Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2980

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
01-04-2021
Zaaknummer
C/09/591022 / HA ZA 20-357
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkoop pleziervaartuig. CE-markeringsplicht Richtlijn 94/25/EG en Wet pleziervaartuigen 1997. Uitleg overeenkomst; dwaling. Klachtplicht. Schriftelijke procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

zaaknummer / rolnummer: C/09/591022 / HA ZA 20-357

Vonnis van 17 maart 2021

in de zaak van

1 [eiser 1] en

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. M. Smit te Zoetermeer,

tegen

1 [gedaagde 1] en

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. H.A. Bravenboer te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 april 2020,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    het tussenvonnis van 7 oktober 2020,

  • -

    de rolbeschikking van 21 oktober 2020,

  • -

    de instructie ex artikel 22 Rv van 25 november 2020,

  • -

    de schriftelijke toelichting van [gedaagden] ,

  • -

    de schriftelijke toelichting van [eisers]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In maart 1998 koopt dhr. [gedaagde 1] (hierna: [gedaagde 1] ) het casco pleziervaartuig ‘ [het schip] ’, type Crown Riverholiday 1090 RO (hierna: het schip) van de familiewerf [de werf] (hierna: de werf). [gedaagde 1] is mede-eigenaar van de werf.

2.2.

[gedaagde 1] bouwt het schip zelf af.

2.3.

Dhr. [eiser 1] (hierna: [eiser 1] ) was lid en op enig moment bestuurslid van de aan de werf gelieerde Crownersclub. [gedaagde 1] en [eiser 1] waren goede bekenden van elkaar.

2.4.

Op 9 juli 2003 heeft [eisers] het schip van [gedaagden] gekocht voor € 145.000.

2.5.

De verkoopovereenkomst, getiteld ‘Verkoopbevestiging’, beslaat twee A4-tjes en vermeldt onder meer het volgende:

“Betreft: Motorjacht van het merk en type: Crown Riverholiday 1090 RO en naam: “ [het schip] ” van bouwjaar 1998. Het schip is in gebruik genomen op 19 mei 1999. In de staat en uitvoering zoals door u gezien voor ons huis op [adres] in [plaats 1] op 16 juni 2003 en de keren erna. (…)

(…)

Koper:

[eiser 1] e/o [eiser 2]

(…)

Verkoper:

[gedaagde 1] e/o [gedaagde 2] ,

[adres] ,

[plaats 2] .

(…)”

Daaronder is met de hand toegevoegd:

“Overgedragen op 19-8-2003

Betaling voldaan”

Onder die laatste tekst hebben partijen getekend voor de overdracht van het schip en de ontvangst van de koopsom.

2.6.

In 2018 heeft [eisers] het schip te koop aangeboden via de werf. In de door de werf opgestelde verkoopadvertentie staat onder meer:

“Van de tweede eigenaar biedt de werf aan: deze goed onderhouden Crown Riverholiday 1090 RO. Dit in 1999 in de vaart genomen schip heeft tot en met 2003 dienst gedaan als werfdemo. Deze boot heeft aan de basis gestaan van de huidige Crown Keyzer Cabriolet. (…)

De huidige eigenaar heeft het schip in onderhoud bij de werf.

(…)

Vraagprijs: € 97.500

(…)

Bouwjaar: 1998/1999

(…)”

2.7.

Wanneer geïnteresseerde kopers (hierna: [X] ) vragen stellen over de btw-verklaring voor het schip, stelt dhr. [Y] op 8 juni 2018 namens de werf de volgende verklaring voor het schip op:

“Voor degene die het aangaat:

V.O.F. Scheeps Jachtwerf [scheepsjachtwerf] vertegenwoordigd door [Y] directeur/eigenaar. Verklaart dat betreffende de Crown River Holiday 1090 RO momenteel genaamd “ [schip] ”.

- Het casco aan Dhr. [gedaagde 1] is geleverd in maart 1998

- De Yanmar motor aan Dhr. [gedaagde 1] is geleverd in november 1998

- Dat over de bedragen betaald door [gedaagde 1] voor dit casco, deze motor en de toegeleverde materialen de volledige BTW is afgedragen.”

2.8.

Bij e-mail van 15 juni 2018 aan [eisers] schrijft [X] het volgende:

“Zoals zojuist telefonisch besproken heb ik de keuring voor maandag a.s. afgezegd. De reden hiervoor staat hieronder beschreven. Ik denk dat het goed is om hier naar te kijken en dan te bepalen of jullie verder invulling willen geven aan het op orde brengen van de papieren. Zowel CE als BTW verklaring.”

Onder de e-mail staat een e-mailbericht van de door [X] ingehuurde expert, dhr. [expert] (hierna: [expert] ). In dit bericht legt [expert] uit dat het schip volgens hem een CE-markering moet hebben. Ook schrijft [expert] dat er bewijs moet zijn dat voldoende btw is afgedragen, en legt uit hoe dat kan worden verkregen.

2.9.

Op 19 juni 2018 vraagt [eisers] een btw-verklaring aan bij de Douane. Deze verklaring wordt door de Douane/Belastingdienst bij brief van 23 juli 2018 geweigerd.

2.10.

Op 7 augustus 2018 verkoopt [eisers] het schip aan Vivante Yachts voor € 60.000.

2.11.

[eisers] heeft zich gewend tot haar rechtsbijstandsverzekeraar Das Rechtsbijstand (hierna: DAS). Bij brief van 11 september 2019 heeft DAS [gedaagden] namens [eisers] aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden doordat [gedaagden] hem bij aankoop van het schip onjuist en onvolledig had geïnformeerd. In de brief wordt [gedaagden] gesommeerd om binnen veertien dagen nadien over te gaan tot betaling van € 35.000 op de kantoorrekening van DAS, bij gebreke waarvan [eisers] aanspraak zou maken op wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 35.000, vermeerderd met rente en kosten.

[eisers] stelt daartoe dat [gedaagden] jegens hem wanprestatie heeft gepleegd bij de verkoop van het schip, althans dat [eisers] bij de aankoop van het schip heeft gedwaald.

3.2.

[gedaagden] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kernvraag in deze zaak is of [eisers] mocht verwachten dat voor het schip een CE-certificaat en een btw-verklaring voorhanden waren.

4.2.

[eisers] stelt – samengevat – dat hij in de veronderstelling was dat hij het schip van de werf kocht, dat het schip door de werf was gebouwd en dat het dus aan alle wettelijke eisen voldeed. Daarom verwachtte hij dat voor het schip een CE-certificaat en een btw-verklaring beschikbaar waren. Zonder die documenten is het schip onverkoopbaar of in elk geval beperkt verkoopbaar, wat de waarde ernstig drukt, aldus [eisers]

4.3.

[gedaagden] meent dat [eisers] wist dat [gedaagde 1] het schip in privé had afgebouwd en ook dat hij het schip van [gedaagde 1] in privé kocht. Verder meent [gedaagden] dat het schip van vóór juni 1998 is en bovendien voor privégebruik is gebouwd, zodat het geen CE-markering hoeft te hebben. Verder was het schip bestemd voor de binnenvaart, zodat een btw-verklaring niet nodig was. [eisers] heeft volgens [gedaagden] ook niet gesteld dat en waarom hij de overeenkomst niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten als hij geweten had dat het schip niet werfgebouwd was en geen CE-markering en btw-verklaring voorhanden waren.

4.4.

Partijen verschillen van mening over de vraag uit welke afspraken de koopovereenkomst precies bestaat. Om te kunnen beoordelen aan welke eisen het schip op grond van de overeenkomst moest voldoen, moet de rechtbank daarom eerst vaststellen wat partijen zijn overeengekomen. Daarbij komt het aan op de zin die zij in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij in het licht van alle omstandigheden van het geval redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eisers] in elk geval mocht verwachten dat het schip aan alle wettelijke vereisten voldeed. Wel verschillen zij van mening over de vraag welke wettelijke vereisten ten tijde van de koop op het schip van toepassing waren.

CE-certificaat

4.6.

Voor de vraag of [eisers] mocht verwachten dat het schip een CE-certificaat had, is relevant of de wettelijke CE-markeringsplicht van de Wet Pleziervaartuigen op het schip van toepassing was.

4.7.

Ten tijde van de koop gold de Wet Pleziervaartuigen 1996, die de implementatie vormde van de Europese Richtlijn Pleziervaartuigen (94/25/EG). Uitgangspunt van deze regelgeving was dat alle pleziervaartuigen – ook pleziervaartuigen die nog niet waren afgebouwd – een CE-markering moesten hebben. De fabrikant en degene die het pleziervaartuig in de handel bracht, waren verplicht om te zorgen dat het vaartuig een CE-markering kreeg (artikel 7 Wet Pleziervaartuigen 1996). Zonder deze markering mochten pleziervaartuigen niet in de handel worden gebracht en ook niet in bedrijf worden gesteld (artikel 3 lid 1 en 17 lid 2 Wet Pleziervaartuigen 1996). Tenzij het onder één van de uitzonderingsbepalingen van de Wet Pleziervaartuigen 1996 viel, moest het schip dus over een CE-markering beschikken.

