

wijst af het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing d.d. 9 februari 2021;

wijst af het verzoek van de vader tot benoeming van een bijzondere curator;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2021 door mr. C.L. Strop, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.P.M. van der Hoorn als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 31 maart 2021.

Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen deze beslissing geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.