Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2728

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
NL20.18640-2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Staatssecretaris kan in Dublinprocedures ten aanzien van Polen nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

De stukken en de jurisprudentie waarop de vreemdeling zich beroept, bieden onvoldoende grond voor de conclusie dat Polen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Weliswaar blijkt daaruit dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen ernstig onder druk staat en dat soms (ook) advocaten worden geïntimideerd, maar deze vaststelling maakt niet dat alleen al hierom moet worden geoordeeld dat sprake is van dusdanig ernstige tekortkomingen van de asielprocedure dat gevreesd moet worden dat de vreemdeling in Polen een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.

De vreemdeling heeft geen informatie ingebracht waaruit blijkt dat Poolse rechters zich vanwege de vrees om onderworpen te worden aan disciplinaire maatregelen of vanwege andere hervormingen, in individuele zaken in strijd met de bepalingen van het Unierecht of verdragen hebben geoordeeld dan wel dat zij op basis van politieke overwegingen in plaats van het recht, recht hebben gesproken Ook is gesteld noch gebleken dat de problemen met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen hebben geleid tot schending van artikel 4 van het Handvest. Evenmin is informatie ingebracht waaruit blijkt dat uitspraken van Poolse rechters in asielzaken door tuchtrechtelijke matregelen van de tuchtkamer, worden teruggedraaid. Gesteld noch gebleken is van disciplinaire maatregelen die zijn opgelegd aan rechters vanwege een uitspraak die zij hebben gedaan in een asiel- of bewaringszaak.

De rechtbank betrekt hierbij dat het Hof van Justitie bij uitspraak van 17 december 2020 (ECLI:EU:C:2020:1033) de prejudiciële vragen van de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam (IRK) heeft beantwoord. Hieruit volgt dat de IRK niet automatisch mag weigeren verdachten naar Polen te sturen om wier overlevering is gevraagd. Het Hof herinnert eraan dat de regeling inzake Europese aanhoudingsbevelen (EAB) op een hoge mate van vertrouwen berust tussen de lidstaten. De toepassing van de regeling inzake het EAB kan slechts worden opgeschort in geval van ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde beginselen, waaronder het beginsel van de rechtsstaat, welke schending door de Europese Raad is geconstateerd. Pas wanneer sprake is van een besluit van de Europese Raad, gevolgd door opschorting door de Raad van de toepassing van kaderbesluit 2002/584 ten aanzien van de betrokken lidstaat, is de uitvoerende rechterlijke autoriteit gehouden de tenuitvoerlegging van elke door deze lidstaat uitgevaardigde EAB automatisch te weigeren zonder enige concrete beoordeling te verrichten van het reëel gevaar dat de betrokken persoon loopt dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast. Dergelijke besluiten van de Europese Raad en de Raad liggen er niet ten aanzien van Polen. Dit betekent de uitvoerende rechterlijke autoriteit, in dit geval de IRK, alvorens tenuitvoerlegging van een EAB te weigeren, concreet en nauwkeurig moet nagaan of er, gelet op de persoonlijke situatie van deze persoon alsook de aard van het strafbare feit, zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat de betrokkene een reëel gevaar van schending van het door artikel 47 lid 2 van het Handvest gewaarborgde grondrecht op een eerlijk proces zal lopen in geval van overlevering.

Er bestaat geen concrete aanleiding om aan te nemen dat iedere asielzoeker (in het bijzonder een Dublinclaimant) een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden. Evenmin heeft de vreemdeling aannemelijk gemaakt dat in Polen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.18640-2


uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

[V-nummers]

(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).

Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek heeft als zaaknummer NL20.18641.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de voorlopige voorziening, plaatsgevonden op 17 november 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde

mr. V. Iliҫ.

Bij uitspraak van 8 december 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep tegen het bestreden besluit tijdig is ingesteld. De rechtbank heeft om die reden het beroep ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft zij bepaald dat de zaak ter verdere behandeling wordt verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats, en iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Bij uitspraak van gelijke datum heeft de voorzieningenrechter, gelet op de uitspraak in de bodemzaak, het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen, het bestreden besluit geschorst en bepaald dat eiser niet mag worden overgedragen aan Polen totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist. De voorzieningenrechter heeft verweerder veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.050,-.

Verweerder heeft op 5 februari 2021 een verweerschrift ingediend. Daarnaast heeft hij de rechtbank en de wederpartij desgevraagd op 16 februari 2021 bericht dat het verzoek om heroverweging niet op 4 juni 2020, maar op 24 juni 2020 is verstuurd naar de Poolse autoriteiten. Daarbij heeft verweerder aan de hand van een mailwisseling met de Dublin-unit in Polen onderbouwd, dat de vermelding van de datum van 4 juni 2020 in het bestreden besluit een kennelijke verschrijving is.