4.8.

De CE-markeringsplicht van de Wet Pleziervaartuigen 1996 gold niet voor:

  • -

    pleziervaartuigen die vóór 16 juni 1998 in de handel waren gebracht én in bedrijf waren gesteld (artikel 24 lid 1);

  • -

    voor persoonlijk gebruik gebouwde schepen, voor zover zij gedurende een periode van vijf jaar na de bouw niet op de gemeenschappelijke markt worden gebracht (artikel 2 onder i).

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat geen van deze uitzonderingsbepalingen op het schip van toepassing was, en wel om de volgende redenen.

4.9.1.

[gedaagden] heeft het schip in maart 1998 casco gekocht en heeft het vervolgens afgebouwd. Hoewel discussie mogelijk is over de vraag wanneer een zelfbouwschip klaar is om in gebruik te stellen, heeft [eisers] gesteld dat een motor voor een motorjacht essentieel is. Tegen deze stelling heeft [gedaagden] onvoldoende ingebracht. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het schip zonder motor niet in bedrijf kon worden gesteld.

De werf heeft de motor pas in november 1998 aan [gedaagde 1] geleverd; het moment van in bedrijf stellen van het schip ligt dan op zijn vroegst in november 1998. In de door [gedaagden] opgestelde koopovereenkomst staat overigens dat het schip op 19 mei 1999 ‘in gebruik is genomen’. Ook als de rechtbank van het vroegst mogelijke moment uitgaat – november 1998 – voldeed het schip op 16 juni 1998 niet aan het cumulatieve vereiste van artikel 24 lid 1 Wet Pleziervaartuigen 1996 dat het in de handel was gebracht én in bedrijf was gesteld.

4.9.2.

Ook aan de eisen van de uitzondering voor zelfbouw is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. De uitzondering van artikel 2 onder i Wet Pleziervaartuigen 1996 geldt namelijk alleen als tussen de (af)bouw en het moment van op de markt brengen minstens vijf jaar zit. Het moment van (af)bouw ligt, zoals hiervoor is overwogen, op zijn vroegst in november 1998. Tussen november 1998 en de datum waarop [gedaagden] het schip aan [eisers] heeft verkocht (9 juli 2003) zit minder dan vijf jaar.

4.10.

Het voorgaande betekent dat ten tijde van de koop een wettelijke CE-markeringsplicht op het schip van toepassing was. [eisers] mocht daarom verwachten dat het schip over een CE-markering beschikte.

Btw-verklaring

4.11.

Ten aanzien van de btw-verklaring heeft [gedaagden] gesteld geldt dat deze niet wettelijk vereist was voor de verkoop of ingebruikname van het schip. Aan de rechtbank is ook geen regel bekend die een btw-verklaring eist voor het in gebruik nemen van het schip. Een btw-verklaring komt voor particulieren alleen aan de orde bij fiscale in- of uitvoer van het schip. Het schip was echter een Nederlands binnenvaartschip dat binnen Nederland werd verkocht, zodat zonder btw-verklaring normaal gebruik van het schip mogelijk was.

4.12.

Uit de beschrijvingen van beide partijen van de gang van zaken rond de verkoop, blijkt verder niet dat partijen tijdens het verkoopproces hebben gesproken over een btw-verklaring, gebruik in het buitenland of over andere btw-gerelateerde zaken. De schriftelijke koopovereenkomst vermeldt daarover ook niets. Verder weegt de rechtbank mee dat [eisers] tot 2018 niet om een btw-verklaring heeft gevraagd.

4.13.

De rechtbank is daarom van oordeel dat [eisers] niet op basis van enige wettelijke regeling, noch op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten dat [gedaagden] voor het schip een btw-verklaring zou aanleveren.

4.14.

Toen [eisers] [gedaagden] in 2018 om een btw-verklaring vroeg, was de wettelijke bewaartermijn voor de fiscale administratie uit 1998/1999 al ruimschoots verstreken. Het kan [gedaagden] daarom niet worden aangerekend dat hij de voor het verkrijgen van een btw-verklaring benodigde informatie toen niet meer kon aanleveren.

4.15.

De vraag is of [eisers] op andere gronden mocht verwachten dat [gedaagden] (de gegevens voor) een btw-verklaring zou aanleveren. De rechtbank is op grond van het hiernavolgende van oordeel dat dit niet het geval is.

Dwaling omtrent identiteit verkoper?

4.16.

[eisers] heeft aangevoerd dat hij verwachtte dat er geen problemen zouden zijn ter zake van formaliteiten c.q. documenten, naar de rechtbank begrijpt omdat hij dacht dat hij het schip van de werf kocht en dat het gebruikelijk is dat een werf een btw-verklaring aanlevert. [gedaagden] heeft betoogd dat steeds duidelijk is geweest dat het schip van hem in persoon werd gekocht. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

4.17.

[eisers] heeft het schip bezichtigd bij het woonhuis van [gedaagden] In de koopovereenkomst staat [gedaagden] met privé-adresgegevens als verkoper vermeld. Ook vermeldt de overeenkomst dat de koopsom moet worden overgemaakt naar de bankrekening van [gedaagden] (en niet naar die van de werf). De overeenkomst is afgedrukt op blanco papier, niet op briefpapier van de werf. Dit zijn sterke aanwijzingen dat [eisers] het schip van [gedaagden] kocht en dat dit hem in elk geval bij het ondertekenen van de koopovereenkomst duidelijk moest zijn. Die aanwijzingen worden versterkt door het feit dat [eisers] de werf in dit geding niet mede heeft gedagvaard.

4.18.

Ook de stelling van [eisers] dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij het schip van de werf kocht omdat het schip als demoschip voor de werf werd gebruikt en bij de koop een jaar garantie en modificaties zijn overeengekomen, leidt niet tot een andere conclusie.

[gedaagden] heeft onbetwist gesteld dat [de werf] een kleine werf was die op bestelling bouwde en geen voorraad aanhield, en dat het gebruikelijk was dat schepen van bestaande klanten van de werf werden ingezet om potentiële klanten te informeren over de mogelijkheden. In deze – aan [eisers] bekende – context vormde gebruik van het schip als demo-model geen indicatie dat het schip eigendom was van de werf.

Ten aanzien van de garantie en de modificaties heeft [eisers] niet toegelicht waarom hij dacht dat de werf die zou verzorgen, laat staan dat zij dit voor haar rekening zou doen. De tekst en opmaak van de overeenkomst wijzen niet in die richting. Nu [gedaagde 1] zelf over beroepsmatige scheepsbouwvaardigheden beschikte, hetgeen [eisers] wist, is zonder nadere toelichting niet duidelijk waarom [eisers] uit de overeengekomen garantie en modificaties mocht opmaken dat de werf als verkoper optrad.

4.19.

Omdat [eisers] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat hij erop mocht vertrouwen dat hij het schip van de werf kocht, komt de rechtbank aan bewijslevering op dit punt niet toe.

Dwaling omtrent zelfbouw?

4.20.

Tenslotte stelt [eisers] dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het schip werfgebouwd was. De rechtbank begrijpt uit zijn stellingen dat dit gegeven hem het vertrouwen gaf dat het schip over alle nodige papieren en certificaten beschikte. [eisers] stelt dat [gedaagden] bij hem de indruk heeft gewekt dat het schip werfgebouwd was; zo paste de koopprijs volgens hem niet bij een zelfbouwschip en had het schip een bestickering die alleen werfgebouwde schepen kregen.

4.21.

[gedaagden] meent dat [eisers] wist dat [gedaagde 1] het schip zelf had afgebouwd, omdat hij hem dit heeft verteld. Ook blijkt volgens [gedaagden] nergens uit dat [eisers] het schip niet zou hebben gekocht als het zelfgebouwd was: [eisers] had al eens een zelfgebouwd schip gekocht. [gedaagden] meent dat de koopprijs wel bij de waarde van het schip paste, omdat het luxe was uitgevoerd en gebouwd was met dezelfde materialen als schepen van de werf. De bestickering waarop [eisers] doelt, is volgens [gedaagden] pas aangebracht in 2009 of 2010, na een herstel van de romp van het schip na een aanvaring. Op dat moment hanteerde de werf volgens [gedaagden] nog slechts één type sticker, zodat uit die bestickering geen verschil valt af te leiden.

4.22.

