Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:298

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-01-2021
Datum publicatie
20-01-2021
Zaaknummer
AWB 20-5688 en 19-9239 VK
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning, Z.ZH. en I.O., drugsdelicten, geen beschermingswaardig familie- en gezinsleven, inreisverbod tien jaar, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/5688 (beroep)

AWB 19/9239 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Turkse nationaliteit, eiser, verzoeker,

(gemachtigde: [naam] ),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken met ingang van diezelfde datum. Bij dit besluit heeft verweerder tevens een inreisverbod opgelegd aan eiser voor de duur van tien jaar.

Bij besluit van 19 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Op 15 juli 2020 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen het bestreden besluit ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam] , waarneemster van zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook was op de zitting aanwezig mevrouw

[naam] , tolk in de Turkse taal . De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het griffierecht

1. Eiser heeft een onderbouwd verzoek om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht gedaan. Mede gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 20151is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht moet worden gehonoreerd, zodat eiser in beide procedures vrijgesteld is van de verplichting tot het betalen van griffierecht.

Ten aanzien van het beroep

Achtergrond

2. Eiser heeft sinds 1991 rechtmatig verblijf in Nederland. De echtgenote van eiser heeft sinds 1985 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Met zijn echtgenote heeft eiser twee kinderen; een zoon geboren op [geboortedatum] en een dochter geboren op

[geboortedatum] . Beide kinderen zijn ingeschreven op hetzelfde adres als waar eiser en zijn echtgenote ook staan ingeschreven, te weten [adres 1] in [plaatsnaam] . In het uittreksel van de Justitiële Informatiedienst staat dat eiser op 16 oktober 2018 bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam is veroordeeld voor de handel in verdovende middelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. Deze veroordeling is onherroepelijk. Eiser zit momenteel in detentie deze gevangenisstraf uit. Uit het uittreksel van ECRIS2 blijkt dat eiser bij uitspraak van 7 januari 2008 in Duitsland is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar en zes maanden, eveneens wegens handel in verdovende middelen.

Het bestreden besluit

3. Bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de

verblijfsvergunning van eiser met ingang van 7 november 2019 ingetrokken. Verweerder heeft eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd en aan hem een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Volgens verweerder vormt eiser namelijk een ernstige bedreiging voor de openbare orde, omdat hij tweemaal strafrechtelijk is veroordeeld voor ernstige drugsfeiten. Er is geen sprake van strijd met artikel 8 van het EVRM3, aldus verweerder.

Beroepsgronden eiser

4.1

Volgens eiser is geen sprake van een voldoende ernstige en actuele bedreiging van de openbare orde. Eiser betoogt dat verweerder in onvoldoende mate het actuele gedrag van eiser heeft betrokken in zijn besluitvorming. Eiser wijst in dit kader onder meer op het tijdsverloop na het laatste strafbare feit. Daarnaast heeft de laatste gevangenisstraf een afschrikwekkend effect op eiser gehad en heeft hij een positieve gedragsverandering laten zien. Ter onderbouwing hiervan wijst eiser onder meer op de volgende stukken:

  • -

    [omschrijving] van 1 juni 2019;

  • -

    Voortgangsrapportage van [omschrijving] van 6 september 2019;

  • -

    Advies inzake aanvraag detentiefasering van 11 april 2019;

  • -

    E-mail van [functie] [naam] van 24 september 2019;

  • -

    Rapport van [naam] ( [naam] ) van 16 april 2019;

  • -

    Een ongedateerd advies van [functie] [naam] ;

  • -

    Intentieverklaring [naam] van 30 september 2019.

4.2

Voorts doet eiser een beroep op artikel 8 van het EVRM. Hiertoe voert eiser aan dat hij niet alleen beschermenswaardig familieleven heeft met zijn echtgenote, maar ook met zijn meerderjarige dochter. Gelet op de leeftijd en de verstandelijke beperking van zijn dochter, dient zij als jongvolwassene te worden aangemerkt. Vanwege de verstandelijke beperking is zijn dochter zorgbehoevend. Aangezien de echtgenote van eiser wegens fysieke beperkingen niet langer deze zorg kan dragen, dient eiser dit op zich te nemen. Verweerder heeft deze omstandigheden onvoldoende betrokken bij de vraag of sprake is van beschermenswaardig familieleven tussen eiser en zijn dochter. Eiser heeft verder gemotiveerd naar voren gebracht dat de door verweerder gemaakte belangenafweging ten aanzien van zijn echtgenote op grond van artikel 8 van het EVRM in zijn voordeel had moeten uitvallen. Ten slotte voert eiser aan dat sprake is van een schending van de hoorplicht.

Oordeel rechtbank

5. Op de zitting is gebleken dat het geschil zich toespitst op twee onderdelen; de vraag of van het persoonlijk gedrag van eiser nog een voldoende ernstig en actueel gevaar voor de openbare orde uitgaat en of het bestreden besluit in strijd is met de bescherming van het familie- en gezinsleven van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank overweegt als volgt.

Intrekking verblijfsvergunning

Vormt het persoonlijk gedrag van eiser nog een voldoende ernstig en actueel gevaar voor de openbare orde?

6.1

In het arrest Z.Zh. en I.O. is bepaald dat de lidstaten bij het aannemen van een gevaar voor de openbare orde per geval moeten beoordelen of het persoonlijke gedrag van de betrokkene een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.4 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het persoonlijke gedrag van eiser hier blijk van geeft en overweegt daartoe als volgt.

6.2

Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit acht geslagen op het feit dat eiser tweemaal is veroordeeld voor drugsdelicten, eenmaal in Duitsland en eenmaal in Nederland. In de Duitse strafzaak is aan eiser een gevangenisstraf van negen jaar en zes maanden opgelegd. Verweerder heeft verder in zijn besluitvorming de overwegingen uit het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 oktober 2018 mogen betrekken. In dat vonnis wordt overwogen dat eiser zich, samen met anderen, heeft bezig gehouden met een zeer grootschalige invoer van ruim 1130 kilo heroïne/morfine. Bij de strafmaat wordt in het nadeel van eiser meegewogen dat hij een coördinerende rol heeft gehad ten opzichte van een medeverdachte en dat hij eerder in Duitsland is veroordeeld voor een ernstig drugsfeit. Voorts wordt ten aanzien van de strafmaat overwogen dat dergelijke grootschalige invoer aan de basis staat van verdere verspreiding van zeer schadelijke stoffen en daardoor een veelvoud aan strafbare feiten wordt veroorzaakt. Het gaat daarbij niet alleen om andere opiumwetmisdrijven, maar ook om ernstige geweldsmisdrijven en, bij de (eind)gebruikers, verwervingscriminaliteit. Ten aanzien van de aard en ernst van het gepleegde delict overweegt de rechtbank verder dat verweerder van belang heeft mogen achten dat sprake is van een zwaar vergrijp, wat blijkt uit de motivering in het vonnis en de forse strafmaat.

6.3

Eisers stelling dat de detentietijd in Nederland een voldoende afschrikwekkend effect heeft, volgt de rechtbank, net als verweerder, niet. Hoewel uit de voortgangsrapportage van het [naam]5 blijkt dat eiser de detentietijd in Duitsland als zeer zwaar heeft ervaren, heeft dit eiser er niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen. Niet aannemelijk is gemaakt dat deze detentieperiode wel het door eiser naar voren gebrachte afschrikwekkend effect zou hebben.

6.4.1

Verweerder heeft ook mogen stellen dat tot op heden geen sprake is van een situatie waarin kan worden gesproken van een positieve gedragsverandering, die in volledige vrijheid heeft plaatsgevonden en geruime tijd zonder problemen heeft standgehouden. Nu eiser zich sinds oktober 2018 (de datum van de veroordeling in Nederland) in detentie bevindt, heeft verweerder op goede gronden geringe betekenis gehecht aan de omstandigheid dat de veroordeling in Nederland al enige tijd geleden heeft plaatsgevonden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft daarnaast geoordeeld dat aan gedrag na veroordeling en tijdens detentie nauwelijks betekenis toekomt, nu dat gedrag immers verband houdt met die detentie.6 Datzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de periode waarin eisers voorlopige hechtenis was geschorst. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat deze periode van beperkte duur is en in verband staat met de strafzaak. In het kader van een bestendige gedragsverandering heeft verweerder dan ook weinig waarde hoeven hechten aan het gedrag van eiser in deze periode.

