Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3098

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
31-03-2021
Zaaknummer
AWB 20/786
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“VV regulier verblijf bij echtgenoot; Pakistan; geen vrijstelling MVV-eis i.v.m. 8 EVRM of de hardheidsclausule; beroep ongegrond”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/786

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres], eiseres,

V-nummer: [nummer]

gemachtigde: mr. S. Süzen,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde mr. S. Singh.

Procesverloop

Eiseres heeft op 18 juli 2019 een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf bij echtgenoot’.

Bij besluit van 21 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Bij besluit van 23 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 18 februari 2021 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2021. Eiseres en haar gemachtigde zijn – met bericht van verhindering – niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum eiseres] en bezit de Pakistaanse nationaliteit. Zij beoogt verblijf bij haar echtgenoot [naam referent] (referent).

2. Eiseres verblijft sinds 2010 in Nederland maar heeft nooit een verblijfsvergunning gehad. In 2017 heeft eiseres een aanvraag gedaan tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is op 23 augustus 2017 afgewezen waarbij aan tegen eiseres een inreisverbod is uitgevaardigd. Het beroep daartegen is ongegrond verklaard en het daartegen gerichte hoger beroep is kennelijk ongegrond verklaard bij uitspraak van 11 oktober 2017.

3. Verweerder heeft bij het primaire besluit de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).

Zij komt volgens verweerder niet in aanmerking voor vrijstelling van de mvv-eis op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder neemt familieleven aan tussen eiseres en referent, haar echtgenoot. De belangenafweging valt echter in het nadeel van eiseres uit. Verweerder overweegt daartoe dat referent een verblijfsvergunning heeft. Wel heeft eiseres sinds 2010 in Nederland verbleven maar zij heeft nooit een vergunning heeft gehad. Desondanks is zij hier haar familieleven gaan uitoefenen. Eiseres is herhaaldelijk aangezegd dat zij Nederland/ de Europese Unie moest verlaten. Verweerder ziet geen objectieve belemmeringen om het familieleven in het land van herkomst uit te oefenen. De banden van eiseres met Nederland zijn beperkt.

Verweerder ziet geen reden om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Eiseres heeft familie in Pakistan. Dat de situatie in Pakistan over het algemeen slechter is dan in Nederland is onvoldoende. De ziekte van referent is geen reden voor vrijstelling. Referent kan in Nederland zorg krijgen. Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij onmisbaar is voor referent en dat hij constante medische zorg nodig heeft die alleen door eiseres kan worden verleend. Verweerder wijst erop dat de door eiseres aangevoerde asielomstandigheden in een asielprocedure thuishoren.

Verweerder ziet geen bijzondere omstandigheden om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen. Dergelijke omstandigheden zijn ook niet door eiseres aangevoerd.

4. Eiseres voert hiertegen in bezwaar aan dat zij niet bekend was met het inreisverbod. Zij verzoekt om opheffing daarvan. Zij stelt dat haar echtgenoot vanwege zijn medische klachten volledig van haar zorg afhankelijk is.

Eiseres stelt dat het tegenwerpen van de mvv-eis leidt tot onbillijkheid van overwegende aard (hardheidsclausule). Zij vreest in Pakistan om politieke redenen voor haar leven.

Eiseres voert aan dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM (familieleven) in haar voordeel moet uitvallen. Van haar kan niet worden gevergd dat zij haar familieleven in Pakistan uitoefent. Referent is in Nederland ingeburgerd en heeft bovendien medische klachten. Zij vrezen voor vervolging in Pakistan. Een aantal familieleden is daar reeds vermoord.

5. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Verweerder volgt eiseres niet in haar stelling dat zij niet bekend was met het inreisverbod, nu zij hiertegen (tot in hoger beroep) geprocedeerd heeft. Hij beoordeelt de aanvraag inhoudelijk.

Verweerder werpt tegen dat eiseres in bezwaar niet heeft onderbouwd dat referent medische klachten heeft en dat zij niet heeft aangetoond dat hij in Nederland geen zorg kan krijgen. De klachten zijn geen reden om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen objectieve belemmering is om het familieleven in Pakistan uit te oefenen. De verklaringen van eiseres over haar angst voor vervolging in Pakistan zijn vaag, niet onderbouwd en geen reden om haar vrij te stellen van de mvv-eis. Asielmotieven moeten in de asielprocedure worden getoetst en dit is ook gebeurd naar aanleiding van de asielaanvraag van eiseres op 16 juni 2017. Deze is afgewezen op 23 augustus 2017 waartegen eiseres zonder succes heeft geprocedeerd.

Eiseres heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden op grond waarvan de hardheidsclausule moet worden toegepast.

6. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij voert in de gronden van beroep het volgende aan.

Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom een beroep op de hardheidsclausule niet gerechtvaardigd is. Eiseres loopt gevaar in Pakistan vanwege vervolging om politieke redenen, zodat zij niet kan terugkeren naar dat land. Dat haar asielaanvraag eerder is afgewezen, maakt niet dat de omstandigheden niet relevant kunnen zijn voor de onderhavige aanvraag. Het contact met de familie in Pakistan heeft zij jaren geleden verbroken. Dit zijn zeer bijzondere en individuele omstandigheden die maken dat niet van eiseres kan worden verwacht dat zij een mvv-aanvraag doet vanuit Pakistan.

Eiseres wijst erop dat zij (desgevraagd) haar asieldossier niet heeft ontvangen, zodat zij stukken met betrekking tot de situatie daar niet in het geding kon brengen

Eiseres wijst er opnieuw op dat haar echtgenoot medische klachten heeft en dat eiseres met zijn zorg belast is. Er zijn geen familieleden die hem kunnen ondersteunen.

Eiseres meent dat sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM. Haar belang en dat van haar echtgenoot moeten zwaarder wegen dan dit van verweerder. Verweerder heeft het verblijf van eiseres in Nederland sinds 2010 steeds gedoogd. Zij en referent hebben geen band met Pakistan meer. Van hen kan vanwege de vrees voor vervolging en medische klachten van referent niet in redelijkheid worden gevraagd dat zij hun familieleven daar uitoefenen.

Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 17 van Richtlijn 2003/86/EG (de Gezinsherenigingsrichtlijn). Dit artikel biedt verdergaande bescherming dan artikel 8 van het EVRM.

Eiseres voert tot slot aan dat zij ten onrechte niet is gehoord.

7. De volgende bepalingen zijn van belang.

7.1.

Artikel 3.71, eerste lid, van het Vb bepaalt dat de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.

7.2.

Het tweede lid, aanhef en onder l, van artikel 3.71 van de Vb bepaalt dat van het vereiste van een geldige machtiging tot verblijf, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Wet, is vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zou zijn.

7.3.

Artikel 3.71, derde lid, van het Vb, bepaalt dat Onze Minister het eerste lid buiten toepassing kan laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

7.4.

In paragraaf B7/3.8.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is neergelegd dat om te kunnen bepalen of weigering van (voortzetting van) het verblijf van de vreemdeling in strijd is met artikel 8 EVRM, de IND alle relevante feiten en omstandigheden in ogenschouw neemt en deze tot uitdrukking brengt in een belangenafweging. Welke belangen de IND bij de belangenafweging betrekt, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus verschilt. Aangezien het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, heeft de IND hierbij een zekere beoordelingsvrijheid.

Bij de weigering van voortgezet verblijf is de uitgangspositie van de vreemdeling sterker dan bij eerste toelating van de vreemdeling tot het Nederlandse grondgebied. De omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf betrekt de IND ten nadele van de vreemdeling bij deze belangenafweging.

De hardheidsclausule

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste aan eiseres niet onevenredig bezwarend is. De omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd, heeft verweerder mogen aanmerken als onvoldoende bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden. Verweerder is hier in het bestreden besluit al deugdelijk gemotiveerd op ingegaan.

8.1.

Verweerder wijst er terecht op dat de asielgerelateerde aspecten die eiseres aanvoert al zijn beoordeeld in haar asielprocedure, die eindigde met de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2017 en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 oktober 2017. Haar relaas is ongeloofwaardig geacht en vormt geen belemmering voor haar terugkeer naar Pakistan.

Ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij de stukken uit haar asieldossier niet heeft ontvangen, overweegt de rechtbank nog dat die stukken in de door eiseres gevoerde asielprocedure zijn beoordeeld. Ook kan er vanuit worden gegaan dat eiseres hierover kan of in ieder geval destijds kon beschikken. Zonder nadere specifieke toelichting, die ontbreekt, kan ook niet worden ingezien waarom die stukken hier relevant zijn.

8.2.

Ten aanzien van de stelling dat haar echtgenoot medische klachten heeft en dat eiseres met zijn zorg is belast, overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres dit niet met stukken heeft onderbouwd. Verweerder kon zich daarom om het standpunt stellen dat het niet onevenredig bezwarend is dat referent met eiseres mee kan naar Pakistan. Overigens heeft eiseres in beroep ook geen onderbouwing geleverd van de gestelde medische klachten en de gestelde zorg.

8.3.

Verweerder heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat wat eiseres aanvoert, niet maakt dat het onevenredig bezwarend is om vast te houden aan het mvv-vereiste.

Artikel 8 van het EVRM

9. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft in het bestreden besluit alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar in zijn belangenafweging betrokken. Verweerder heeft de belangenafweging in het nadeel van eiseres kunnen laten uitvallen.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat verweerder haar verblijf in Nederland sinds 2010 steeds gedoogd heeft. Verweerder heeft er ter zitting terecht op gewezen dat eiseres van 2010 tot 2017 illegaal in Nederland heeft verbleven en dat zij in 2017 bij hem in beeld kwam. Ook heeft hij er in het verweerschrift en ter zitting terecht op gewezen dat na de afwijzing van haar asielaanvraag aan eiseres in 2017 een terugkeerbesluit is opgelegd en dat eveneens tegen haar een inreisverbod is uitgevaardigd. Zo eiseres dat niet eerder duidelijk zou zijn geweest, was haar in ieder geval toen duidelijk dat zij geen rechtmatig verblijf in Nederland had en dat zij Nederland moest verlaten.

Ook wat betreft dit punt is relevant dat eiseres de medische klachten van referent niet met stukken heeft onderbouwd.

Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat zijn belang zwaarder weegt dan het belang van eiseres en haar echtgenoot om hun familieleven in Nederland uit te oefenen.

10. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn, waaraan eiseres verdergaande bescherming zou kunnen ontlenen dan aan artikel 8 van het EVRM.

Uit jurisprudentie van de Afdeling (zie ook ECLI:NL:RVS:2019:980), blijkt dat de belangenafweging waartoe artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn verplicht, in dit geval gelijk is aan de belangenafweging waar artikel 8 van het EVRM toe verplicht. Het betoog van eiseres slaagt daarom niet.

Conclusie

11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder kunnen concluderen dat eiseres niet voor vrijstelling van de mvv-eis in aanmerking komt. Verweerder heeft dan ook aan haar kunnen tegenwerpen dat zij niet over een mvv beschikt.

12. De beroepsgrond dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, slaagt niet.

Van het horen in bezwaar mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en de gronden in het bezwaarschrift is in dit geval aan deze maatstaf voldaan.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, rechter, in aanwezigheid van mr. T. van Driel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2021.

de griffier is buiten staat de rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.