Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3094

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
SGR 21/1310 en SGR 21/1287
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening; kortsluiting; omgevingsvergunning voor een dakterras; evidente privaatrechtelijke belemmering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 21/1310 en SGR 21/1287


uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2021 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.F.M. Bijloos),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Otte).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [woonplaats] , vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een dakterras op de aanbouw van diens onderburen.

Bij besluit van 22 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2021. Eiseres is, vergezeld van haar vader, verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder was eveneens bij de zitting aanwezig.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. Verweerder heeft aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend om zijn woning, die zich op de eerste verdieping bevindt, uit te breiden door de bouw van een dakterras. Het gaat om een dakterras aan de achterzijde van de woning op de uitbouw van onderburen van vergunninghouder. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘afwijken van het bestemmingsplan’ zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

3. Eiseres woont in de naastgelegen woning, die eveneens op de eerste verdieping is gelegen. Zij kan zich met de vergunningverlening niet verenigen. Zij vreest een inbreuk op haar privacy. Eiseres heeft aangevoerd dat er vanaf het geplande dakterras rechtstreeks zicht is in haar appartement en dat er daarmee sprake is van een inbreuk op het burenrecht. Volgens eiseres is de vergunningverlening ook in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1.

Niet in geschil is dat de realisatie van het dakterras een afwijking behelst van het bestemmingsplan. Uit de toelichting bij het bestreden besluit blijkt dat verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2° van de Wabo deze afwijking van het bestemmingsplan heeft toegestaan. Er kan alleen met toepassing van deze bepaling worden afgeweken van het bestemmingsplan indien er geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.

4.2.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) behoort de beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan tot de bevoegdheid van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen. Dat wil zeggen dat de rechter zich moet beperken tot beantwoording van de vraag of het college in redelijkheid tot het al dan niet verlenen van die omgevingsvergunning heeft kunnen besluiten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1584).

4.3.

In de door eiseres aangevoerde gronden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot verlening van de omgevingsvergunning heeft kunnen besluiten.

4.4.

Eiseres heeft in de eerste plaats betoogd dat de uitbouw waarop het dakterras wordt gerealiseerd de in het bestemmingsplan vastgestelde maximale afstand van 2,50 meter overschrijdt. Nog daargelaten dat daarmee niet is gezegd dat de uitbouw onrechtmatig is, gaat het in deze zaak om de vergunning voor het dakterras en niet om (een vergunning voor) de uitbouw. Deze procedure leent zich niet voor een beoordeling van de rechtmatigheid van de uitbouw. Eiseres heeft in de tweede plaats aangevoerd dat er geen vergelijkbare terrassen zijn vergund aan haar zijde. Dit brengt op zichzelf echter nog geen strijd met een goede ruimtelijke ordening met zich mee. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich, mede gelet op de omvang en diepte van het dakterras, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat eiseres in een stedelijke omgeving woont. Inherent aan wonen in een stedelijke omgeving is dat sprake is van enige inkijk en dat eiseres enige vermindering van haar privacy moet dulden. Voor zover eiseres heeft gesteld dat er sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, wordt het volgende overwogen.

4.5.

Artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt voor zover van belang als volgt:

1. Tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.
[…]

3. De in dit artikel bedoelde afstand wordt gemeten rechthoekig uit de buitenkant van de muur daar, waar de opening is gemaakt, of uit de buitenste naar het naburige erf gekeerde rand van het vooruitspringende werk tot aan de grenslijn der erven of de muur.
[…]”

4.6.

Het is vaste rechtspraak dat voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat slechts aanleiding bestaat indien deze belemmering een evident karakter heeft (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1106). De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.

4.7.

Verder geldt dat uit de bewoordingen van artikel 5:50 BW blijkt dat er een verschil bestaat tussen rechtstreeks uitzicht, rechthoekig gemeten vanaf de opening, en “schuin uitzicht”. Uit de bewoordingen van artikel 5:50 BW kan dus niet zonder meer worden afgeleid dat onder het daarin verwoorde verbod ook het “schuin uitzicht” dient te worden begrepen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2364).

4.8.

