Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2898

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-01-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2468
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

paragraaf B1/8.3.2 van de Vc 2000 - vrijstelling van leges - vertrouwensbeginsel - artikel 8 van het EVRM - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/2468

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J. Singh),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C. Theodoulou).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning niet in behandeling te nemen.

Bij besluit van 19 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2020 middels een Skype-beeldverbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook is verschenen

mevrouw [A] , namens de [stichting] .

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1960 en heeft de Egyptische nationaliteit. Eiser heeft op 14 maart 2019 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor ‘privéleven conform artikel 8 EVRM’.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser in het primaire besluit niet in behandeling genomen en die beslissing in het bestreden besluit gehandhaafd, waarbij het bezwaar van eiser ongegrond is verklaard. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser geen leges heeft betaald, terwijl dit wettelijk verplicht is op grond van artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser heeft niet conform het vereiste van paragraaf B1/8.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) aangetoond op korte termijn niet in het bezit te zullen komen van geld waarmee de leges kunnen worden betaald waarbij hij ook aannemelijk maakt dat hij geen beroep kan doen op familieleden of andere in aanmerking komende derden. Eiser heeft zijn stelling dat hij basisvoorzieningen ontvangt van Vluchtelingenwerk Nederland niet met bewijsstukken onderbouwd en heeft niet uitgelegd waarom Vluchtelingenwerk Nederland eiser niet ook op een andere manier kan helpen, aldus verweerder.

De heffing van leges is in het geval van eiser niet in strijd met zijn privéleven op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Verweerder heeft met toepassing van artikel 7:2 en 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgezien van het horen van eiser in bezwaar.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert hiertoe, samengevat weergegeven, het volgende aan. Eiser heeft in overeenstemming met de voorwaarden van paragraaf B1/8.3.2 van de Vc 2000 een inkomensverklaring van de Raad voor Rechtsbijstand overgelegd. Het bestreden besluit is in strijd met het vertrouwensbeginsel, nu in de toegezonden ontvangstbevestiging van zijn aanvraag is opgenomen: “dan wel aantonen met de verklaring een inkomensverklaring T-2, afgegeven door de Raad voor Rechtsbijstand, waaruit blijkt dat de betrokkene het betreffende jaar geen inkomen heeft gehad en niet over vermogen beschikt” en verweerder in strijd met het opgewekte vertrouwen extra eisen heeft gesteld.

Eiser stelt dat het gezien zijn huidige situatie niet aannemelijk is dat hij op korte termijn in bezit zal komen van het geld om leges te betalen, aangezien hij geen referent en geen familie in Nederland heeft, hij thans leeft van de ‘Bed- bad- en broodregeling’, hij geen uitkering heeft en hij in afwachting van zijn verblijfsprocedure niet mag werken. Het is voor eiser onmogelijk een negatief bewijs van een toekomstige situatie te leveren. Het legesbedrag van €1.057,- is in eisers geval onredelijk hoog, waardoor hem in strijd met artikel 13 van het EVRM een rechtsgang voor een verblijfsstatus onmogelijk wordt gemaakt.

Ook is het opmerkelijk dat verweerder in zijn overwegingen dat legesheffing niet in strijd is met artikel 8 EVRM enerzijds vermeldt dat eiser pas op 26 november 1988 zich voor het eerst bij de Nederlandse autoriteiten heeft gemeld en anderzijds stelt dat niet kan worden uitgesloten dat eiser in de periode van 1990 tot 2004 in Egypte is geweest. Dit klemt temeer nu eiser al bewijzen heeft overgelegd, welke zich ook in het dossier van verweerder bevinden, inzake zijn verblijf in Nederland. Eiser verblijft 30 jaar in Nederland en beroept zich tevens op het arrest van het EHRM van 10 januari 2012 inzake G.R tegen Nederland (ECLI:NL:XX:2012:BV2982). De stelling van verweerder dat eiser 38 jaren in Egypte heeft verbleven is onjuist en onhoudbaar, aangezien eiser al sinds 1990 in Nederland verblijft. Ook stelt eiser onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 mei 2010 (200904877/1/V2), dat verweerder een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt, nu hij niet alle van belang zijnde individuele aspecten bij de beoordeling heeft betrokken. Daarbij is van wezenlijk belang dat eiser een verblijf heeft van 30 jaar, eiser aantoonbaar meer dan 20 jaar heeft gewerkt en belastingen en premies heeft afgedragen. Ook is zijn verblijf, behoudens een korte periode, rechtmatig geweest en kan niet worden ontkend dat eiser kampt met ernstige gezondheidsklachten. Eiser kan gelet op zijn leeftijd en gezondheidssituatie geen nieuw en menswaardig bestaan opbouwen in Egypte, wat maakt dat een verblijfsweigering in strijd is met artikel 1 van het Handvest van de Unie. Verweerder had gelet op het voorgaande in redelijkheid niet kunnen afzien van horen in bezwaar.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Ingevolge paragraaf B1/8.3.2 van de Vc 2000 beschouwt de IND als bewijsstukken dat de vreemdeling bij de indiening van de aanvraag onvermogend is om leges te betalen:

• een inkomensverklaring van de Raad voor Rechtsbijstand op grond van artikel 7, derde lid, onder e, Wet op de rechtsbijstand, ten behoeve van de referent; en

• bewijsstukken die aannemelijk maken dat de vreemdeling en de referent op korte termijn niet in het bezit zullen komen van geld waarmee de leges kunnen worden betaald. Hierbij moet de vreemdeling ook aannemelijk maken dat hij en de referent geen beroep kunnen doen op familieleden of andere in aanmerking komende derden.

De rechtbank overweegt als volgt.

