Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2764

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
23-06-2021
Zaaknummer
C/09/590844 / HA ZA 20-342
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voorwaardelijke verbintenis; art. 6:21 BW; overgang onder algemene titel; eigenrisicodrager WGA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

zaaknummer / rolnummer: C/09/590844 / HA ZA 20-342

Vonnis van 17 maart 2021

in de zaak van

OSBO/KSM B.V. te Deurne,

eiseres,

advocaat mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne,

tegen

N.V. SCHADEVERZEKERING METAAL EN TECHNISCHE BEDR. te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.W.M. Lieverse te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Osbo/KSM en SMTB genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 31 maart 2020,

  • -

    de conclusie van antwoord van 1 juli 2020,

  • -

    het tussenvonnis van 28 oktober 2020,

  • -

    de rolbeslissing tot schriftelijk voortprocederen van 2 december 2020,

  • -

    de instructie ex art. 22 Rv van 23 december 2020,

  • -

    de schriftelijke toelichting van de zijde van Osbo/KSM van 3 februari 2021,

  • -

    de schriftelijke toelichting van de zijde van SMTB van 3 februari 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

KSM International BV (hierna: KSM) was een bedrijf in de metaalindustrie. Zij was eigenrisicodrager voor de Werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten (hierna: WGA).

2.2.

Per 1 juli 2007 heeft KSM een WGA-basisverzekering afgesloten bij SMTB (hierna: de verzekeringsovereenkomst).

2.3.

Op 8 september 2016 heeft een werknemer van KSM, de heer [de werknemer] (hierna: de werknemer), zich arbeidsongeschikt gemeld.

2.4.

De op 8 september 2016 geldende verzekeringsvoorwaarden bevatten onder meer de volgende bepalingen:

artikel 9 NVS 516 02.15, 4e alinea:

Verzekerd is de WGA-uitkering van de Werknemer die op de Eerste ziektedag van de wachttijd waaruit de WGA-uitkering is ontstaan in dienstbetrekking stond tot de Verzekeringnemer die op die dag verzekerd was.

artikel 10.2 NVS 516 02.15

Het recht op uitkering gaat in wanneer de Werknemer aanspraak kan maken op een door de Verzekeringnemer te verstrekken uitkering uit hoofde van de WGA, en de Verzekeringnemer deze uitkering daadwerkelijk verstrekt, dan wel dat die uitkering door UWV wordt betaald en wordt verhaald op de Verzekeringnemer.

artikel 10.7 NVS 516 02.15

Onverminderd hetgeen elders in deze voorwaarden is bepaald, blijven bij beëindiging van de verzekering de rechten gewaarborgd ten aanzien van de WGA-uitkering van Werknemers waarvan de Eerste ziektedag ligt vóór de dag van beëindiging van de verzekering, maar na de datum als bedoeld in artikel 3.2.

2.5.

Op 9 september 2016 is KSM gefuseerd met Osbo International BV tot Osbo/KSM, waarbij Osbo de verkrijgende rechtspersoon was en KSM de verdwijnende rechtspersoon.

2.6.

Osbo/KSM heeft de fusie op 11 oktober 2016 telefonisch aan SMTB gemeld.

2.7.

Bij brief van 24 januari 2017 heeft SMTB Osbo/KSM bericht dat de verzekeringsovereenkomst op 31 december 2016 is geëindigd omdat KSM geen eigenrisicodrager meer was. SMTB heeft de door KSM betaalde premies vanaf 9 september 2016 gecrediteerd.

2.8.

Per 6 september 2018 had de werknemer recht op een loongerelateerde WGA-uitkering. Het UWV brengt sindsdien maandelijks de kosten van deze uitkering in rekening bij Osbo/KSM.

2.9.

