Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2813

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
AWB 19_9918
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

tussenuitspraak, terugkeerbesluit, terroristisch misdrijf, inreisverbod, actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging, gelet op nieuw ambtsbericht 2021 Iran wordt verweerder in gelegenheid gesteld standpunt tav artikel 3 EVRM nader te motiveren. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBDHA:2021:2812 en ECLI:NL:RBDHA:2021:2814)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/9918-T

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigden: mr. X.B. Sijmons en mr. E. Ceylan),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. J.V. de Kort en mr. M.M. van Asperen).

Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en is tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft stukken onder geheimhouding aan de rechtbank verstrekt met een beroep op artikel 8:29 van de Awb. Dit verzoek is bij beslissing van 18 januari 2020 toegewezen. Eiser heeft toestemming verleend de stukken bij de beoordeling te betrekken. De rechtbank heeft van de stukken kennis genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2021 tezamen met de behandeling van de zaak met nummer UTR 20/1021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder is verschenen bij persoon van mr. [A] , bijgestaan door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser heeft bij het indienen van het beroepschrift verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van griffierecht wegens betalingsonmacht. Gelet op de overgelegde en ondertekende inkomensverklaring waaruit blijkt dat eiser geen inkomsten geniet en hij niet beschikt over vermogen, ziet de rechtbank aanleiding dat verzoek toe te wijzen.

Feiten

2. Eiser is op [geboortedatum] 1990 in Iran geboren en hij heeft bij geboorte de Iraanse nationaliteit verkregen. Hij is in 1996 met zijn ouders naar Nederland gekomen. Sinds 2001 heeft eiser ook de Nederlandse nationaliteit. Eiser is op 14 april 2016 aangehouden. Hij heeft verklaard dat hij onderweg was om zich in Khorasan in Afghanistan aan te sluiten bij IS. Bij vonnis van 24 mei 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:2561) is hij door de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld voor plegen van het misdrijf gekwalificeerd als voorbereiding van het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht). Dit is een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het WvSr en artikel 14, tweede lid, van de RWN. Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 242 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan de voorwaardelijke straf heeft de rechtbank bijzondere voorwaarden verbonden, die te maken hebben met het voorkomen van terrorisme, waaronder elektronisch toezicht, contact- en locatieverboden en deelname aan therapie, aan een gemeentelijk begeleidingstraject en aan gesprekken met een Islamdeskundige of theoloog. Op 28 augustus 2018 heeft de rechtbank tenuitvoerlegging gelast van 90 dagen van de voorwaardelijke straf en de proeftijd met een jaar verlengd tot 24 mei 2020 omdat eiser zich niet aan de bijzondere voorwaarden had gehouden (ECLI:NL:RBMNE:2018:4088). Op 7 januari 2019 heeft de rechtbank dit ook voor de resterende 152 dagen van de voorwaardelijke straf gedaan om dezelfde reden (ECLI:NL:RBMNE:2019:30).

Standpunten partijen

3. Verweerder heeft het Nederlanderschap van eiser ingetrokken, omdat eiser met het strafbare feit volgens verweerder de essentiële belangen van het Koninkrijk ernstig heeft geschaad. Het beroep hiertegen is bij uitspraak van vandaag ongegrond verklaard. Verweerder heeft bij het bestreden besluit op grond van artikel 62a, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) een terugkeerbesluit genomen en tegelijkertijd op grond van artikel 66a, tweede lid, van de Vw tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twintig jaar met de rechtsgevolgen als bedoeld in artikel 66a, zevende lid van de Vw, omdat eiser een ernstig gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid. Omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid, heeft verweerder op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw hem geen vertrektermijn gegund. Verweerder heeft ook geen aanleiding gezien om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting naar Iran een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen/bestraffingen als verboden bij artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er is sprake van inmenging in het privé-en familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, maar dit is gerechtvaardigd. Het belang van de openbare orde en nationale veiligheid en het voorkomen van strafbare feiten en bescherming van rechten en vrijheden wegen in dit geval namelijk zwaarder dan de belangen van eiser, aldus verweerder.

