Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3146

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-03-2021
Datum publicatie
01-04-2021
Zaaknummer
NL21.3317
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenrecht. Dublin Denemarken. Deense autoriteiten zijn in terugnameverzoek voldoende geïnformeerd. Verweerder acht terecht Denemarken, en niet Duitsland, verantwoordelijk voor eisers asielaanvraag. De enkele, niet nader onderbouwde stellingen van eiser dat hij vanuit Denemarken naar Duitsland is teruggekeerd, daar is ingeschreven bij de gemeentelijke basisadministratie

en daar recht heeft gehad op voorzieningen en financiële ondersteuning, zijn gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel onvoldoende. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.3317


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M.S. Janssen-Polet),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk).

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.3318, plaatsgevonden op 26 maart 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Denemarken een verzoek om terugname gedaan. Denemarken heeft dit verzoek aanvaard.

2. Het betoog van eiser dat verweerder de Deense autoriteiten in het terugnameverzoek onvoldoende heeft geïnformeerd over zijn verblijf in Duitsland, faalt. Artikel 23, vierde lid, van de Dublinverordening vereist dat een verzoek tot terugname wordt gestaafd met bewijsmiddelen of indirecte bewijzen, en/of relevante elementen uit de verklaringen van de betrokkene, op grond waarvan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat kunnen nagaan of deze lidstaat op grond van de criteria van deze verordening verantwoordelijk is. Uit het terugnameverzoek van 30 oktober 2020 blijkt dat verweerder de Deense autoriteiten heeft geïnformeerd over eisers verklaringen met betrekking tot zijn gestelde vertrek uit Denemarken en het daarop volgende jarenlange verblijf in Duitsland. Verweerder hoefde daarbij niet te vermelden dat eiser stelt recht te hebben gehad op allerlei voorzieningen in Duitsland, nu dit voor Denemarken bovenop de hiervoor genoemde informatie niet relevant is om na te gaan of het inderdaad de verantwoordelijke lidstaat is.

3. Eiser voert verder aan dat niet Denemarken, maar Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag.

3.1.

Niet in geschil is dat Duitsland op 6 september 2016 akkoord is gegaan met een verzoek van Denemarken om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Daarmee stond op dat moment de verantwoordelijkheid van Duitsland voor de behandeling van eisers asielaanvraag vast.

3.2.

Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening, komt, indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting van de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene terug te nemen, te vervallen en gaat de verantwoordelijkheid over op de verzoekende lidstaat. Die termijn kan worden verlengd tot maximaal 18 maanden indien de betrokkene onderduikt.

De Deense autoriteiten hebben op 9 november 2020 het terugnameverzoek van verweerder afgewezen. Op 13 september 2016 heeft Denemarken aan Duitsland gemeld dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken, waarop de overdrachtstermijn tot 18 maanden is verlengd. Uit de verklaringen van eiser blijkt volgens Denemarken dat hij binnen die overdrachtstermijn naar Duitsland is teruggekeerd. Denemarken heeft verweerder mede daarom verwezen naar de Duitse autoriteiten.

De Duitse autoriteiten hebben op 19 november 2020 het terugnameverzoek van verweerder afgewezen. Op 13 september 2016 heeft Denemarken aan Duitsland gemeld dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken en de overdrachtstermijn tot 18 maanden verlengd. Uit de Duitse systemen blijkt niet dat eiser nadien en dus binnen die termijn naar Duitsland is teruggekeerd. Eiser heeft geen contact meer met de Duitse autoriteiten gehad. Daaruit volgt volgens hen dat Denemarken er niet in is geslaagd om eiser binnen de overdrachtstermijn over te dragen, zodat de verantwoordelijkheid is overgegaan op Denemarken.

Verweerder heeft vervolgens op 25 november 2020 een verzoek om heroverweging naar de Deense autoriteiten gestuurd, waarbij hij de door Duitsland genoemde informatie heeft vermeld. De Deense autoriteiten hebben op 9 december 2020 dat verzoek en daarmee de verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers asielaanvraag geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.

3.3.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Duitsland en Denemarken het terugnameverzoek zorgvuldig hebben beoordeeld en dat de inhoud van hun reacties juist is. Het is aan eiser om concrete aanknopingspunten te bieden op grond waarvan daaraan moet worden getwijfeld. De enkele, niet nader onderbouwde stellingen van eiser dat hij in 2016 vanuit Denemarken naar Duitsland is teruggekeerd, daar is ingeschreven bij de gemeentelijke basisadministratie en daar recht heeft gehad op voorzieningen en financiële ondersteuning, zijn gelet op het voorgaande onvoldoende.

3.4.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder Denemarken terecht verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling van eisers asielaanvraag. De beroepsgrond faalt.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Groeneveld, griffier.

De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.