Op 28 februari 2019 heeft Osbo/KSM SMTB telefonisch gevraagd dekking te verlenen onder de verzekeringsovereenkomst; SMTB gaf aan dat zij dit verzoek door middel van een aanvraagformulier moest indienen. Op 5 maart 2019 heeft Osbo/KSM een aanvraagformulier ingediend; op de aanvraag heeft zij haar bedrijfsnaam en -gegevens, maar het werkgeversnummer van KSM ingevuld.

2.10.

Bij brief van 15 maart 2019 heeft SMTB de ontvangst van de aanvraag bevestigd aan KSM. Bij brief van 1 april 2019 heeft SMTB aan KSM bevestigd tot uitkering onder de verzekeringsovereenkomst over te zullen gaan.

2.11.

Naar aanleiding van nadere correspondentie, waaruit bleek dat niet KSM maar Osbo/KSM aanspraak maakte op dekking onder de verzekeringsovereenkomst, heeft SMTB Osbo/KSM bij brief van 15 april 2019 onder meer aldus bericht:

“Wij hebben een garantieverklaring afgegeven voor K.S.M. International B.V. Omdat dit bedrijf is overgegaan naar een nieuwe B.V. kunnen wij de declaraties van meneer [de werknemer] niet meer vergoeden. Het bedrijf waar NV Schade een garantieverklaring voor heeft afgegeven is in dit geval niet het bedrijf wat bij ons de uitkering claimt. Graag zouden wij willen weten of het loonheffingsnummer van Osbo/K.S.M. International gelijk is aan het loonheffingsnummer van K.S.M. International? Wanneer dit gelijk is kunnen wij de declaraties wel vergoeden voor u. Wanneer dit het geval is verzoeken wij u vriendelijk om ons te voorzien van de stukken waaruit blijkt dat de loonheffingsnummers van beide bedrijven gelijk zijn.”

2.12.

Het loonheffingsnummer van Osbo/KSM is niet gelijk aan het loonheffingsnummer van KSM. Osbo/KSM heeft zich daarom gewend tot Areo Helmond Arbeidsrecht en Organisatie (hierna: Areo). Bij brief van 11 juni 2019 heeft Areo SMTB namens Osbo/KSM gevraagd te bevestigen dat de toekenning vergoeding WGA-basisuitkering van 1 april 2019 met onmiddellijke ingang zou worden hervat.

2.13.

SMTB heeft bij brief van 12 juli 2019 op de brief van 11 juni 2019 geantwoord: zij bleef bij haar beslissing dat dat Osbo/KSM als verkrijgende partij de WGA-lasten voor [de werknemer] niet bij haar kon declareren.

3 Het geschil

3.1.

Osbo/KSM vordert – samengevat – veroordeling van SMTB tot:

  • -

    betaling van € 47.449,47 exclusief btw, zijnde het bedrag aan WGA-premie dat zij van september 2018 tot en met februari 2020 heeft uitgekeerd aan haar werknemer [de werknemer],

  • -

    alsmede tot betaling van de WGA-premie die zij aan [de werknemer] moet uitkeren vanaf maart 2020 tot het moment dat haar verplichting tot uitkering aan [de werknemer] eindigt,

beide vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

SMTB voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kernvraag in deze zaak is of SMTB dekking moet verlenen aan Osbo/KSM onder de verzekeringsovereenkomst die KSM bij haar heeft afgesloten.

4.2.

Osbo/KSM stelt dat de door KSM met SMTB afgesloten verzekerings-overeenkomst na de fusie onder algemene titel op haar is overgegaan, zodat SMTB haar onder die overeenkomst dekking moet verlenen.

4.3.

SMTB meent dat zij geen dekking hoeft te verlenen, omdat de rechtspersoon met wie zij de verzekeringsovereenkomst heeft gesloten, door de fusie is opgehouden te bestaan.

4.4.

Bij de beoordeling van de vordering neemt de rechtbank het volgende tot uitgangspunt.