6.4.2

Ook uit de overige door eiser overgelegde stukken kan niet afgeleid worden dat daadwerkelijk sprake is van een positieve en bestendige gedragsverandering. De omstandigheid dat eiser zich goed opstelt tijdens detentie en dat positief is geadviseerd over detentiefasering, is positief. Daaruit kan echter niet afgeleid worden dat daadwerkelijk sprake is van een positieve gedragsverandering die ook na detentie stand zal houden. Het reclasseringsadvies van 21 mei 2019 biedt evenmin voldoende aanknopingspunten om van een positieve gedragsverandering te kunnen spreken. In dit advies is immers aangegeven dat onvoldoende inzicht is in de persoonlijke omstandigheden en het psychosociaal functioneren van eiser. De reclassering vermeldt verder dat het onbekend is gebleven wat precies ten grondslag heeft gelegen aan eisers delict gedrag. De reclassering geeft aan dat de indruk is dat eiser, ondanks een eerdere veroordeling, geen inzicht heeft in de gevolgen van zijn handelen. Zoals ook uit het reclasseringsadvies blijkt, ontkent eiser dat hij de strafbare gedragingen bewust heeft gepleegd. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat deze proceshouding er onvoldoende blijk van geeft dat eiser inzicht heeft en verantwoordelijkheid neemt voor zijn strafbare gedrag. De enkele stelling van eiser dat hij nu spijt heeft, strookt niet met eisers eerdere verklaringen en volgt de rechtbank niet.

6.5

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat het persoonlijk gedrag van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt.

Familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM

Geen beschermenswaardig familie- en gezinsleven met de dochter

7. In geschil is allereerst de vraag of eiser beschermenswaardig familie- en gezinsleven heeft met zijn meerderjarige dochter. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord en overweegt daartoe als volgt.

8.1

Op grond van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie-, gezins- en privéleven. Op grond van het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Uit het arrest Khan van het Europees Hof voor de Rechten van Mens (EHRM) volgt dat bij de vraag of familie-of gezinsleven met meerderjarige kinderen bestaat, moet blijken van "additional elements of dependency", dus van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.7 Uit het arrest Maslov van het EHRM kan worden afgeleid dat voor de vaststelling van het gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen die jongvolwassen zijn en nog geen eigen gezin hebben gesticht, niet is vereist dat sprake is van “additional elements of dependency”.8

8.2

Op grond van paragraaf B7/3.8 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 neemt verweerder familie- en gezinsleven aan als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, zonder dat sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, uitsluitend als het meerderjarig kind (i) jongvolwassene is, (ii) altijd feitelijk heeft behoord tot het gezin van de ouders en (iii) nog steeds behoort tot het gezin van de ouders. Verweerder beoordeelt dit per individueel geval en betrekt daarbij in ieder geval of bijvoorbeeld het kind zelfstandig woont en in zijn eigen levensonderhoud voorziet.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de dochter van eiser niet als jongvolwassene kan worden aangemerkt. Ten tijde van het bestreden besluit was de dochter van eiser [leeftijd] jaar. Hoewel de leeftijdsgrens van [leeftijd] jaar, die verweerder in zijn beleid hanteert, naar het oordeel van de rechtbank geen harde grens is, is de hogere leeftijd van de dochter wel een stevig aanknopingspunt dat zij niet meer als jongvolwassene gezien kan worden. Volgens eiser is een bijkomend element dat de dochter verstandelijk beperkt is en dat alleen eiser de benodigde zorg kan verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat echter geen element waardoor de dochter als

[leeftijd] -jarige toch als jongvolwassenen gekwalificeerd kan worden. Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden die maken dat de dochter van eiser toch als jongvolwassene zou moeten worden aangemerkt.

10.1

Vervolgens dient te worden onderzocht of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Bij die vraag spelen de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden van zijn dochter en de gestelde hulpbehoevendheid een rol. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat door eiser niet aannemelijk is gemaakt dat zijn dochter dusdanig afhankelijk van hem is dat gesproken kan worden van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

10.2.1

Eiser heeft stukken overgelegd, te weten een verslag van een psychologisch onderzoek van zijn dochter9, een onderwijskundig rapport van de school van zijn dochter10 en stukken van ambulante hulpverlening [naam]11, waaruit blijkt dat zijn dochter verstandelijk beperkt is. Op de zitting is door eisers zoon nader toegelicht waar volgens hem de zorgbehoevendheid van zijn zus uit bestaat. Zij kan zelf in haar persoonlijke hygiëne voorzien. Zo kan zij zichzelf ook wassen en aankleden. De zorgbehoevendheid betreft volgens de zoon met name de dagbesteding van zijn zus. Zij kan niet alleen naar buiten. Ook kan zijn zichzelf niet op een goede manier thuis bezighouden; het liefst zit zij dan de hele dag voor de televisie. Zij heeft dus zowel binnen als buitenshuis begeleiding nodig. De laatste tijd heeft de zoon zijn zus hierin begeleid. Op de zitting heeft de zoon verklaard dat hij deze hulp niet meer aan zijn zus kan bieden. Het is te lastig om met zijn werk en studie te combineren.

10.2.2

Als wordt uitgegaan van de verstandelijke beperking van de dochter van eiser en de juistheid van de verklaringen van de zoon, dan is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken dat alleen eiser de benodigde hulp en begeleiding aan zijn dochter kan bieden. Onvoldoende is gebleken dat bijvoorbeeld de echtgenote van eiser de hulptaken niet (wederom) op zich kan nemen. Met verweerder overweegt de rechtbank dat geen recente medische gegevens over de gesteldheid van de echtgenote van eiser zijn overgelegd, waaruit blijkt dat zij voornoemde hulp en begeleiding niet kan bieden.

Belangenafweging ten aanzien van de echtgenote

11. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder op goede gronden heeft gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiser dient uit te vallen.

12. Zoals het EHRM heeft overwogen in onder meer de arresten Boultif van

2 augustus 200112 en Üner van 18 oktober 200613, dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval een inmenging in het familie- of gezinsleven van de vreemdeling rechtvaardigt, een ‘fair balance’ te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het algemeen belang van de betrokken lidstaat. Deze belangenafweging moet op grond van vaste rechtspraak van het EHRM worden verricht met inachtneming van de ‘guiding principles’, zoals genoemd in het Boultif-arrest.

13. De rechtbank overweegt dat uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder deze ‘guiding principles’, uitdrukkelijk bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft betrokken. Bij de belangenafweging heeft verweerder er rekenschap van gegeven niet alleen ernst van het delict te hebben meegewogen, maar ook het recht op familie- en gezinsleven van eiser. Verweerder heeft verder bij de belangen van eiser mogen betrekken dat onvoldoende is gebleken dat de echtgenote van eiser afhankelijk is van zijn zorg. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot de gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen.

Inreisverbod tien jaar

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het inreisverbod mogen opleggen. Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd waarom hij eiser een inreisverbod van tien jaar heeft opgelegd en waarom niet is overgegaan tot verkorting van de duur daarvan. Verweerder heeft in dat verband eveneens deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt, als bedoeld in het hiervoor genoemde arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015 in de zaak Z.Zh. en I.O. De rechtbank verwijst in dat kader naar hetgeen bij rechtsoverwegingen 6.1 tot en met 6.5 is weergegeven.

15. Nu de rechtbank eerder tot het oordeel is gekomen dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat eiser geen beschermenswaardig familie- en gezinsleven heeft met zijn dochter en de belangenafweging ten aanzien van zijn echtgenote in zijn nadeel heeft mogen laten uitvallen, treft ook hetgeen eiser hierover aanvoert bij het inreisverbod geen doel.

Hoorplicht

16. De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht niet is geschonden. Gelet op het primaire besluit en wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd, was er geen twijfel over dat het bezwaar van eiser ongegrond was. Dat betekent dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en verweerder mocht daarom van het horen afzien.

17. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

18. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In dit geval is geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 20/5688,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 20/9239,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T. van Soldt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken.

griffier

rechter

is verhinderd om te ondertekenen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 ECLI:NL:CRVB:2015:282.

2 Europees Strafregister Informatiesysteem.

3 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4 Het arrest Z.Zh. en I.O. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:377

5 Voortgangsrapportage van [naam] van 6 september 2019, p. 4.

6 ECLI:NL:RVS:2017:1328

7 EHRM, A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk, 12 januari 2010 (zaaknummer 47486/06).

8 EHRM, Maslov tegen Oostenrijk, 23 juni 2008 (zaaknummer 16/3803)

9 Verslag psychologisch onderzoek d.d. 2 juni 2008.

10 Onderwijskundig rapport [naam] d.d. 10 juni 2009.

11 Brief hulpverlener [naam] d.d. 15 april 2009 en verklaring psychosociaal hulpverlener [naam] d.d. 1 december 2007.

12 ECLI:NL:XX:2001:AD3516

13 ECLI:NL:XX:2006:AZ2407