Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2972

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
AWB 20/2719
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“verblijf bij familie en gezin – verbroken gezinsband – beroep ongegrond”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/2719

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

V-nummer: [nummer]

gemachtigde: mr. I. Özkara,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 6 augustus 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’.

Bij besluit van 28 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Ook heeft verweerder een licht inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.

Bij besluit van 30 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven de zaak zonder zitting af te doen, waarna het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser is geboren op [geboortedatum eiser] en bezit de Turkse nationaliteit. Hij heeft op

6 augustus 2019 een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner [naam referente] (referente) die is geboren op [geboortedatum referente] en ook in het bezit is van de Turkse nationaliteit.

Standpunt verweerder

2. In het primaire besluit heeft verweerder gesteld dat eiser geen familielid, echtgenoot of geregistreerd partner is van referente. Ook heeft eiser niet aangetoond dat referente een werknemer is als bedoeld in Besluit 1/80 van de Associatieraad EU-Turkije of een zelfstandige is als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EU-Turkije. Gelet hierop is eiser niet vrijgesteld van het vereiste in het bezit te zijn van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eisers uitzetting is niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het is niet gesteld of gebleken dat het onredelijk hard voor eiser is om terug te keren naar zijn land van herkomst om daar een mvv aan te vragen. Aan eiser is een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd, omdat op 15 februari 2014 een terugkeerbesluit tegen hem is uitgevaardigd en hij niet uit Nederland is vertrokken.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat uit het dossier blijkt dat eisers relatie met referente is verbroken en dat hij volgens de Basisregistratie personen (BRP) niet samenwoont met referente. Reeds daarom voldoet eiser niet aan de tussen de EU en Turkije gemaakte afspraken. Er is dan ook geen reden om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1621). Ook heeft eiser zijn gestelde familieleven met referente niet aangetoond. Het bezwaar is kennelijk ongegrond, waardoor eiser op grond van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet is gehoord.

Standpunt eiser

4. Eiser voert aan dat het aan verweerder is te wijten dat hij niet samenwoont met referente. Zolang hij geen verblijfsvergunning heeft, kan hij zich niet laten registreren in de BRP. Verder is zijn relatie met referente niet verbroken. Dit blijkt al uit de aanvraag om de verblijfsvergunning. Hij en referente hebben ook verklaard dat er sprake is van een duurzame relatie. Zij willen graag trouwen, maar dat kan niet omdat verweerder zijn paspoort heeft ingenomen. Hierdoor kan hij geen gezinslid van een Turkse werknemer zijn. Wel heeft hij bij de gemeente zijn intentie kenbaar gemaakt om te trouwen. Als hij zijn paspoort terugkrijgt, lost dat de meeste problemen op en kan hij een beroep doen op artikel 8 van het EVRM. Het bestreden besluit is onredelijk bezwarend. Verweerder moet daarom op grond van artikel 4:84 van de Awb afwijken van de toepasselijke beleidsregels. Bovendien is hij ten onrechte niet gehoord, aldus eiser.

Oordeel rechtbank

5. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder, om de volgende redenen.

5.1.

Verweerder heeft inmiddels ingestemd met de teruggave van eisers paspoort. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat dit niet betekent dat het bestreden besluit geen stand kan houden. In het dossier bevindt zich een meldingsformulier voor familie en gezin van 10 februari 2020, waarin referente verklaart dat de gezinsband met eiser is verbroken en dat eiser niet meer bij referente verblijft. De enkele stelling dat eisers relatie niet is verbroken, dat eiser en referente een duurzame relatie hebben en willen trouwen, doet hieraan geen afbreuk. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij rechten kan ontlenen aan artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat het bestreden besluit onredelijk bezwarend voor hem is. Eiser heeft dan ook niet onderbouwd waarom verweerder op grond van artikel 4:84 van de Awb moet afwijken van de beleidsregels die in de Vreemdelingencirculaire 2000 zijn neergelegd. Ook heeft verweerder op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kunnen afzien van het horen van eiser. Gelet op de motivering van het primaire besluit en wat eiser daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, heeft verweerder terecht gesteld dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander standpunt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. J.G. Bos, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 23 maart 2021.

De griffier is buiten staat. De rechter is verhinderd te tekenen.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.