Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2920

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
NL21.1581
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, AIDA-rapport 2019, beroep op verbod willekeur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.1581


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.1582, plaatsgevonden op 12 maart 2021 te Breda. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en van Algerijnse nationaliteit te zijn. Hij heeft op 9 december 2020 een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat Spanje op grond van de Dublinverordening1 verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Uit Eurodac-gegevens is namelijk gebleken dat eiser op 13 november 2020 de buitengrens van de lidstaten die gebonden zijn aan de Eurodacverordening2 op illegale wijze heeft overschreden via Spanje. Verweerder heeft vervolgens op 12 januari 2021 bij de Spaanse autoriteiten een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.

3. De hoofdregel, dat onder de gegeven omstandigheden Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, wordt door eiser niet betwist.

4. Eiser vindt echter dat van die hoofdregel moet worden afgeweken. Eiser heeft aangevoerd dat de overdrachten naar Spanje nagenoeg stilliggen vanwege getroffen maatregelen ter bestrijding van de Coronapandemie. Hij verwacht dat er een grote toestroom van asielzoekers zal zijn, zodra de lockdown wordt opgeheven en er weer overdrachten naar Spanje kunnen plaatsvinden. Op dat moment zal Spanje niet in staat zijn om deze asielzoekers de opvangfaciliteiten te bieden die voldoen aan de vereisten die het EHRM heeft gesteld.3

5. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een beroep gedaan op een tweetal bronnen:

 het ‘Country Report: Spain’ 2019 update van Asylum Information Database (AIDA) van april 2020;

 afbeelding 13 ‘Implemented transfers, 2019’ van het rapport ‘Dublin statistics on countries responsible for asylum application’ van 20 september 2020 van Eurostat.

Met betrekking tot die bronnen heeft eiser toegelicht dat het in afbeelding 13 genoemde aantal overdrachten voor Spanje (807) minder dan 10% is van de door Spanje geaccepteerde claims. Eiser verwijst daarbij naar het AIDA-rapport waarin is aangegeven dat Spanje in 2019 8.381 claims heeft geaccepteerd. Ter zitting heeft eiser nader toegelicht dat hij meent dat hij daarmee een onderbouwing heeft gegeven van zijn aanname dat er een grote toestroom van Dublinclaimanten te verwachten is na de lockdown.

6. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat het niet inhoudelijk willen beoordelen van de asielaanvraag duidt op willekeur.

7. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in het algemeen van uitgaan dat Spanje zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Spanje dit in zijn situatie niet zal doen.

8. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. De aangehaalde documenten bieden onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat ten aanzien van Spanje niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ook niet bij een eventuele toekomstige toestroom van overgedragen asielzoekers. Uit de overgelegde stukken blijkt weliswaar dat er tekortkomingen zijn, maar uit het AIDA-rapport, update 2019, blijkt niet dat eiser bij terugkeer naar Spanje geen hulp en ondersteuning zal krijgen. Daarbij heeft verweerder in het bestreden besluit mogen meewegen dat de Spaanse autoriteiten het overnameverzoek hebben geaccepteerd, en dat daaruit mag worden afgeleid dat de toegang tot de asielprocedure voor eiser niet zal worden belemmerd.

9. Eiser heeft voorts gesteld dat de tijdelijke opschorting van overdrachten naar Spanje nadelige gevolgen zal hebben voor de opvangvoorzieningen en de asielprocedure (alsmede het krijgen van rechtsbijstand) in Spanje of dat daardoor Spanje zijn internationale verplichten niet langer zal nakomen. Verweerder heeft echter niet ten onrechte overwogen dat deze aanname van eiser speculatief van aard is en daarom niet bij de beoordeling betrokken kan worden. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Het beroep van eiser op het verbod van willekeur kan ook niet slagen. Eiser heeft gesteld dat hem bekend is dat verweerder een tijdlang de asielverzoeken van asielzoekers afkomstig uit veilige landen inhoudelijk beoordeeld heeft, ook indien er Dublin-indicaties waren. Eiser heeft daarbij echter geen concrete gevallen genoemd of anderszins een onderbouwing gegeven van zijn standpunt.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het door eiser gestelde geen vaste gedragslijn is of is geweest, maar dat van geval tot geval wordt beoordeeld voor welk ‘spoor’ wordt gekozen. Daarbij heeft verweerder toegelicht dat er in dit geval geen reden was om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken, omdat de Spaanse autoriteiten het claimverzoek hebben geaccepteerd.

De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen reden om aan te nemen dat verweerder in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Verordening (EU) nr. 604/2013

2 Verordening (EU) nr. 603/2013

3 Europees Hof voor de Rechten van de Mens.