4. Eiser voert daartegen aan dat de intrekking van het Nederlanderschap nog niet onherroepelijk vast staat, hij daarom niet als illegaal in Nederland verblijvende vreemdeling kan worden aangemerkt en de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is. Dit klemt te meer, omdat eiser door de intrekking van het Nederlanderschap terugvalt op zijn verblijfsdocument, dat niet is ingetrokken en daarom geldig moet worden geacht. Ook voert eiser aan dat sprake is van een verboden dubbele bestraffing. Daarnaast is de regeling die verweerder gebruikt discriminatoir, direct en indirect, omdat die alleen personen met een dubbele nationaliteit treft en in zijn werking met name personen met een andere (niet westerse) etnische afkomst treft. Er zijn geen rechtvaardigingsgronden voor dit onderscheid en de maatregel is niet proportioneel. Ook vindt eiser dat verweerder de belangenafweging in zijn voordeel had moeten laten uitvallen. Eiser ziet hierin ook gebreken in de motivering en de voorbereiding van het besluit en verwijst naar meerdere uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM). Verder zijn het terugkeerbesluit en inreisverbod geen middelen waarmee het doel (bescherming van de nationale veiligheid) kan worden bereikt.

5. Eiser voert verder aan dat de ernst van het misdrijf niet blijkt uit de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die hij opgelegd kreeg, die beperkt is gebleven tot 58 dagen. Ook voert hij aan dat hij vorderingen heeft gemaakt op praktisch vlak om uit zijn isolement te komen die tot de radicalisering hebben geleid en betwist hij dat hij niet zou hebben meegewerkt aan de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf. Het is ook zijn eerste en enige veroordeling en uit het dossier blijkt niet dat eiser op enig moment zelf geweld wilde plegen. Van een reële dreiging van de openbare orde is geen sprake (meer). Eiser verwijst hiervoor naar het [naam onderneming] d.d. 7 november 2019 dat op zijn verzoek is opgemaakt. Daaruit komen geen signalen van radicalisering meer naar voren. Ook wijst hij erop dat hij sinds zijn aanhouding geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd, niet is opgenomen op de nationale terroristenlijst en na het uitzitten van zijn voorwaardelijke straf betaald werk en een huurwoning heeft kunnen vinden. Zijn zwakke persoonlijkheid en licht verminderde toerekeningsvatbaarheid moeten in de afweging worden betrokken, mede bezien in het licht van het totaal aan sociale verbanden van eiser in Nederland. Die contacten worden door het besluit nagenoeg onmogelijk gemaakt. Het verkorten van de vertrektermijn is dan ook onterecht, omdat niet is vastgesteld dat eiser een neiging vertoont gedrag voort te zetten waaruit voortvloeit dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Volgens eiser zijn er wel degelijke bijzondere, individuele omstandigheden die aanleiding zijn om af te zien van het onthouden van de vertrektermijn, waaronder de bijzondere band met zijn ouders.

6. Als er een actuele dreiging was geweest dan had verweerder sneller moeten optreden volgens eiser. Daarenboven is het besluit in strijd met artikel 3 van het EVRM genomen, omdat eiser al is beschadigd door uitzettingsdreiging in zijn jeugd en gelet op de te verwachten reactie van de autoriteiten in Iran als eiser zich daar meldt.

Er zijn daarnaast volgens eiser redenen om af te zien van het inreisverbod vanwege strijd met artikel 8 van het EVRM. Het besluit is een disproportionele inbreuk op zijn privé- en familieleven in Nederland en van eiser kan niet worden verwacht dat hij in Iran een nieuw leven zou kunnen opbouwen