De verdere behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 februari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is de heer Yilmaz verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is [eiser] , geboren op [geboortedag] 2000 en van Turkse nationaliteit. Hij heeft hier te lande op 31 maart 2020 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gedaan. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder onderzoek gedaan naar de vraag wie verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvraag. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiser op 19 februari 2020 door de buitenlandse vertegenwoordiging van Polen in het bezit is gesteld van een (Schengen)visum, dat geldig was van 15 maart 2020 tot 13 april 2020.

2. Desgevraagd heeft eiser verklaard dat hij in Ankara (Turkije) zelf een toeristenvisum heeft aangevraagd. Het was zijn bedoeling om in Europa rond te reizen, ook in Polen. De autoriteiten van Polen hebben hem een visum verleend dat een maand geldig was. Binnen die maand mocht eiser twee weken blijven. Op 15 maart 2020 heeft eiser zijn land van herkomst verlaten. Hij is vanuit Ankara met het vliegtuig via Oekraïne naar Nederland gereisd. Hij heeft tijdens de reis gebruikgemaakt van zijn eigen paspoort. Hij is nooit in Polen geweest. Eiser is op 15 maart 2020 in Nederland aangekomen en hij heeft zich op

31 maart 2020 aangemeld om asiel aan te vragen. In de tussenliggende periode heeft hij in een hostel in Amsterdam verbleven.

3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland op 28 mei 2020 Polen gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Polen heeft dit verzoek in eerste instantie op 3 juni 2020 afgewezen, omdat verweerder bij het claimverzoek geen bewijs had meegestuurd dat eiser op 31 maart 2020 ook daadwerkelijk in Nederland asiel heeft aangevraagd. Nederland heeft vervolgens op 24 juni 2020 een heroverwegingsverzoek gestuurd, dat de Poolse autoriteiten op 1 juli 2020 op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening hebben geaccepteerd.

4. Gelet op het vorenstaande is Polen in beginsel verantwoordelijk voor de behandeling van eisers asielaanvraag oftewel zijn verzoek om internationale bescherming. Dit komt slechts anders te liggen als verweerder ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening dit verzoek zelf dient te behandelen als het niet mogelijk is een asielzoeker over te dragen aan de lidstaat die in de eerste plaats als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, omdat ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) dan wel artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5. Verder kan elke lidstaat ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een bij hem gedaan verzoek om internationale bescherming behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Standpunt van eiser

6. Eiser heeft bezwaren tegen een overdracht aan Polen. Volgen eiser is Polen geen goed land voor vluchtelingen en geen goed land om een asielaanvraag te doen. Eiser weet zelfs niet of het mogelijk is om in Polen een asielaanvraag te doen en of Polen een asielaanvraag in behandeling neemt. Eiser denkt niet dat Polen kan voldoen aan de benodigdheden van asielaanvragen.

7. Eiser meent dat verweerder gebruik zou moeten maken van de bevoegdheid om zijn verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen, nu er concrete aanwijzingen zijn dat Polen zijn internationale verplichtingen niet zal nakomen. Ten eerste blijkt uit het artikel van VluchtelingenWerk genaamd “Onherbergzaam Europa | Een grimmig fort” dat de muren van Fort Europa steeds hoger worden opgetrokken. Vanuit alle hoeken in Europa worden vluchtelingen snoeihard geweerd. Ondertussen staat het onderwerp migratie steeds lager op de Europese agenda. Een gemeenschappelijk en solidair asielbeleid lijkt verder weg dan ooit, aldus VluchtelingenWerk. Met betrekking tot Polen vermeldt VluchtelingenWerk: “Polen wordt ook wel het ‘witste land’ van Europa genoemd: terwijl andere Europese landen – enkele andere Oost-Europese landen daargelaten – de afgelopen jaren honderdduizenden vluchtelingen opnamen, weigert Polen vluchtelingen op te nemen. Ondanks de Europese afspraken die Polen verplichtten om 6.200 vluchtelingen uit Italië en Griekenland op te nemen, weigert Poolse regering tot op de dag van vandaag ook maar één vluchteling op te nemen.”