Ten aanzien van de gronden waarop [eisers] stelt te hebben gedacht dat het schip werfgebouwd was, overweegt de rechtbank als volgt.

[eisers] heeft na de gemotiveerde betwisting door [gedaagden] onvoldoende toegelicht dat de koopprijs te hoog was voor het schip. Tussen partijen is niet in geschil dat het schip luxe en met professionele materialen was uitgevoerd, dat het casco van een gerenommeerde werf kwam, en dat [gedaagde 1] ook beroepsmatig schepen bouwde. Het enkele feit dat [gedaagde 1] het schip in privé had afgebouwd, kan de stelling dat het minder waard was dan [eisers] ervoor heeft betaald daarom niet dragen. Ook over de bestickering van het schip heeft [eisers] gezien de gemotiveerde betwisting door [gedaagden] onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat [eisers] uit de bestickering heeft mogen afleiden dat het schip (geheel) werfgebouwd was.

4.23.

Bovendien is de rechtbank van oordeel dat uit de stellingen van [eisers] onvoldoende volgt dat het voor [gedaagden] kenbaar was dat het voor [eisers] relevant was dat het schip zelfgebouwd was, en evenmin dat [eisers] van de verkoop (tegen die voorwaarden) zou hebben afgezien als hij zou hebben geweten dat [gedaagde 1] het schip in privé had afgebouwd.

[eisers] stelt weliswaar dat het voor hem belangrijk was om een werfgebouwd schip te kopen, maar niet dat hij dit destijds ook aan [gedaagden] kenbaar heeft gemaakt. Mede in het licht van het feit dat [eisers] al eens een op basis van een Crown Yacht-casco afgebouwd schip van een particulier had gekocht, volgt uit zijn stellingen niet op grond waarvan [gedaagden] had moeten begrijpen dat [eisers] bezwaar had tegen een particulier afgebouwd schip.

4.24.

Omdat over de dwaling omtrent het zelfbouwkarakter en de waarde van het schip onvoldoende is gesteld, komt de rechtbank aan bewijslevering hieromtrent niet toe.

Tussenconclusie

4.25.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank van oordeel is dat [eisers] het schip van [gedaagden] in privé heeft gekocht. Het feit dat [gedaagden] geen btw-verklaring kon aanleveren, is geen tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst en kan het beroep op dwaling evenmin dragen.

Het feit dat het schip geen CE-markering heeft, is wel een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst. [gedaagden] is jegens [eisers] in beginsel aansprakelijk voor de schade die uit deze tekortkoming is voortgevloeid.

Tijdig geklaagd?

4.26.

[gedaagden] heeft nog aangevoerd dat [eisers] de klachtplicht heeft geschonden en dat hij daarom niet aansprakelijk is.

4.27.

De wet kent voor klachten na koop een vervaltermijn, die begint te lopen op het moment dat de koper het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken. Na dat moment moet de koper binnen bekwame tijd over dat gebrek klagen (artikelen 6:89 en 7:23 lid 1 Burgerlijk Wetboek).

4.28.

[gedaagden] stelt dat [eisers] niet tijdig over het ontbreken van de CE-markering heeft geklaagd. Een CE-markering blijkt eenvoudig uit een bouwersplaatje bij de stuurstand, zodat [eisers] het gebrek kort na de overdracht had kunnen ontdekken.

4.29.

[eisers] stelt dat hij als consument niet van de CE-markeringseis op de hoogte hoefde te zijn; pas toen hij het schip in 2018 wilde verkopen, kwam hij er door expert [expert] achter dat het schip er niet aan voldeed.

4.30.

De rechtbank is van oordeel dat [eisers] het ontbreken van de CE-markering niet eerder hoefde te ontdekken dan toen [expert] hem daar op wees. Naar het oordeel van de rechtbank was de betekenis van het bouwersplaatje ten tijde van de koop iets waarvan [gedaagde 1] gezien zijn achtergrond wel, maar [eisers] als leek niet op de hoogte hoefde te zijn. De CE-markeringsplicht gold nog niet voor het vorige schip dat [eisers] had gekocht, zodat hij hiermee geen eigen ervaring had.

4.31.

[eisers] heeft binnen enkele dagen na het e-mailbericht van [expert] bij [gedaagden] geklaagd over het ontbreken van de CE-markering; dit is binnen bekwame tijd.

Schade

4.32.

Tenslotte ligt de vraag voor of en zo ja welke schade [eisers] heeft geleden doordat het schip niet aan de wettelijke CE-markeringsplicht voldeed.

4.33.

[eisers] stelt in totaal € 35.000 schade te hebben geleden omdat het schip niet over de vereiste documenten (CE-markering en btw-verklaring) beschikte. Deze schade is berekend door de waarde van het schip met documenten te vergelijken met de waarde van het schip zonder. De waarde van het schip met documenten was volgens [eisers] het bedrag dat de geïnteresseerde kopers bereid waren te betalen, namelijk € 95.000. De waarde van het schip zonder documenten was volgens [eisers] het bedrag waarvoor hij het schip in augustus 2018 aan Vivante Yachts heeft verkocht, te weten € 60.000. [eisers] schat dat het ontbreken van de CE-markering de waarde met minimaal € 15.000 tot € 20.000 drukt.

4.34.

[gedaagden] heeft bij conclusie van antwoord aangevoerd dat [eisers] het schip inderdaad voor € 95.000 had kunnen verkopen als hij een nieuw verkooptraject zou hebben gestart (CvA §43). Bij schriftelijke toelichting betoogt [gedaagden] dat het schip in 2018 geen € 95.000 meer waard was omdat [eisers] het onderhoud had laten versloffen (ST §32). Ook meent [gedaagden] dat [eisers] niet aan zijn schadebeperkingsplicht heeft voldaan door de onderhandelingen met [X] onnodig te laten afketsen en onvoldoende te doen om andere kopers te vinden en/of zijn schade te beperken.

4.35.

De rechtbank is van oordeel dat [eisers] schade heeft geleden door het ontbreken van de CE-markering. Omdat de schade niet meer exact te berekenen is, zal de rechtbank de schade schatten (art. 6:97 BW). De rechtbank schat de schade op € 17.500. Bij dit oordeel weegt de rechtbank het volgende mee.

4.36.

Gelet op de door de werf in de advertentie vermelde vraagprijs van € 97.500, en gelet op hetgeen de werf in de advertentie en [gedaagden] in de conclusie van antwoord over de staat van het schip hebben vermeld, schat de rechtbank de waarde van het schip mét CE-verklaring in augustus 2018 op € 95.000. Het verschil met de gerealiseerde koopprijs is € 35.000. De rechtbank schat dat dit verschil voor de helft is te wijten aan het ontbreken van de CE-verklaring.

4.37.

[gedaagden] heeft nog gesteld dat [eisers] onvoldoende heeft geprobeerd om zijn schade te beperken. [eisers] heeft echter gemotiveerd gesteld en met stukken onderbouwd dat hij meerdere pogingen heeft gedaan om het schip elders te verkopen. In het licht van die gemotiveerde betwisting acht de rechtbank de stelling dat [eisers] onvoldoende heeft gedaan om het schip voor een hogere prijs te verkopen, onvoldoende onderbouwd. Bij dat oordeel weegt de rechtbank ook mee dat [eisers] geen professionele partij is en dat de CE-markering een wettelijk vereiste is, zonder welke een schip niet mag worden verhandeld.

Wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten

4.38.

[eisers] maakt aanspraak op wettelijke rente. De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 26 september 2019, zijnde veertien dagen na datum dagtekening van de brief waarmee [eisers] [gedaagden] in gebreke heeft gesteld.

4.39.

[eisers] maakt ook aanspraak op betaling van € 1.125 aan buitengerechtelijke incassokosten. Uit productie 10 bij dagvaarding blijkt dat meerdere werkzaamheden zijn verricht die voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal € 950 aan buitengerechtelijke kosten toewijzen, conform de staffel ingevolge de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten (zijnde € 875 + 1% over (€ 17.500 - € 10.000)).

Proceskosten

4.40.

[gedaagden] is de overwegend in het ongelijk gestelde partij. De rechtbank zal hem daarom in de proceskosten van het geding veroordelen. Wel zal de rechtbank het salaris van de advocaat berekenen aan de hand van het toegewezen bedrag in plaats van aan de hand van het gevorderde bedrag, omdat een aanzienlijk deel van de vordering wordt afgewezen.

4.41.

De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- explootkosten € 109,29

- vastrecht hoofdzaak € 937,00

- salaris advocaat € 1.126,00 (2 x Tarief II à € 563)

Totaal € 2.172,29

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagden] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 26 september 2019 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagden] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 950,00 (negenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 2.172,29,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2021.1

1 type: coll: