Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3070

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
NL18.22127
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Asiel. Overleggen patiëntendossier vóór het nader gehoor. Verweerder overlegt een nieuw FMMU-advies maar neemt daar geen standpunt over in.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.22127


tussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. A. Hadfy-Kovacs, mr. R.A.P.M. van der Zanden en mr. J.H.M. Post).

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Op 10 januari 2019 heeft er een zitting van de enkelvoudige kamer plaatsgevonden. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J.B. Rutagengwa. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.P.M. van der Zanden.

Bij beslissing van 15 januari 2019 heeft de rechtbank het onderzoek geschorst.

Eiser heeft een iMMO1-rapportage overgelegd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Eiser en het iMMO hebben een reactie op het verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.

Eiser heeft een reactie op het aanvullend verweerschrift ingediend.

Op 16 juli 2020 heeft er een zitting van de meervoudige kamer plaatsgevonden in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B. van Brunschot. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H.M. Post. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Bij tussenuitspraak van 11 augustus 2020 heeft de rechtbank een gebrek geconstateerd en verweerder in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen.

Verweerder heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Eiser heeft gereageerd op de herstelpoging van verweerder.

De rechtbank heeft de zaak aangehouden.

De rechtbank heeft aan partijen meegedeeld dat de samenstelling van de meervoudige kamer is gewijzigd en dat het voornemen bestaat om niet opnieuw een zitting te houden. Eiser is daarmee akkoord gegaan. Verweerder heeft daarop niet binnen de gegeven termijn gereageerd.

Overwegingen

1. Deze tussenuitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 11 augustus 2020.

2. Eiser heeft op 7 november 2018 een afschrift van zijn patiëntendossier aan verweerder overgelegd. Op dat moment was er al een FMMU2-advies aan verweerder uitgebracht, maar hadden de gehoren nog niet plaatsgevonden. De rechtbank heeft geconstateerd dat niet uit het dossier is af te leiden of verweerder heeft onderzocht wat de gevolgen zijn van het overleggen door eiser van deze medische informatie voor het horen en beslissen.3

3. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen. Daarbij heeft de rechtbank de volgende aanwijzingen gegeven: “Het gebrek kan worden hersteld met een aanvullende motivering waaruit blijkt dat verweerder heeft onderzocht wat de gevolgen zijn van de door eiser op 7 november 2018 overgelegde medische informatie voor het horen en beslissen en dat verweerder is nagegaan of het nodig was om de FMMU daarover te raadplegen en wat hiervan de uitkomst is geweest. Indien dit eerdere onderzoek niet heeft plaatsgevonden dient verweerder na te gaan in hoeverre dit gebrek achteraf hersteld kan worden.”

4. Op 12 augustus 2020 heeft verweerder aan de rechtbank meegedeeld gebruik te zullen maken van deze gelegenheid. Op 17 augustus 2020 heeft verweerder een aanvullende rapportage van de FMMU overgelegd alsmede een afschrift van e-mailcorrespondentie tussen verweerder en de FMMU.

5. De rechtbank stelt vast dat de FMMU in de aanvullende rapportage het door eiser overgelegde patiëntendossier slechts kort noemt, maar daarnaast vooral ingaat op de later door eiser overgelegde iMMO-rapportage terwijl daarover in de aanwijzingen van de rechtbank niets is gezegd. De rechtbank stelt bovendien vast dat verweerder niet zelf een standpunt heeft ingenomen over de betekenis van de aanvullende rapportage en de

e-mailcorrespondentie voor het door de rechtbank geconstateerde gebrek.

6. Dit brengt met zich dat verweerder niet volledig heeft voldaan aan de tussenuitspraak van 11 augustus 2020. Gelet op de opdracht aan de rechtbank tot het onderzoeken van de mogelijkheden voor finale geschilbeslechting4 zal de rechtbank verweerder daarom in de gelegenheid stellen om dit alsnog te doen. Daarvoor is vereist dat verweerder alsnog duidelijk maakt in hoeverre hij van mening is dat eiser kon worden gehoord zoals dat tot op heden is gebeurd, ondanks de inzichten die vanuit het patiëntendossier van 7 november 2018 zijn verkregen, en welke gevolgen dit volgens verweerder heeft voor het bestreden besluit.

Beslissing

De rechtbank:

 draagt verweerder op om binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de inlichtingen te geven zoals hiervoor onder 6. beschreven;

 stelt eiser in de gelegenheid om daarop te reageren binnen een termijn van twee weken na de ontvangst van de inlichtingen van verweerder;

 houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter en voorzitter, en mr. B.F.Th. de Roos en mr. E.F. Bethlehem, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen de tussenuitspraken kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

1 instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek.

2 Forensisch Medische Maatschappij Utrecht.

3 Zoals dat wordt vereist door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2085), rechtsoverweging 10.2.

4 Zie artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht.