Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2929

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
C/09/607567 / HA ZA 21-174
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intellectueel eigendomsrecht. Octrooirecht. Incident. Verbodsvordering gebaseerd op buitenlandse delen Europees octrooi, niet (ook) op Nederlands deel. Uitleg bevoegdheidsbepaling artikel 80 lid 2 sub a ROW 1995. Relatief onbevoegd. Verwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/607567 / HA ZA 21-174

Vonnis in incident van 17 maart 2021

in de zaak van

de vennootschap naar vreemd recht

GOOGLE LLC,

te Mountain View, Californië, Verenigde Staten van Amerika,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. R.E. Ebbink te Amsterdam,

tegen

1 SONOS EUROPE B.V.,

te Hilversum,

2. de vennootschap naar vreemd recht

SONOS INC.,

te Santa Barbara, Californië, Verenigde Staten van Amerika.

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. G. Kuipers te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Google en Sonos genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 22 september 2020 waarbij het Google is toegestaan te procederen volgens het Versneld Regime in Octrooizaken;

  • -

    de dagvaarding van 1 oktober 2020;

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van 17 februari 2020;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord van 3 maart 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

Sonos vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Daaraan legt zij ten grondslag dat Google’s vorderingen in de hoofdzaak zien op een verbod inbreuk te maken op de buitenlandse delen van Europees octrooi 1 579 621 B1 (hierna: het octrooi of EP 621) in het Verenigd Koninkrijk, Italië en Finland dan wel onrechtmatig te handelen door die inbreuk in genoemde landen te faciliteren. Nu Google zich niet beroept op (ook) een Nederlands deel van EP 621 (het octrooi is in Nederland niet van kracht), komt de rechtbank Den Haag gelet op de bepaling van artikel 80 lid 2 sub a Rijksoctrooiwet 1995 (hierna: ROW) geen relatieve bevoegdheid toe omdat die bepaling, in verbinding met artikel 70 ROW en artikel 1 ROW slechts ziet op Europese octrooien voor zover voor het Koninkrijk verleend.

2.2.

Google voert verweer. Zij voert – kort en zakelijk weergegeven – aan dat inderdaad verdedigbaar is dat op basis van een tekstuele uitleg van artikel 80 lid 2 sub a ROW die bepaling geen bevoegdheid schept ten aanzien van vorderingen die zien op de handhaving van buitenlandse delen van Europese octrooien. Google meent echter dat een (teleologische) uitleg van de bepaling op grond van de systematiek van de wet, de rechtshistorie en de wetshistorie teleologisch ertoe leidt dat de rechtbank Den Haag bevoegd is kennis te nemen van inbreukvorderingen ten aanzien van Europese octrooien, ook als die vorderingen niet mede zien op een Nederlands deel van het betrokken Europees octrooi. De jurisprudentie en literatuur wijzen volgens Google ook in die richting. Voor het geval de rechtbank zich onbevoegd mocht verklaren, verzoekt Google in de verwijzingsbeslissing te bepalen dat het bij beschikking bepaalde procesregime van kracht blijft.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.4.

De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering kunnen dragen. De hiervoor in 2.1 door Sonos gegeven uitleg van de bevoegdheidsbepaling van artikel 80 lid 2 sub a ROW is juist. Zoals deze rechtbank en Haagse rechters als rechter-plaatsvervanger van andere rechtbanken al eerder hebben beslist1 is voor een ruime (teleologische) uitleg van artikel 80 ROW, zoals Google voorstaat en hoe wenselijk of efficiënt wellicht, geen plaats, gelet op het uitzonderingskarakter van artikel 80 ROW ten opzichte van de normale bevoegdheidsregeling in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), hetgeen nog eens wordt bevestigd door het bepaalde in artikel 83 ROW. Derhalve vinden de gewone regels als neergelegd in de artikelen 99-110 Rv hier toepassing. Dit betekent dat de rechtbank Midden-Nederland de relatief bevoegde rechter is.

2.5.

Het verweer dat Sonos door een beroep te doen op de relatieve onbevoegdheid van deze rechtbank misbruik zou maken van haar bevoegdheid daartoe, wordt verworpen. Van misbruik van procesrecht kan pas sprake zijn indien een partij de processuele bevoegdheid uitoefent hetzij met geen ander doel dan de wederpartij te schaden, hetzij met een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend dan wel, de wederzijdse belangen in aanmerking genomen, in redelijkheid niet tot uitoefening van die bevoegdheid had kunnen komen. Dat aan die hoge toets zou zijn voldaan heeft Google onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Het enkele feit dat Google stelt dat Sonos het incident heeft opgeworpen om onder het opgelegde VRO-regime uit te komen is daartoe niet voldoende. Overigens zal het slagen van het incident geen althans maar betrekkelijk weinig vertraging opleveren, daar verwijzing van de zaak plaatsvindt in de stand waarin zij zich bevindt, te weten conclusie van antwoord aan de zijde van Sonos.

2.6.

De rechtbank zal de zaak in de staat waarin zij zich bevindt, verwijzen naar de rechtbank Midden-Nederland, daaronder begrepen de processuele beslissingen zoals neergelegd in de VRO-beschikking van 22 september 2020 met uitzondering van de datum voor de mondelinge behandeling omdat het al dan niet doorgaan van die behandeling ook afhankelijk is van de beschikbaarheid van de rechtbank Midden-Nederland op genoemde datum.

2.7.

Zoals Google en Sonos in hun processtukken al hebben aangevoerd, is denkbaar dat de zaak voor de rechtbank Midden-Nederland zal worden behandeld door een rechter of rechters van de Rechtbank Den Haag als rechter(s)-plaatsvervanger van de rechtbank Midden-Nederland. Mogelijk dat in verband met procesefficiëntie en om praktische redenen door de Rechtbank Midden-Nederland na verwijzing beslist zal worden dat de datum die in de VRO-beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 22 september 2020 is bepaald voor de mondelinge behandeling, ook nadien leidend zal blijven. Om die reden wordt partijen in overweging gegeven deze datum data gereserveerd te houden.

2.8.

De rechtbank zal de beslissing over de proceskosten in het incident aanhouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

3.2.

houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak

3.3.

verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rechtbank Midden-Nederland.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.Th. van Walderveen en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel op 17 maart 2021.

1 Rechtbank ’s-Gravenhage 26 mei 2004, BIE 2005, 39, r.o. 13 en 14 (Stork Titan / CFS Bakel); Vzr. Rb. Utrecht 15 augustus 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:7331, r.o. 4.2 (Boehringer Ingelheim v. Teva Pharma c.s.); Rb. Midden-Nederland 2 november 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5609, r.o. 4.2.7 (Tomra v. Kiremko).