Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3137

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
C/09/606629 / FA RK 21-597
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging ouderlijk gezag (1:266 BW) en benoeming voogdij (1:275 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/606629 / FA RK 21-597

Datum uitspraak: 22 maart 2021

Beschikking van de Enkelvoudige Kamer

Beëindiging gezag en benoeming voogdij

in de zaak naar aanleiding van het op 26 januari 2021 ingekomen verzoek van:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden, hierna te noemen: de Raad,

betreffende:

[minderjarige] geboren op [geboortedag 1] 2004 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende op en bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Venneman te Den Haag,

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, waaronder het rapport van de Raad d.d. 21 januari 2021.

Op 22 maart 2021 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling.

[minderjarige] is op 19 maart 2021 apart door de kinderrechter in raadkamer gehoord.

Feiten

  • -

    [minderjarige] is erkend door [de man]

  • -

    Bij beschikking van 11 maart 2016 van deze rechtbank is de moeder eenhoofdig belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

  • -

    [minderjarige] verblijft in een logeerhuis.

  • -

    Bij beschikking van 23 juni 2020 van de kinderrechter in deze rechtbank is [minderjarige] onder toezicht gesteld van 23 juni 2020 tot 23 juni 2021, alsmede is voor dezelfde duur een machtiging tot uithuisplaatsing verleend.

Verzoek

De Raad verzoekt het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] te beëindigen en de voogdij over [minderjarige] te beleggen bij de gecertificeerde instelling.

Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. Er is sprake van een moeizame band en dynamiek tussen de moeder en [minderjarige] . Zij reageren sterk vanuit hun emoties, waardoor snel wrijving en ernstige conflicten tussen hen kunnen ontstaan. Er ontstonden vaak escalaties in de thuissituatie, maar ook nu [minderjarige] niet meer thuis woont is dat nog het geval. Ondanks de intensieve inzet van hulpverlening gedurende de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is de band tussen de moeder en [minderjarige] niet verbeterd. Zij hebben nu geruime tijd geen contact met elkaar. Er is geen perspectief op terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Verder is de moeder ambivalent jegens de hulpverlening en voelt zij zich regelmatig tegengewerkt door hen. Dit heeft er onder andere voor gezorgd dat toestemming voor belangrijke zaken, zoals school, werk, stageplek of het openen van een bankrekening, niet of niet snel wordt verleend door de moeder. Zij is niet in staat gebleken om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen aanvaardbare termijn te kunnen dragen en zal dat ook niet meer doen. De Raad verzoekt dan ook het ouderlijk gezag van de moeder te beëindigen. De voogdij kan vervolgens het beste belegd worden bij de gecertificeerde instelling, omdat zij vanuit een neutrale positie in staat zijn om de juiste beslissingen te nemen over [minderjarige] . Met de vader heeft [minderjarige] na een lange periode wel weer contact, maar dit verloopt wisselend en is nog minimaal. Hij heeft onlangs verzocht om te worden belast met het ouderlijk gezag, maar dat is bij beschikking van 15 februari 2021 afgewezen.

Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen het verzochte. De moeder erkent dat [minderjarige] en zij een moeizame relatie hebben die de afgelopen jaren niet is verbeterd. Wel is verklaard dat de moeder het niet geheel eens is met wat er over haar is geschreven in het rapport. De samenwerking met de gecertificeerde instelling is altijd moeizaam geweest en zij heeft zich onmachtig en ongehoord gevoeld. Zij heeft daarom nu ook aangevoerd dat zij

zich zorgen maakt om de minimale begeleiding die [minderjarige] krijgt in het logeerhuis. Evenwel refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank wat betreft het onderhavige verzoek.

Beoordeling

De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien (a.) de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of (b.) de ouder het gezag misbruikt.

De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW is voldaan. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [minderjarige] in aanloop naar volwassenheid en zelfstandigheid niet meer bij de moeder zal gaan wonen. De reden daarvan is dat de verhouding tussen [minderjarige] en de moeder ernstig is verstoord en de afgelopen jaren niet is verbeterd. Als gevolg daarvan is er nu al geruime tijd geen contact en zal de moeder de (dagelijkse) zorg en opvoeding over [minderjarige] niet meer dragen. Verder wordt ervaren dat de communicatie tussen hulpverleners en de moeder moeizaam verloopt. Dat is een belemmering voor het regelen van belangrijke zaken voor [minderjarige] .

De rechtbank zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen.

Aangezien de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over haar te benoemen.

In dat verband is de rechtbank van oordeel dat de voogdij belegd dient te worden bij de gecertificeerde instelling. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de vader weliswaar meer dan de moeder, maar ook beperkt contact heeft met [minderjarige] , en volgt de overwegingen in de beschikking van 15 februari 2021. De jeugdbeschermer heeft regelmatig contact met [minderjarige] en met de hulpverleners in het logeerhuis. De gecertificeerde instelling is dan ook het beste in staat om [minderjarige] te begeleiden tot meerderjarigheid. Gezien de ontwikkeling van [minderjarige] is steun en sturing in aanloop naar volwassenheid wel nodig, omdat haar situatie nog onvoldoende stabiel is.

De gecertificeerde instelling heeft zich schriftelijk bereid verklaard de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.

Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder:

- [de vrouw] geboren op [geboortedag 2] 1981 te [geboorteplaats]

over de minderjarige:

- [minderjarige] geboren op [geboortedag 1] 2004 te [geboorteplaats]

benoemt tot voogd over voormelde minderjarige:

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gelast de griffier deze beslissing te laten aantekenen in het gezagsregister;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2021 door mr. J. Visser, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 31 maart 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.