Niet in geschil is dat het dakterras op grond van het bouwplan wordt gerealiseerd binnen een afstand van twee meter van de erfgrens van het naburige perceel. Ook staat vast dat eiseres geen toestemming heeft gegeven voor de bouw van het dakterras. Het gaat daarom in de eerste plaats om de vraag of er vanaf het geplande dakterras sprake is van rechtstreeks uitzicht op het erf van eiseres.

4.9.

Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften, op het standpunt gesteld dat er vanaf de korte zijkant van het dakterras geen sprake is van rechtstreeks zicht op het appartement van eiseres, maar schuin zicht. Vanuit het gezichtspunt van iemand die staat op het dakterras is het volgens verweerder voor zicht op het appartement nodig dat diegene zich een kwartslag draait.

4.10.

Op basis van de overgelegde foto’s komt de voorzieningenrechter tot een ander oordeel dan verweerder. Hoewel verweerder kan worden gevolgd in het standpunt dat er vanaf het geplande dakterras geen rechtstreeks uitzicht bestaat op het balkon of de woonkamer van eiseres, moet in ogenschouw worden genomen dat het appartement van eiseres hoekvormig is. Dit is duidelijk te zien op de kadastrale kaart die eiseres heeft overgelegd. De muur van de slaapkamer van eiseres, met daarin tevens ramen, staat loodrecht op de muur van de woonkamer en het balkon. Vanaf de korte zijkant van het dakterras is het daardoor mogelijk in een rechte lijn door het slaapkamerraam te kijken. Dit is door vergunninghouder ter zitting ook bevestigd. Er bestaat daarmee vanaf het dakterras rechtstreeks zicht op de slaapkamer van eiseres.

4.11.

Gelet hierop kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek en komt het voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Vergunninghouder heeft zich namelijk bereid verklaard om een ondoorzichtig privacyscherm te plaatsen aan de korte zijde van het geplande dakterras, dat hoog genoeg is zodat hij er niet overheen kan kijken. Voor zover het dakterras strijd zou opleveren met artikel 5:50 BW kan deze strijd dus met een maatregel van niet-ingrijpende aard worden weggenomen. Daarmee is geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan vergunningverlening in de weg staat (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1816). Dat het privacyscherm ook weer kan worden verwijderd – zoals eiseres heeft aangevoerd – maakt dit niet anders. Eiseres heeft voor wat betreft het plaatsen van het privacyscherm verder naar voren gebracht dat dit zal leiden tot een beperking van haar uitzicht en een vermindering van zonlicht. Voor zover eiseres daarmee heeft willen betogen dat het privacyscherm onrechtmatige hinder oplevert als bedoeld in artikel 5:37 BW geldt dat de enkele stelling dat er sprake is van een vermindering van zonlicht en uitzicht onvoldoende is om aan te nemen dat er sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Tot slot geldt dat voor zover er nog een omgevingsvergunning is benodigd voor de plaatsing van een privacyscherm dit niet relevant is voor de vraag of er sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2926).

4.12.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wordt vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten. Dit betekent dat het besluit feitelijk blijft gelden.

4.13.

Omdat het beroep gegrond is verklaard, is verweerder gehouden de proceskosten van eiseres te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking. Eiseres heeft op het proceskostenformulier vermeld dat zij dergelijke kosten niet heeft hoeven dragen. Wel heeft eiseres een bedrag van € 67,09 vermeld als verschotten. Dit bedrag bestaat uit € 3,84 voor postzegels, € 43,40 voor printkosten en € 19,95 voor een kadastrale kaart. Het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht biedt geen ruimte voor de vergoeding van postzegels en printkosten. De kosten voor de kadastrale kaart komen op grond van artikel 1, onderdeel f, wel voor vergoeding in aanmerking. Verweerder zal in deze kosten worden veroordeeld.

4.14.

Verweerder wordt omdat het beroep gegrond is verklaard op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb ook veroordeeld in het door eiseres betaalde griffierecht van € 181,-.

4.15.

Omdat bij deze uitspraak op het beroep is beslist, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Ten aanzien van dat verzoek bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 19,95,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Pereth, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.P. Jadoenathmisier, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2021.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.