Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:282

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-01-2021
Datum publicatie
11-02-2021
Zaaknummer
C/09/605434 / KG ZA 21-8
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voor de verplichting voor naar Nederland reizende reizigers om – kort gezegd – vóór vertrek een negatieve PCR-testuitslag over te leggen bestaat inmiddels een voldoende wettelijke basis en deze verplichting is niet strijdig met de ingeroepen grondrechten/mensenrechten. Voor wat betreft de aan deze oordelen ten grondslag liggende overwegingen wordt verwezen naar het op dezelfde datum uitgesproken vonnis in een vergelijkbare zaak (ECLI:NL:RBDHA:2021:63). Er bestaat geen aanleiding om voor eisers een voorziening te treffen, nu zij het aan henzelf te wijten hebben dat zij mogelijk niet tijdig, dat wil zeggen vóór het voorgenomen vertrek, over een PCR-testuitslag kunnen beschikken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/605434 / KG ZA 21-8

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding (Skype-zitting) van 8 januari 2021

in de zaak van

1 [eisende partij sub 1] ,

2. [eisende partij sub 2] ,

beiden wonende te [plaats] ,

eisers,

advocaat mr. N.S. de Haas te Rotterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. E.C. Pietermaat te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eisers’ en ‘de Staat’.

Aanwezig is mr. H.J. Vetter, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.F. Wagter, griffier.

Tevens zijn aanwezig eiseres sub 2 en mr. De Haas. Namens de Staat zijn aanwezig de heer [A] en mr. Pietermaat.

Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1 De gronden van de beslissing

1.1.

Eisers zijn op 19 december 2020 met hun beide kinderen per vliegtuig vanaf de luchthaven Schiphol voor een vakantie vertrokken naar Fuerteventura. Hun terugreis staat gepland op 10 januari 2021.

1.2.

Vanaf 29 december 2020 geldt voor luchtvaartmaatschappijen die naar Nederland vliegen vanuit gebieden waar een hoog COVID-risico geldt, de verplichting alle passagiers vóór het boarden te controleren op de aanwezigheid van een negatieve PCR-testuitslag. Deze verplichting vindt zijn grondslag in de eerste plaats in een op 23 december 2020 op grond van de artikelen 53 en 54 van de Wet publieke gezondheid (Wpg) gegeven ministeriële aanwijzing. Mede naar aanleiding van een eerder kort geding, waarin de voorzieningenrechter bij vonnis van 31 december 2020 heeft beslist dat bedoelde wettelijke bepalingen geen deugdelijke grondslag vormen voor het opleggen van een dergelijke verplichting, is daarnaast op 3 januari 2021 bij ministeriële regeling de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 (hierna: ‘Trm’) gewijzigd en deze wijziging is op 4 januari 2021 in werking getreden. Hierbij is artikel 6.7b aan de Trm toegevoegd, waarin aan aanbieders van internationaal personenvervoer per lucht- en scheepvaart de verplichting wordt opgelegd om ervoor zorg te dragen dat alleen vervoer wordt aangeboden, toegang daartoe wordt verschaft en gebruik daarvan wordt toegestaan, indien een persoon, komend vanuit het buitenland een op hem betrekking hebbende negatieve testuitslag kan tonen aan de vervoerder. In het artikel worden verder nadere vereisten aan de negatieve testuitslag gesteld en hierin staan uitzonderingen vermeld. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 58p, eerste lid en tweede lid, eerste zin, Wpg. Daarin is opgenomen dat bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het aanbieden van bepaalde categorieën van personenvervoer geheel of gedeeltelijk verboden is (lid 1) en dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld over de toegang tot en het gebruik van voorzieningen voor personenvervoer (eerste zin van lid 2). Voorts is inmiddels door de Tweede Kamer een wetsvoorstel aangenomen, dat voorziet in een wijziging van artikel 58p Wpg. Beoogd wordt aan dit artikel drie leden toe te voegen, waarin expliciet is benoemd dat onder de in het tweede lid bedoelde regels ook de verplichting kan behoren voor de aanbieder van personenvervoer om ervoor zorg te dragen dat naar Nederland vertrekkende reizigers een negatieve testuitslag tonen.

1.3.

Eisers vorderen – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad een veroordeling van de Staat om op straffe van verbeurte van een dwangsom a) mogelijk te maken dat zij op 10 januari 2021 zonder negatieve PCR-testuitslag naar Nederland kunnen terugreizen en b) Transavia Airlines C.V. (hierna: ‘Transavia’) in dat verband niet te houden aan de verplichting om die testuitslag van eisers te verlangen, zulks met veroordeling van de Staat in de proces- en nakosten.

1.4.

Eisers voeren daartoe – samengevat – het volgende aan. Ten tijde van hun vertrek naar Fuerteventura was er nog geen sprake van een verplichting om bij terugkeer vóór vertrek een negatieve PCR-testuitslag aan de luchtvaartmaatschappij te tonen. Volgens eisers is het voor hen niet mogelijk om – zoals nu is voorgeschreven – op Fuerteventura een PCR-test te ondergaan binnen 72 uur vóór de geplande aankomst in Nederland. Daarnaast stellen eisers dat een deugdelijke wettelijke grondslag voor de opgelegde verplichting ontbreekt en dat in ieder geval had moeten worden voorzien in een overgangsregeling voor terugkerende Nederlandse reizigers die zich op 29 december 2020 al in het buitenland bevonden. Voorts is bedoelde verplichting volgens eisers in strijd met artikel 3 van het Vierde Protocol bij het EVRM en artikel 11 van de Grondwet.

