Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3138

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
C/09/608130 / JE RK 21-423
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek verlenging ondertoezichtstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/608130 / JE RK 21-423

Datum uitspraak: 22 maart 2021

Beschikking van de kinderrechter

Afwijzing verzoek verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 26 februari 2021 ingekomen verzoekschrift van:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

betreffende:

[minderjarige] geboren op [geboortedag] 2014 te [geboorteplaats]

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam,

[de man 1]

hierna te noemen: de stiefvader,

feitelijk verblijvende op het adres van de moeder.

Het procesverloop

Bij beschikking van 10 maart 2021 van de kinderrechter in deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 18 maart 2021 tot 24 maart 2021. Het verzoek is voor het overige aangehouden tot de mondelinge behandeling ter zitting.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen;

  • -

    voornoemde beschikking van 18 maart 2021;

  • -

    de toetsing van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) d.d. 15 maart 2021, zoals bedoeld in artikel 1:265j, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Op 22 maart 2021 heeft de kinderrechter de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    [vertegenwoordigers van de GI] namens de gecertificeerde instelling;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de stiefvader.

Feiten

  • -

    [minderjarige] is erkend door [de man 2]

  • -

    Bij beschikking van 23 december 2020 van deze rechtbank is de moeder eenhoofdig belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

  • -

    [minderjarige] verblijft bij de moeder en de stiefvader.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar, waarbij in eerste instantie zes maanden worden toegewezen en de overige zes maanden worden aangehouden.

Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. Uit het onderzoek van de Raad ter toetsing van het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling te beëindigen, is gebleken dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog onvoldoende is weggenomen. De gecertificeerde instelling deelt de bevindingen en het standpunt van de Raad. De zorgen zijn gelegen in de onduidelijkheid en onzekerheid die [minderjarige] ervaart, of kan ervaren, over zijn afstamming. Het ligt nog niet vast wie zijn biologische vader is. Er zijn ook zorgen of [minderjarige] onbelast contact kan onderhouden met voor hem belangrijke mensen in zijn leven, zonder te worden belast met spanningen tussen die volwassenen. Zo heeft de moeder het contact tussen [minderjarige] en de juridische vader, de heer [de man 2] al lange tijd geweigerd, terwijl hij een hechtingsfiguur is (geweest) voor [minderjarige] . De rechtbank heeft onlangs bij beschikking van 23 december 2020 het gezamenlijke gezag van moeder en de juridische vader beëindigd en bepaald dat aan de juridische vader (en de oma vaderszijde) het recht op omgang met [minderjarige] wordt ontzegd, nu het niet mogelijk is gebleken om hen een actieve rol in het leven van [minderjarige] te geven. Deze beschikking is nog niet onherroepelijk en de juridische vader heeft aangegeven in beroep te gaan. Concluderend zijn er dus ernstige zorgen over hoe deze onrust en onduidelijkheid zal doorwerken in de verdere ontwikkeling van [minderjarige] . Het maken van een levensverhaal is van belang om [minderjarige] duidelijkheid te geven over de verschillende rollen van de volwassenen in zijn leven. Deze volwassenen die om [minderjarige] heen staan of hebben gestaan zullen hieraan een bijdrage moeten leveren. Gezien de problematische onderlinge verhoudingen is verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk om dit traject uit te voeren.

Door en namens de moeder is verweer gevoerd. Daarbij is naar voren gebracht dat het goed gaat met [minderjarige] en dat er geen acute ontwikkelingsbedreigingen meer zijn. Ook is een einde gekomen aan de jarenlange familierechtelijke procedure, waardoor er nu rust, stabiliteit en duidelijkheid is. Om die reden was de gecertificeerde instelling eerder dan ook van mening dat de ondertoezichtstelling zou kunnen worden beëindigd. [minderjarige] groeit gezond en veilig op bij de moeder en de stiefvader, die bovendien volgens hen de biologische vader van [minderjarige] is. Het schrijven van een levensverhaal zou op dit moment juist belastend zijn, omdat dit opnieuw grondslag biedt voor contact met de juridische vader terwijl onlangs is beoordeeld dat dat niet in het belang van [minderjarige] is. Als hij op enig moment – op latere leeftijd – vragen heeft, dan zal de moeder die beantwoorden. Primair wordt daarom verzocht om het verzoek af te wijzen, subsidiair om bij toewijzing van het verzoek een duidelijke opdracht te formuleren waar binnen het kader van de ondertoezichtstelling dan aan gewerkt moet worden.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling niet, althans onvoldoende, aanwezig zijn.

Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt. Gebleken is dat er in de afgelopen jaren veel onrust en strijd is geweest tussen de volwassenen om [minderjarige] heen. Dat heeft grote gevolgen gehad voor [minderjarige] , omdat hij nu geen contact meer heeft met de mensen die in zijn eerste levensjaren een belangrijke rol hebben gespeeld in zijn verzorging en opvoeding. Dat [minderjarige] last had van de onrust was zichtbaar in zijn ontwikkeling en gedrag. Op dit moment is dat echter niet meer aan de orde en ontwikkelt [minderjarige] zich – naar omstandigheden – goed. Zijn leefomgeving is gestabiliseerd, nu de moeder en de stiefvader inmiddels al een aantal jaar een bestendige relatie hebben en samen de zorg voor [minderjarige] dragen. Er zijn geen zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] in die opvoedsituatie. De kinderrechter begrijpt wel de zorgen over de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] , omdat het voor hem van belang is om te weten van wie hij afstamt en om – tot op zekere hoogte – te weten wat er hieromtrent is gebeurd. Dat is een complex verhaal dat bovendien nog niet is afgerond, nu het biologische vaderschap nog niet vaststaat. De zorgen hierover vormen een potentiële bedreiging voor de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] , maar niet is gebleken dat hij daar op dit moment last van heeft of onduidelijkheid over ervaart. Gezien de leeftijd van [minderjarige] zal de moeder in de komende jaren wel aandacht moeten hebben voor het belang van statusvoorlichting. Echter komt de kinderrechter op dit moment tot de conclusie dat er geen sprake (meer) is van een actuele en ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van [minderjarige] . Om die reden is er thans geen grond voor verlenging van de ondertoezichtstelling.

Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

wijst af het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2021 door mr. J. Visser, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 31 maart 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.