Beoordeling rechtbank

7. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Terugkeerrichtlijn

8. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser de Terugkeerrichtlijn van toepassing is, omdat het Nederlanderschap van eiser bij besluit van 30 augustus 2019 is ingetrokken. Het rechtsgevolg van dat besluit is direct ingetreden. Eiser is met ingang van die dag geen Nederlander meer zodat de Vw vanaf dat moment op hem van toepassing is. De ingestelde rechtsmiddelen tegen de intrekking van het Nederlanderschap maken dat niet anders. Dit is niet in strijd met (artikel 6, zesde lid, van) de Terugkeerrichtlijn en artikel 47 EU Handvest. De rechtbank ziet geen reden om tot een ander oordeel te komen dan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) in de uitspraak van 30 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3046). Over het betoog van eiser dat hij door de intrekking van het Nederlanderschap terugvalt op het verblijfsdocument dat hij had voordat hij de Nederlandse nationaliteit verkreeg, overweegt de rechtbank dat eiser vanaf de dag dat hij het Nederlanderschap verkreeg geen vreemdeling meer was in de zin van de Vw, waardoor de rechtsgrond voor dit verblijfsrecht is komen te vervallen. Daarom faalt het betoog dat dit verblijfsrecht nog steeds geldt.

Discriminatie

9. Wat betreft het betoog over (indirecte) discriminatoire behandeling verwijst de

rechtbank naar de overwegingen in de uitspraak van vandaag in de zaak met nummer UTR 20/1021, over de intrekking van het Nederlanderschap van eiser. Aangezien de rechtbank de intrekking van het Nederlanderschap van eiser niet discriminatoir acht, is de basis voor het terugkeerbesluit en inreisverbod in beginsel gegeven. Omdat verweerder eiser in de onderhavige zaak terecht als vreemdeling heeft aangemerkt, zijn de door eiser genoemde bepalingen en jurisprudentie hier niet meer aan de orde. Daarbij komt dat de nationale veiligheid een doel van het besluit is, dit doel legitiem is en het bestreden besluit een geschikt en proportioneel middel is om dat doel te bereiken.

Dubbele bestraffing

10. Wat betreft het betoog dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod een dubbele

bestraffing zijn, verwijst de rechtbank eveneens naar de overwegingen in de uitspraak van vandaag in de zaak met nummer UTR 20/1021. Verder overweegt de rechtbank dat het terugkeerbesluit en inreisverbod maatregelen zijn die naar Nederlands recht niet strafrechtelijk, maar bestuursrechtelijk van aard zijn. De aard van de overtreding en het doel van de maatregelen brengen tot uitdrukking dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en niet langer in Nederland of de EU mag verblijven vanwege het gevaar dat hij vormt, waarbij een evenredigheidsbeoordeling plaatsvindt. Verder zijn de maatregelen – naar objectieve maatstaven – niet gericht op leedtoevoeging en bestaat tussen de maatregelen en de strafrechtelijke maatregel niet een dermate grote samenhang dat van één samenhangende reactie of procedure moet worden gesproken. Deze beroepsgrond faalt.

Actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging

11. Voor de beoordeling van de stelling van eiser dat er geen sprake is van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde en nationale veiligheid en er geen deugdelijke beoordeling van evenredigheid en proportionaliteit heeft plaatsgevonden, zoekt de rechtbank aansluiting bij de hiervoor vermelde uitspraak van de Afdeling van 30 december 2020:

4.1.

In punt 50 van het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, Z.Zh en I.O., ECLI:EU:C:2015:377, heeft het Hof overwogen dat bij de beoordeling van het begrip "gevaar voor de openbare orde" per geval moet worden beoordeeld of de persoonlijke gedragingen van de betrokken derdelander een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen. Het Hof heeft verder in punt 65 van dat arrest overwogen dat bij de beoordeling of een derdelander een gevaar voor de openbare orde vormt, naast de verdenking of veroordeling van een als misdrijf strafbaar gesteld feit, ook de aard en de ernst van dat feit en het tijdsverloop sinds dat feit werd gepleegd, van belang kunnen zijn. In punt 58 van het arrest van 2 mei 2018, K. en H.F., ECLI:EU:C:2018:296, heeft het Hof overwogen dat de eventuele uitzonderlijke ernst van de betrokken handelingen ook na een betrekkelijk lang tijdsverloop, het voortbestaan van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving kan inhouden. Het Hof heeft verder in punt 60 van dat arrest overwogen dat gedrag van de betrokkene dat ervan getuigt dat hij nog steeds een - uit die misdrijven of gedragingen blijkende - houding aanneemt die de in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: het VEU) bedoelde fundamentele waarden als de menselijke waardigheid en de mensenrechten aantast, op zich een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving kan opleveren.”

12. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet eisers situatie aan deze criteria en heeft verweerder terecht een actueel gevaar aangenomen. In het vonnis van 24 mei 2017 (ECLI:NL:RMNE:2017:2561) heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat het terroristisch misdrijf waarvoor eiser wordt veroordeeld, wordt gerekend tot de zwaarste categorie van misdrijven. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de dreiging die van een dergelijk feit uitgaat, lang actueel blijft. Hij heeft aan de hand van de feitelijke gedragingen van eiser terecht geconcludeerd dat hij een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden en de gedragingen van eiser nadien. Verweerder heeft er niet ten onrechte zwaar aan getild dat eiser ten tijde van het strafproces en ook na de veroordeling geen openheid van zaken in zijn belevingswereld heeft gegeven en dat hij liever zijn voorwaardelijke straf onderging dan dat hij verder ging met gesprekken met behandelaars en een Islamdeskundige. Deze gedragingen getuigen ervan dat eiser nog steeds een gevaar vormt voor fundamentele waarden als de menselijke waardigheid en de mensenrechten. Dat aan de reclassering of andere begeleiders is te wijten dat de uitvoering van de bijzondere voorwaarden niet soepel verliep, omdat zij niet met de persoonlijkheid van eiser zouden kunnen omgaan, is niet aannemelijk geworden. Verder heeft de strafrechter bij het bepalen van de straf al rekening gehouden met eisers zwakke persoonlijkheid en licht verminderde toerekeningsvatbaarheid en zijn dit geen omstandigheden die maken dat van eiser nu minder dreiging zou uitgaan. Ook heeft verweerder kunnen oordelen dat aan het rapport van de maatschappelijk werker van november 2019 ( [naam onderneming] ) niet kan worden afgeleid dat eiser is gederadicaliseerd, gezien het proces van radicalisering dat volgens de psychiater gedurende 10 jaar heeft plaatsgevonden en eisers zwijgen nadien. Het lag op de weg van eiser om dat overtuigender te onderbouwen. Daarbij heeft eiser ter zitting bij de rechtbank niet kunnen uitleggen wat er in hem veranderd is. Dat hij nu meer praktische bezigheden heeft waardoor hij minder eenzaam is, speelde ook al ten tijde van de terugmelding door de reclassering en de beslissingen omtrent de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf. Desalniettemin werd door de deskundigen ook toen het recidiverisico onverminderd hoog ingeschat. Verder is van belang dat het tijdsverloop sinds het door eiser begane feit en het bestreden besluit tamelijk gering is en eiser zich nog steeds moet houden aan een meldplicht en gebiedsverbod zodat er toezicht op hem is. De omstandigheid dat eiser na zijn veroordeling geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd, niet is opgenomen op de nationale terroristenlijst en na het uitzitten van zijn voorwaardelijke straf betaald werk en een huurwoning heeft kunnen vinden, is daarom van geringe betekenis. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde en nationale veiligheid vormt.

13. Gezien de actuele en ernstige dreiging die uitgaat van eiser voor de openbare orde en nationale veiligheid, was verweerder bevoegd op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw een vertrektermijn te onthouden en op grond van artikel 66a, vierde lid , van de Vw gelezen in samenhang met artikel 6.5a, zesde lid van het Vb een inreisverbod van 20 jaar uit te vaardigen.

Evenredigheid en belangenafweging

14. Verweerder heeft in de door eiser aangevoerde individuele omstandigheden niet ten

onrechte geen aanleiding gezien om af te zien van het onthouden van een vertrektermijn of het uitvaardigen van een inreisverbod. Verweerder heeft in het besluit de belangen van eiser, waaronder de band met zijn ouders, kenbaar betrokken en deugdelijk gemotiveerd dat die belangen in dit geval niet zwaarder wegen dan het belang van de openbare orde en nationale veiligheid zodat het besluit niet in strijd is met het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en niet disproportioneel is.