Tussen partijen is niet in geschil dat Osbo/KSM door de fusie op 9 september 2016 het gehele vermogen van KSM onder algemene titel heeft verkregen op de voet van de artikelen 2:309 en 3:80 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verkrijging onder algemene titel houdt in dat de gehele rechtspositie – goederen, vermogensrechtelijke verhoudingen en schulden – overgaat op de verkrijger. Alleen hoogstpersoonlijke rechten zoals aan een individu verbonden vergunningen en predicaten zijn van deze overgang uitgezonderd; garantieverbintenissen zoals die uit borgtocht zijn wel vatbaar voor overgang onder algemene titel.

Artikel 6:249 BW bepaalt dat de rechtsgevolgen van een overeenkomst mede gelden voor de rechtverkrijgenden onder algemene titel, tenzij uit de overeenkomst iets anders voortvloeit. Tussen partijen is niet in geschil dat de verzekeringsovereenkomst geen bepalingen bevat die de overdraagbaarheid daarvan beperken.

Tussen partijen is evenmin in geschil dat KSM, zo zij nog bestaan zou hebben, een aanspraak op dekking onder de verzekeringsovereenkomst zou hebben gehad.

4.5.

De vraag is echter of KSM vóór de fusie al een vordering onder de verzekeringsovereenkomst toekwam, die zich voor overgang onder algemene titel leende. Om die vraag te kunnen beantwoorden, moet de rechtbank eerst beoordelen op welk moment een vordering onder de verzekeringsovereenkomst ontstaat.

Op grond van artikel 10.2 NVS 516 02.15 “is verzekerd” de WGA-uitkering van de werknemer die op de eerste ziektedag van de wachttijd waaruit de WGA-uitkering is ontstaan in dienstbetrekking stond tot de Verzekeringnemer die op die dag verzekerd was.

Het recht op uitkering onder de verzekeringsovereenkomst gaat echter niet direct in op de eerste ziektedag in: artikel 10.2 NVS 516 02.15 bepaalt dat “het recht op uitkering” ingaat op het moment dat de werknemer aanspraak kan maken op een door de verzekeringnemer te verstrekken WGA-uitkering én de verzekeringnemer deze uitkering daadwerkelijk verstrekt, dan wel dat die uitkering door het UWV wordt betaald en op de verzekeringnemer wordt verhaald. Het recht op uitkering ontstaat dus 104 weken na de eerste ziektedag. Het is echter niet zeker dat na elke eerste ziektedag ook een recht op uitkering zal ontstaan: de werknemer kan beter worden voordat de 104 weken zijn verstreken.

De rechtbank is van oordeel dat deze constructie meebrengt dat op de eerste ziektedag van de werknemer een voorwaardelijke vordering tot uitkering jegens SMTB ontstaat; dit is een voorwaardelijke verbintenis in de zin van artikel 6:21 BW, die zich leent voor overgang onder algemene titel.

4.6.

SMTB beroept zich op artikel 40 lid 2 Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), dat vereist dat een eigenrisicodrager voor de WGA een garantieverklaring van een bank of verzekeraar heeft. SMTB meent dat deze garantieverklaring altijd gekoppeld is aan het loonheffingennummer van de werkgever. Verder wijst SMTB erop dat op Osbo/KSM als opvolgend eigenrisicodrager een eigen wettelijke aansprakelijkheid jegens het UWV rust. De rechtbank is van oordeel dat deze stellingen gelet op artikel 40 lid 7 Wfsv van een onjuiste rechtsopvatting getuigen. Artikel 40 lid 7 Wfsv bepaalt immers dat de garantie bedoeld in artikel 40 lid 2 Wfsv zich uitstrekt tot rechtsopvolgers onder algemene titel van de eigenrisicodrager en tot het risico dat overgaat op de verkrijgende werkgever.

4.7.

Nu vaststaat dat verzekeringnemer de verschuldigde premie in elk geval tot en met de eerste ziektedag heeft voldaan, zijn de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst en de terugstorting van de betaalde premie door STMB nadien, gelet op de uitloopdekking van artikel 10.7 NVS 516 02.15, voor de beoordeling van deze zaak niet relevant.

4.8.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank van oordeel is dat SMTB aan Osbo/KSM dekking moet verlenen onder de verzekeringsovereenkomst die KSM bij haar heeft afgesloten. Nu tegen het gevorderde bedrag in hoofdsom geen verweer is gevoerd, zal de rechtbank dit toewijzen.

Wettelijke rente

4.9.

Osbo/KSM vordert de wettelijke (handels)rente over de hoofdsom vanaf de dag van afwijzing van het verzoek tot uitkering (15 april 2019), althans vanaf een datum in goede justitie te bepalen.

4.10.

SMTB voert verweer. Zij meent dat is gesteld noch gebleken dat zij vanaf 15 april 2019 in verzuim is.

4.11.

De rechtbank is met Osbo/KSM van oordeel dat SMTB als verzekeraar in verzuim is vanaf het moment dat zij het verzoek van Osbo/KSM om uitkering heeft afgewezen: door de mededeling dat zij niet tot uitkering zou overgaan, was duidelijk dat SMTB in de nakoming van haar verplichting tot uitkering tekort zou schieten (art. 6:80 lid 1 onder b BW).

Anders dan Osbo/KSM is de rechtbank van oordeel dat SMTB die mededeling niet (duidelijk) in haar brief van 15 april 2019 heeft gedaan, maar pas in haar brief van 12 juli 2019. De rechtbank zal de gevorderde rente over de tot de datum van dit vonnis betaalde WGA-premie daarom per die datum toewijzen.

Ten aanzien van de na dit vonnis door Osbo/KSM ten behoeve van [de werknemer] nog te betalen WGA-premie treedt het verzuim pas in na het verstrijken van de voor uitkeringen onder de verzekeringsovereenkomst gebruikelijke betalingstermijn; de rechtbank zal de rente over deze nog te betalen bedragen daarom afwijzen.

4.12.

Osbo/KSM vordert toewijzing van de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW. Betalingen uit hoofde van verzekeringspolissen zijn echter uitgezonderd van de werking van Richtlijn 2011/7/EU (bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties), die aan artikel 6:119a BW ten grondslag ligt. De rechtbank zal daarom niet de wettelijke handelsrente, maar de wettelijke rente van artikel 6:119 BW toewijzen.

Buitengerechtelijke kosten en proceskosten

4.13.

Osbo/KSM heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat namens haar werkzaamheden zijn verricht die een vergoeding rechtvaardigen conform de staffel ingevolge de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank zal de conform deze staffel gevorderde vergoeding van € 1.249,50 toewijzen.

4.14.

SMTB zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Osbo/KSM worden begroot op:

- dagvaarding € 87,99

- griffierecht 2.042,00

- salaris advocaat 2.118,00 (2,0 punt × tarief € 1.114)

Totaal € 4.247,99

Uitvoerbaar bij voorraadverklaring

4.15.

SMTB voert verweer tegen de gevraagde uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Zij vreest dat Osbo/KSM het toegewezen bedrag na een eventueel geslaagd hoger beroep niet zal kunnen terugbetalen. Nu SMTB deze stelling niet heeft toegelicht, gaat de rechtbank daaraan als onvoldoende onderbouwd voorbij.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt SMTB om aan Osbo/KSM te betalen een bedrag van € 47.449,47 (zevenenveertig duizendvierhonderdnegenenveertig euro en zevenenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 12 juli 2019 tot de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt SMTB om aan Osbo/KSM te betalen een bedrag ter grootte van de door Osbo/KSM ten behoeve van [de werknemer] betaalde WGA-premie vanaf maart 2020 tot de verplichting tot betaling van die WGA-premie door Osbo/KSM eindigt,

ten aanzien van de premie betaald vanaf maart 2020 tot 17 maart 2021: vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW, met ingang van de dag van elke afzonderlijke premiebetaling door Osbo/KSM, tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt SMTB in de proceskosten, aan de zijde van Osbo/KSM tot op heden begroot op € 4.247,99, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt SMTB in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2021.1

1 type: coll: