Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2987

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
NL21.4078
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

spoedvovo feitelijke uitzetting, overdrachtstermijn verlopen, art 27, derde lid, en art 29 Dvo, bezwaar in reguliere procedure schort overdrachtstermijn niet op, vovo toegewezen + toekenning proceskosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.4078

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. F.M. Ticheler).

Procesverloop

Bij brief van onbekende datum heeft verweerder verzoeker medegedeeld voornemens te zijn hem op 22 maart 2021 om [tijd] uur met vluchtnummer [vluchtnummer] over te dragen aan Italië.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat overdracht van verzoeker achterwege blijft totdat op het bezwaar tegen de feitelijke overdracht is beslist;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 534,-.

Overwegingen

1. Verweerder is voornemens verzoeker op 22 maart 2021 via Schiphol uit Nederland te verwijderen. Verzoeker heeft eerder een Dublinprocedure doorlopen, die is geëindigd met het besluit van verweerder van 7 mei 2020, waarbij de asielaanvraag niet in behandeling is genomen. Italië is toen verantwoordelijk geacht voor de behandeling van verzoekers asielaanvraag.

2. Het bezwaar is gericht tegen de feitelijke uitzetting en dat betreft een handeling van verweerder die op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) met een besluit gelijk is gesteld. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de

Raad van State (ABRvS)1 volgt dat de mogelijkheid tot het maken van bezwaar op basis van dit artikel tegen een voorgenomen feitelijke uitzetting beperkt is tot een bezwaar over de wijze waarop verweerder van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik maakt. Daarnaast is het maken van zodanig bezwaar mogelijk, indien de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit, dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de voorgenomen feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan. In dat geval moet een vreemdeling nieuwe feiten en omstandigheden aanvoeren ten opzichte van dat wat hij tegen het besluit waaruit de bevoegdheid tot die uitzetting voortvloeit, heeft aangevoerd of had kunnen aanvoeren. Is dat wat een vreemdeling aanvoert niet nieuw, dan wel niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitzetting, dan kan dit niet tot een geslaagd rechtsmiddel tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting leiden, tenzij zich een geval voordoet als omschreven in paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), Bahaddar tegen Nederland.2

3. Verzoeker voert primair aan dat de uiterste overdrachtstermijn is verstreken op

4 september 2020. Anders dan verweerder stelt, heeft het indienen van bezwaar tegen de afwijzing van de gevraagde verblijfsvergunning regulier geen gevolgen voor de uiterste overdrachtsdatum. Verzoeker verwijst naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 15 januari 20213 en de daarin genoemde uitspraken van deze rechtbank van 10 augustus 20204 en van de voorzieningenrechter van 3 september 20205. Verweerder heeft ten onrechte de uiterste overdrachtstermijn opgeschort onder verwijzing naar het bezwaar in de reguliere procedure. Daarnaast voert verzoeker aan dat in Italië sprake is van systematische tekortkomingen in de opvangvoorzieningen voor asielzoekers. Verzoeker wijst in dat kader onder meer op een rapport van SFH/OSAR van 21 januari 2020, een artikel in De Groene Amsterdammer van 3 april 2019 en het AIDA Country Report (2019 Update), dat is gepubliceerd op 27 mei 2020. Verzoeker wijst er ook op dat het gelet op de huidige gezondheidssituatie in Italië niet aangewezen is hem over te dragen, nu uit recente berichten blijkt dat meerdere opvangcentra in corona brandhaarden zijn veranderd. Overdracht aan Italië leidt daarom tot een ongerechtvaardigde toename van gezondheidsrisico’s. Ten slotte voert verzoeker aan dat overdracht aan Italië niet is aan te merken als een strikt noodzakelijke reis, zodat verweerder door verzoeker over de dragen in strijd handelt met de door het kabinet vastgestelde vereisten om uit te reizen.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uiterste overdrachtsdatum is verlengd tot zes maanden na de beslissing op bezwaar en beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier. Op 8 maart 2021 is door deze rechtbank en zittingsplaats uitspraak gedaan in die zaak en daarmee is de uiterste overdrachtsdatum opgeschort tot

8 september 2021. De overdracht op 22 maart 2021 zal dus binnen de overdrachtstermijn plaatsvinden. Verweerder houdt vooralsnog nog vast aan de uiterste overdrachtsdatum op 9 april 2021, te weten zes maanden na de beslissing op bezwaar in de reguliere procedure. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het indienen van een bezwaarschrift in een reguliere procedure, zoals verzoeker heeft gevoerd, mede moet worden aangemerkt als een verzoek om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de

1. Bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 12 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1995)

2 Arrest van het EHRM, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45

3 NL20.20911 (ECLI:NL:RBDHA:2021:263)

4 NL19.22869 (ECLI:N:RBDHA:2020:8601)

5 AWB 20/6792 (ECLI:NL:RBDHA:2020:1064)

uitkomst van het beroep of bezwaar in de zin van artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening6. Door het instellen van een bezwaar dat van rechtswege schorsende werking heeft, is immers gegeven dat de uitvoering van het overdrachtsbesluit is gestuit en is de uiterste overdrachtsdatum op grond van artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening opgeschort. De concentratie van rechtswerking gebiedt tot opschorting van overdracht en tast het nuttig effect van de Dublinverordening aan wanneer die concentratie niet onder de vigeur van artikel 29, derde lid, van de Dublinverordening tot opschorting van de overdrachtstermijn zou leiden. Verweerder wijst op de uitspraken van de ABRvS van 20 juli 20167, 28 juli 20168 en 24 februari 20209. Over de situatie in Italië stelt verweerder zich op het standpunt dat hierop zeer uitgebreid is gereageerd in het besluit van 7 mei 2020 in de Dublinprocedure. Met dat wat door verzoeker is aangevoerd, is niet aannemelijk gemaakt dat er rechtens relevante nova zijn die nopen tot een andere beoordeling. Ook de ABRvS10 oordeelt dat ten aanzien van Italië nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder stelt zich ten slotte op het standpunt dat het reizen van verzoeker in het kader van de overdracht wel een noodzakelijke reis is, omdat de uiterste overdrachtsdatum op 9 april 2021 verloopt.

5. De voorzieningenrechter ziet zich primair voor de vraag gesteld of de uiterste overdrachtsdatum is verstreken.

6. Op grond van artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening, voor zover hier van belang, bepalen de lidstaten voor een beroep of een bezwaar tegen een overdrachtsbesluit in hun nationale recht een van de opschortingsalternatieven genoemd onder a, b en c.

Nederland heeft gekozen voor de toepassing van artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. In het Nederlandse recht is daarom bepaald dat, als verweerder een asielverzoek niet in behandeling neemt omdat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan, de vreemdeling een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kan doen om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten. In dit verband verwijst de voorzieningenrechter naar artikel 7.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. De werking van een besluit om een asielverzoek niet in behandeling te nemen omdat een andere lidstaat op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is, wordt dus niet van rechtswege opgeschort, maar alleen na het treffen van een voorlopige voorziening.

Artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening houdt, voor zover hier van belang, in dat de vreemdeling wordt overgedragen van de verzoekende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkene over of terug te nemen of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, derde lid, opschortende werking heeft.

6 Verordening 604/2013

7 ECLI:NL:RVS:2016:2122

8 ECLI:NL:RVS:2016:2170

9 ECLI:NL:RVS:2020:556

10 Uitspraak van 25 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:464

7. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn standpunt dat ook het indienen van een bezwaarschrift tegen de afwijzing van een aanvraag om verlening van een reguliere verblijfsvergunning de overdrachtstermijn opschort. Weliswaar heeft verweerder dat zo bepaald in zijn beleid zoals beschreven in paragraaf B1/7.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), maar een bevoegdheidsgrondslag daarvoor kan niet worden gevonden in artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening. Artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening – dat onder meer verwijst naar artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening – heeft betrekking op rechtsmiddelen die zijn aangewend tegen (a) het overdrachtsbesluit zelf of

( b) die hebben geleid tot een voorlopige voorziening waarbij de uitvoering van het overdrachtsbesluit door de voorzieningenrechter is opgeschort.

8. Voor de uitleg die verweerder voorstaat, kan geen steun worden gevonden in de bewoordingen van artikel 29, eerste lid, en artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening. Het bezwaar in de reguliere procedure is immers geen rechtsmiddel dat is aangewend tegen het overdrachtsbesluit zelf en is evenmin een verzoek aan een rechterlijke instantie om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten zoals bepaald in artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. De voorzieningenrechter vindt voor dit oordeel steun in onder meer de door verzoeker aangehaalde uitspraken van deze rechtbank van

10 augustus 2020 en 15 januari 2021 en de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 15 maart 202111.

9. Artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening bepaalt - voor zover in deze zaak van belang - dat de termijn van zes maanden loopt vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkene over of terug te nemen. Die situatie doet zich hier voor. De termijn van zes maanden is in het geval van verzoeker ingegaan vanaf 4 maart 2020, de datum van het fictief claimakkoord. De overdrachtstermijn is dus geëindigd op 4 september 2020.

10. Artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening houdt - voor zover van belang - in dat indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene over te nemen of terug te nemen, komt te vervallen, en dat de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat. Gelet op het voorgaande is de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag sinds 4 september 2020 overgegaan op Nederland. Het overgaan van de verantwoordelijkheid op Nederland is van rechtswege ingetreden en is dus niet (mede) afhankelijk van de wil van de oorspronkelijk beoogde ontvangende lidstaat.

11. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening dan ook toe. De voorzieningenrechter komt dan ook niet toe aan bespreking van de andere gronden die zijn aangevoerd.

11 AWB 21/1549 (ECLI:NL:RBDHA:2021:2141)

12. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de voorzieningenrechter vast op € 534,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

19 maart 2021

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.