6. De rechtbank constateert dat verweerder in de ontvangstbevestiging van 5 juni 2019 onder ‘Eventuele opmerkingen:’ de volgende opmerking heeft geplaatst:

“Gemachtigde krijgt uitstel van betaling leges tot en met 14 juni 2019 dan wel aantonen met de verklaring een inkomensverklaring T-2, afgegeven door de Raad voor Rechtsbijstand, waaruit blijkt dat de betrokkene in het betreffende jaar geen inkomen heeft gehad en niet over vermogen heeft beschikt”. Het betoog van eiser dat verweerder met de weergegeven opmerking in de ontvangstbevestiging vertrouwen heeft gewekt en in strijd met dit opgewekte vertrouwen extra eisen heeft gesteld, volgt de rechtbank niet. Volgens het beleid van verweerder, zoals vermeld onder rechtsoverweging 5, verlangt verweerder naast een inkomensverklaring van de Raad voor Rechtsbijstand eveneens bewijsstukken die aannemelijk maken dat de vreemdeling op korte termijn niet in het bezit zal komen van geld waarmee de leges kunnen worden betaald. Uit de opmerking op de ontvangstbevestiging volgt naar het oordeel van de rechtbank niet ondubbelzinnig dat eiser enkel met het overleggen van een inkomstverklaring van de Raad voor Rechtsbijstand al vrijgesteld zal worden van het betalen van leges. Evenmin is gebleken dat eiser door die opmerking in een nadeliger positie is komen te verkeren. Gelet op het voorgaande heeft eiser niet uit de opmerking op de ontvangstbevestiging kunnen concluderen dat verweerder hem - in strijd met het beleid - zou vrijstellen van het betalen van leges bij het enkel overleggen van de inkomensverklaring van de Raad voor Rechtsbijstand.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt derhalve niet.

7. Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij niet kan aantonen dat hij op korte termijn niet aan geld zal komen waarmee de leges kunnen worden betaald, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2686), volgt dat het beleid van verweerder inzake de vrijstelling van leges niet onredelijk is en dat verweerder met toepassing van dit beleid aan eiser niet de toegang tot een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM heeft ontnomen. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet heeft aangetoond op korte termijn niet in het bezit van geld te zullen komen waarmee de leges kunnen worden betaald. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser geen bewijs heeft geleverd dat hij geen beroep kan doen op familieleden of andere in aanmerking komende derden en zijn stelling dat hij basisvoorzieningen ontvangt van Vluchtelingenwerk Nederland niet heeft onderbouwd. Weliswaar heeft eiser bij brief van 20 mei 2020 in aanvulling op de gronden van het beroep een verklaring van de [stichting] overgelegd waaruit blijkt dat hij van de Stichting €10,- leefgeld per dag ontvangt, maar deze verklaring kan reeds omdat verweerder die niet bij het bestreden besluit heeft kunnen betrekken, eiser in beroep niet baten.

8. Ten aanzien van de stelling van eiser dat verweerder het bestreden besluit in strijd met artikel 8 van het EVRM heeft genomen aangezien verweerder in de belangenafweging niet alle van belang zijnde individuele aspecten bij de beoordeling heeft betrokken, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), zie onder meer het arrest in de zaak Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006 (ECLI:NL:XX:2006:AV3568) en de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie onder meer de uitspraak van 13 juli 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ7527), volgt dat verweerder ter beantwoording van de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval inmenging in het privéleven en familie- of gezinsleven rechtvaardigt een belangenafweging moet maken, waarbij een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen enerzijds het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie bij de uitoefening van het privéleven en familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het niet vrijstellen van leges en uitzetting van eiser niet in strijd is met het recht op privéleven op grond van artikel 8 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden voldoende kenbaar betrokken in de gemaakte belangenafweging. Verweerder heeft hierbij onder meer terecht betrokken dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen enkele mogelijkheid heeft om een menswaardig bestaan buiten Nederland op te bouwen, temeer nu hij de eerste 38 jaar van zijn leven in Egypte heeft gewoond. Ook heeft eiser geen informatie verstrekt over de invulling van zijn privéleven in Nederland.

Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiser heeft verweerder terecht overwogen dat deze niet betrokken kunnen worden in de belangenafweging, nu het Bureau Medische Advisering wegens het ontbreken van informatie geen zorgvuldig medisch advies kan geven.

Ook heeft verweerder terecht meegewogen dat uit het besluit van 19 juli 2012 van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties blijkt dat eiser de Egyptische nationaliteit heeft, hetgeen ook blijkt uit de BRP. Eiser heeft niet aangetoond dat hij geen Egyptisch paspoort zou kunnen verkrijgen. Zijn stelling dat hij staatloos is heeft hij niet onderbouwd.

Verweerder heeft tevens in het nadeel van eiser kunnen meewegen dat eiser sinds 22 september 2008 geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij 30 jaar onafgebroken in Nederland verblijft. Ook heeft verweerder terecht in de belangenafweging betrokken dat eiser sinds 27 augustus 2015 bij de gemeente Den Haag ingeschreven staat als niet-ingezetene (RNI) en dat het arbeidsverleden sinds 2013 niet kan meetellen voor de duur van een uitkering. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2010 (200904877/1/V2) een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt en niet alle van belang zijnde individuele aspecten bij de beoordeling heeft betrokken.

Tot slot overweegt de rechtbank dat nu eiser beroep tegen het bestreden besluit heeft kunnen instellen hem geen effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM is onthouden ter beoordeling van verweerders stelling dat geen inbreuk is gemaakt op artikel 8 EVRM.

10. Met betrekking tot de stelling van eiser dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure en kan daarvan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor. Verweerder heeft derhalve mogen afzien van het horen in bezwaar.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.M. Petersen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

22 januari 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.