1.5.

Het gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Daartoe is het volgende redengevend.

1.6.

De vraag of een deugdelijke wettelijke basis bestaat voor de met ingang van 29 december 2020 geldende verplichting voor naar Nederland reizende reizigers om – kort gezegd – vóór vertrek een negatieve PCR-testuitslag over te leggen, is eveneens aan de voorzieningenrechter ter beantwoording voorgelegd in een door Stichting Viruswaarheid.nl en 29 in het buitenland verblijvende Nederlanders aanhangig gemaakt kort geding, dat ter zitting van 5 januari 2021 is behandeld. Net als eisers in de onderhavige procedure hebben de eisende partijen in die procedure eveneens betoogd dat deze verplichting strijdig is met grondrechten/mensenrechten. In die kortgedingprocedure zal heden (8 januari 2021) vonnis worden gewezen. In die uitspraak zal – kort gezegd – geoordeeld worden dat a) er inmiddels een voldoende wettelijke basis is voor de opgelegde verplichting en b) deze verplichting niet strijdig is met de ingeroepen grondrechten/mensenrechten. Er bestaat geen aanleiding om in de onderhavige procedure op deze punten anders te oordelen. Dit betekent dat (ook) de vordering van eisers op voormelde grondslagen niet kan worden toegewezen. Voor wat betreft deze (ook in deze procedure) aan deze oordelen ten grondslag liggende overwegingen wordt verwezen naar voormeld vonnis (ECLI:NL:RBDHA:2021:63).

1.7.

Daarmee resteert de vraag of de Staat niettemin gehouden is voor eisers een voorziening te treffen omdat – zoals zij stellen – het voor hen feitelijk onmogelijk zou zijn om bij het vertrek op 10 januari 2021 een negatieve uitslag aan Transavia over te leggen van een PCR-test die maximaal 72 uur voor aankomst in Nederland is afgenomen. Ook die vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat het aan eisers zelf te wijten is dat op dit moment onzeker is of zij tijdig, dat wil zeggen vóór het voorgenomen vertrek op 10 januari 2021, over een PCR-testuitslag kunnen beschikken. Daartoe is in de eerste plaats van belang dat eisers op 19 december 2020 in weerwil van de op 3 november 2020 door de minister-president gedane en op 14 december 2020 door hem herhaalde dringende oproep om niet naar hoog-risicogebieden te reizen, voor vakantiedoeleinden naar Fuerteventura zijn afgereisd. Hoewel op dat moment de verplichting tot het bij terugkeer naar Nederland overleggen van een PCR-testuitslag nog niet gold, hadden eisers er op bedacht moeten zijn dat gedurende hun vakantie een dergelijke verplichting en/of andere beperkende maatregelen ter beteugeling van de verspreiding van het coronavirus voor terugkerende reizigers zou/zouden kunnen gaan gelden. Het lag op de weg van eisers om de ontwikkelingen in Nederland en de eventuele afkondiging van aanvullende maatregelen dienaangaande vanaf hun vakantieadres op de voet te volgen. Dit hebben eisers kennelijk niet gedaan. Hoewel zij vanaf 23 december 2020, maar in ieder geval op 29 december 2020 bekend hadden kunnen (en behoren te) zijn met de gelding van de verplichting tot het overleggen van een negatieve PCR-testuitslag, hebben zij naar eigen zeggen daarvan pas op 5 januari 2021 via een e-mail van Transavia kennisgenomen. Hoewel eisers aannemelijk hebben gemaakt dat zij vanaf dat moment moeite hebben gedaan om zo spoedig mogelijk een PCR-test te kunnen ondergaan, kan hen worden tegengeworpen dat zij niet eerder tot actie zijn overgegaan. Voldoende aannemelijk is dat de PCR-test in dat geval eerder (met name op vrijdag 8 januari 2021) op Fuerteventura bij eisers had kunnen worden afgenomen en eisers dus eerder, en – naar moet worden aangenomen – tijdig over de testuitslag hadden kunnen beschikken. Nu tenslotte niet is gebleken dat eisers als gevolg van een mogelijk (enigszins) vertraagde terugkeer naar Nederland op onevenredige wijze in hun belangen worden geschaad, is er geen grond om in deze kortgedingprocedure voor eisers een voorziening te treffen, die het hen mogelijk maakt om zonder negatieve PCR-testuitslag naar Nederland terug te keren. De omstandigheid dat eisers extra reiskosten moeten maken als zij niet met Transavia kunnen terugvliegen op 10 januari 2021 is van onvoldoende gewicht om anders te oordelen.

1.8.

Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

2 De beslissing

De voorzieningenrechter:

2.1.

wijst het gevorderde af;

2.2.

veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.647,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 667,-- aan griffierecht;

2.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

WAARVAN PROCES-VERBAAL,

…………………………………. …………………………………

mr. M.F. Wagter mr. H.J. Vetter