Artikel 8 EVRM

15. Uit de jurisprudentie van het EHRM, onder meer de arresten Boultif tegen Zwitserland van 2 augustus 2001, nr. 54273/00, en Üner tegen Nederland, van 18 oktober 2006, nr. 46410/99, (hierna: het Boultif- en het Üner-arrest; www.echr.coe.int) en de jurisprudentie van de ABRvS, volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven een 'fair balance' moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en zijn gezinsleden enerzijds en het algemeen belang van de Nederlandse samenleving anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Indien bij de belangenafweging openbare ordeaspecten een rol spelen, moeten de in het Boultif- en het Üner-arrest benoemde criteria bij de belangenafweging worden betrokken. Hiertoe behoren onder meer de aard en ernst van het gepleegde misdrijf, de duur van het verblijf in het gastland, het tijdsverloop sinds het misdrijf en de gedragingen van de betrokken vreemdeling gedurende die tijd, en de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van de betrokken vreemdeling met het gastland en het land van herkomst.

16. Zoals hiervoor is overwogen, gaat van eiser nog steeds een gevaar uit voor de nationale veiligheid. De behandeling, gesprekken en het reclasseringstoezicht hebben daar geen verandering in gebracht. Aan eisers vertrek uit Nederland, die in een geval als het onderhavige bij wet is voorzien, komt dan ook een zwaar gewicht toe. Verweerder heeft in zijn belangenafweging terecht betrokken dat het in 2016 gepleegde misdrijf niet lang geleden is, dit misdrijf behoort tot de meest ernstige misdrijven die de internationale gemeenschap kent, eiser niet afdoende heeft meegewerkt aan de bijzondere voorwaarden van de aan hem opgelegde straf en dat uit het feit dat eiser wilde uitreizen naar IS-gebied in Afghanistan, niet blijkt dat eiser sterke banden heeft met Nederland. Ook heeft verweerder terecht betrokken dat eiser Farsi spreekt met zijn ouders, meerdere malen met zijn ouders op vakantie is geweest in Iran en toen bij familie verbleef. Verder heeft verweerder terecht erop gewezen dat eiser sinds augustus 2019 niet meer bij zijn ouders woont, contact met zijn ouders kan onderhouden zoals de familie uit Iran doet en zijn ouders voor bezoek naar Iran kunnen reizen, zoals zij na hun vertrek uit Iran meermalen hebben gedaan. Ook heeft verweerder terecht in aanmerking genomen dat eiser meerderjarig is, zodat van hem kan worden verwacht dat hij in Iran een nieuw leven kan opbouwen. Verweerder heeft onderkend dat eiser vanaf zijn vijfde levensjaar in Nederland heeft verbleven en sinds 2001 de Nederlandse nationaliteit heeft, maar heeft hieraan niet ten onrechte geen doorslaggevend gewicht gehecht.

Verweerder heeft het belang van de openbare orde en nationale veiligheid en het voorkomen van strafbare feiten naar het oordeel van de rechtbank daarom zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser bij een ongestoord privé- en familieleven. Het beroep op artikel 8 van het EVRM faalt daarom.

Artikel 3 EVRM

17. Na sluiting van het onderzoek is de rechtbank gebleken dat er nieuwe openbare informatie

bekend is geworden die deze beroepsgrond betreft, namelijk het Algemeen Ambtsbericht Iran van februari 2021. Hierin staat andere informatie dan waar verweerder zich in het bestreden besluit over heeft uitgelaten, met name over Iraniërs die een aantal jaren buiten Iran hebben verbleven en weer terugkeren naar Iran. De rechtbank ziet aanleiding om het onderzoek over deze beroepsgrond te heropenen, omdat zij zich hierover niet voldoende geïnformeerd acht. Verweerder wordt verzocht om de rechtbank te laten weten of deze nieuwe informatie verweerder aanleiding geeft tot een nadere motivering op dit punt. De rechtbank bepaalt deze termijn op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

18. Verweerder moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van deze gelegenheid. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder geen nadere motivering geeft, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

19. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot

de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).

20. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de motivering aan te passen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak van de mogelijkheid gebruik te maken met inachtneming van de overwegingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzitter, en mr. M.P. Glerum en

mr. I. Helmich, leden, in aanwezigheid van mr. R.G. Kamphof, griffier. De beslissing is uitgesproken op 4 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)

Artikel 3
Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Artikel 8
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

EU Handvest

Artikel 47
Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.

Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.

Terugkeerrichtlijn (PB 2008 L 348)

Overwegingen
(…)
(2) De Europese Raad van Brussel van 4 en 5 november 2004 heeft erop aangedrongen, op basis van gemeenschappelijke normen een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen, zodat mensen op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun grondrechten en waardigheid, teruggezonden kunnen worden.
(…)

(6) De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat het beëindigen van illegaal verblijf van onderdanen van derde landen volgens een billijke en transparante procedure geschiedt. Overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen van de EU moeten beslissingen die op grond van deze richtlijn worden genomen per geval vastgesteld worden en op objectieve criteria berusten, die zich niet beperken tot het loutere feit van illegaal verblijf. De lidstaten dienen bij het gebruik van standaardformulieren voor besluiten in het kader van terugkeer, te weten terugkeerbesluiten, en, in voorkomend geval, besluiten met betrekking tot een inreisverbod of verwijdering, dat beginsel te eerbiedigen en alle toepasselijke bepalingen van deze richtlijn na te leven.
(…)
(11) Er dienen gemeenschappelijke wettelijke minimumwaarborgen te worden vastgesteld voor besluiten in het kader van terugkeer, teneinde de belangen van de betrokkenen te beschermen. Aan personen die niet over toereikende middelen beschikken, wordt de nodige rechtshulp verleend. De lidstaten dienen in hun nationale wetgeving te bepalen in welke gevallen rechtshulp nodig wordt geacht.
(…)
(24) In deze richtlijn worden de grondrechten en de beginselen in acht genomen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend.
(…)

Artikel 3
(…)
4. „terugkeerbesluit": de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld;
5. „verwijdering": de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting, d.w.z. de fysieke verwijdering uit de lidstaat;
6. „inreisverbod": een administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij de betrokkene de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor een bepaalde termijn wordt verboden, samen met een terugkeerbesluit;
(…)

Artikel 5
Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met:
a) het belang van het kind;
b) het familie- en gezinsleven;
c) de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement.

Artikel 6
(…)
6. Deze richtlijn belet niet dat in de lidstaten het besluit inzake de beëindiging van het legaal verblijf tezamen met een terugkeerbesluit en/of een verwijderingsbesluit en/of een inreisverbod overeenkomstig de nationale wetgeving met één administratieve of rechterlijke besluit of handeling kan worden genomen, onverminderd de procedurele waarborgen die zijn vervat in hoofdstuk III en in andere toepasselijke bepalingen van het communautair en het nationaal recht.

Artikel 7
(…)
4. Indien er een risico op onderduiken bestaat, of een aanvraag voor een verblijfsvergunning als kennelijk ongegrond dan wel frauduleus afgewezen is, dan wel indien de betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid, kunnen de lidstaten afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek, of een termijn toekennen die korter is dan zeven dagen.

Artikel 9
1. De lidstaten stellen de verwijdering uit:
a) in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement (…)

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 62 Vw

  1. Nadat tegen een vreemdelingen een terugkeerbesluit is uitgevaardigd dan wel, indien het een gemeenschapsonderdaan betreft, nadat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling is geëindigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.

  2. Onze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalden dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien:

(…)

c. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

(…)

Artikel 62a Vw

1. Onze Minister stelt de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij:

(….)

2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geldt als terugkeerbesluit en kan tevens een inreisverbod inhouden.

(…)

Artikel 66a Vw

1. Onze Minister vaardigt een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland:

a. Onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, of

(…)

7. In afwijking van het zesde lid en artikel 8 en met uitzondering van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 heeft ingediend zolang op die aanvraag nog niet is beslist, kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf hebben, in geval de vreemdeling:

(….)

b. Een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid;

(…)

Artikel 6.5a Vreemdelingenbesluit

(…)

6. In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste twintig jaren, indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid of indien naar zijn oordeel zwaarwegende belangen nopen tot een duur van meer dan tien jaren.