8. Eiser wijst voorts naar een artikel in Trouw van 2 april 2020, waaruit blijkt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) in een zaak die was aangespannen door de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat Hongarije, Polen en Tsjechië EU-wetgeving met voeten hebben getreden toen ze tijdens de migratiecrisis weigerden mee te werken aan de afgesproken verdeling van asielzoekers uit Griekenland en Italië. Uit dit artikel blijkt dat het symbolische gehalte van de uitspraak, alsmede eventueel precedentwerking voor de toekomst, groot is. In feite heeft het HvJ-EU nu gezegd dat EU-beslissingen over migratie voorrang hebben boven ‘handhaving van de openbare orde’ en ‘bescherming van de binnenlandse veiligheid’, tenzij duidelijk kan worden aangetoond dat die in gevaar zijn. Op die twee gronden verdedigen Boedapest, Praag en Warschau hun weigering om mee te werken aan de verplichte asielzoekersquota.

9. Naar de mening van eiser bevestigen voornoemde artikelen dat Polen het niet zo nauw neemt met de rechten van mensen die op zoek zijn naar internationale bescherming. Dit klemt te meer daar de huidige president van Polen, Andrzej Duda, favoriet is om deze zomer weer als president te zullen worden verkozen en dat deze president [naam] heeft benoemd als voorzitter van het Hooggerechtshof terwijl haar opponent dubbel zoveel stemmen kreeg. Eiser verwijst hierbij naar een artikel uit de Volkrant van 25 mei 2020 met als kop: “Poolse regering krijgt Hooggerechtshof in handen met ‘politieke’ benoeming”. In dit artikel van de Volkskrant staat ook dat van [naam] bekend is dat dat zij politiek loyaal is aan de PiS-regering en als vertrouweling geldt van de zittende minister van Justitie. Met [naam] ’s benoeming kan de rechts-populistische regering onder leiding van Recht en Rechtvaardigheid (PiS) zijn invloed binnen de rechterlijke macht vergroten. [naam] , hoogleraar grondwettelijk recht aan de universiteit van Warschau en een bekende PiS-criticus, heeft sterke bedenkingen bij de grondwettelijkheid van deze benoeming. De Volkskrant meldt verder dat de PiS-regering het machtige Grondwettelijke Hof lam legde door daar zijn eigen mensen neer te zetten. Hetzelfde gebeurde met de raad voor de rechtspraak (KRS) die in Polen rechters benoemt. Rechters die zich in de media of tijdens manifestaties uitspraken, kregen te maken met een hetze in de pro-regeringsmedia en dreigen uit hun ambt te worden gezet. Ten slotte meldt de Volkskrant dat één van de rechtskamers binnen het Hof – door de PiS-regering opgericht – volgens een recente uitspraak van het HvJ-EU in strijd is met het Europees recht. Polen moet die kamer dus eigenlijk sluiten, maar weigert dat.

10. In de visie van eiser is het gevolg hiervan dat het negatieve en illegale asielbeleid dat door rechts-populistische Poolse autoriteiten wordt gehanteerd, niet meer door een onafhankelijke rechter kan worden getoetst. Dit heeft tot gevolg dat de mogelijkheid om rechtsmiddelen in te stellen tegen een negatieve beslissing op een verzoek om internationale bescherming, een wassen neus is en er derhalve geen onafhankelijke toetsing van de negatieve beslissing zal plaatsvinden. Daarbij komt dat ook de Nederlandse rechterlijke macht van oordeel is dat de Poolse rechtbanken niet langer onafhankelijk zijn ten opzichte van de Poolse regering en het Poolse parlement.

11. Eiser voert voorts aan dat de onafhankelijkheid van Poolse rechtbanken en daardoor het recht op een eerlijk proces sinds 2017 steeds meer onder druk is komen te staan. Er is onder andere sprake van politieke inmenging in de benoemingen en overplaatsingen van

(vice-)presidenten bij rechterlijke instanties en van rechters. Eind 2019 is daar ook nog nieuwe wetgeving bijgekomen op het gebied van tuchtrecht voor rechters. Al deze ontwikkelingen bij elkaar tasten de onafhankelijkheid van Poolse gerechten zo ernstig aan, dat zij volgens de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam (IRK) niet meer onafhankelijk kunnen zijn ten opzichte van de Poolse regering en het Poolse parlement. Eiser verwijst hiervoor naar https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Amsterdam/Nieuws/Paginas/IRK-Polen.aspx.

12. Volgens eiser geldt daarnaast dat zijn overdracht aan Polen in strijd is met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. In de eerste plaats omdat het racisme hoogtij viert in Polen en zijn belichaming vindt in de huidige rechts-populistische regering. In de tweede plaats omdat de feitelijke overdracht naar Polen gelijk staat aan indirect refoulement. Eiser stelt dat hij in Polen een negatieve beslissing zal krijgen die hij niet door een onafhankelijke rechter kan laten toetsen. Het gevolg is dat nu al duidelijk is dat hij aan Turkije zal worden overgedragen, terwijl duidelijk is wat er met tegenstanders van president Erdogan gebeurt.

13. Het feit dat Polen zich niet houdt aan de Europese herplaatsingsafspraken voor asielzoekers in combinatie met het heersende politieke klimaat in Polen, het feit dat asielzoekers aan de Poolse grenzen geen toegang hebben gekregen tot de asielprocedure, dan wel niet zijn toegelaten tot Polen en de constatering dat de opvangvoorzieningen afgelegen liggen, zijn dusdanig zorgelijke ontwikkelingen, dat die naar de mening van eiser zouden moeten leiden tot de conclusie dat in Polen sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Eiser verwijst daarbij tevens naar het AIDA Country Report over Polen (update van 19 april 2020).

14. Eiser wijst voorts op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:282), waarin is geoordeeld dat het starten van een artikel 7-procedure (inbreukprocedure) alleen in uitzonderlijke gevallen aanleiding kan geven om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft in haar uitspraak van 26 september 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:10607) overwogen dat sprake moet zijn van een uitzonderlijk geval als geoordeeld moet worden dat de Poolse rechterlijke macht niet (langer) onafhankelijk en onpartijdig is. De IRK heeft inmiddels (ECLI:NL:RBAMS:2020:3776) geoordeeld dat de Poolse rechterlijke macht niet (langer) onafhankelijk en onpartijdig is, zodat sprake is van een uitzonderlijk geval, waardoor niet meer kan en mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Vanwege zorgen over de onafhankelijke rechtspraak heeft de IRK de overleveringen stopgezet. Eiser verwijst naar de uitspraken van de IRK van 18 augustus 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:4032) en 3 september 2020 (ECLI:NL:RBAMS:202:4328). De IRK heeft eerst de prejudiciële vraag aan het HvJ-EU voorgelegd of, kort gezegd, een (Pools) Europees aanhoudingsbevel (EAB) ten uitvoer kan worden gelegd dat is uitgevaardigd door een gerecht, terwijl de nationale wet van de uitvaardigende lidstaat na de uitvaardiging van dat EAB zodanig is gewijzigd, dat het gerecht niet meer voldoet aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming / daadwerkelijke rechtsbescherming omdat die wetgeving de onafhankelijkheid van dat gerecht niet meer waarborgt [Rechtbank: waarschijnlijk doelt eiser hier op de tussenuitspraak van rechtbank Amsterdam van 31 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3776].

15. In dit licht van het vorenstaande begrijpt eiser niet dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt stelt dat weliswaar de Poolse rechtbanken niet langer onafhankelijk zijn ten opzichte van de Poolse regering en het Poolse parlement, maar dat hij, eiser, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Poolse rechterlijke macht thans niet onafhankelijk is of dat geen eerlijk proces is gewaarborgd voor zover er sprake is van een eventuele afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser is met rechtbank Amsterdam van mening dat de Poolse nationale wet zodanig is gewijzigd, dat het gerecht niet meer voldoet aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming dan wel daadwerkelijk rechtsbescherming, omdat die wetgeving de onafhankelijkheid van dat gerecht niet meer waarborgt. In de visie van eiser is derhalve sprake van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Eiser verwijst nog naar een artikel op NU.nl van 26 oktober 2020, waarin staat dat het Openbaar Ministerie in Polen geen verdachten meer wil overleveren aan Nederland. Dit blijkt uit een interne brief van [naam] , de hoogste openbare aanklager in het land, aan alle Poolse officieren van justitie. In die brief schrijft hij ook dat Nederland ‘nalaat het principe van wederzijds vertrouwen te respecteren’. Volgens eiser staat hiermee voldoende vast dat er tussen Nederland en Polen geen sprak meer is van interstatelijk vertrouwen. Eiser wijst tevens op een artikel van [naam] op NOS.nl van 15 november 2020 met als kop: “In Polen werden rechters al geïntimideerd, nu lijken advocaten aan de beurt”. In dit bericht wordt melding gemaakt van de arrestatie van advocaat [naam] en doorzoeking van diens woning en kantoor door agenten van de geheime dienst. Het Poolse OM verdenkt hem van witwassen. De Poolse ombudsman is er (echter) van overtuigd dat de regeringspartij de advocaat, die de laatste jaren betrokken is geweest bij meerdere rechtszaken tegen de nationalistisch-conservatieve PiS-regering, wil uitschakelen.

16. Verder heeft eiser bezwaren tegen een overdracht aan Polen, omdat hij een Pools visum heeft aangevraagd met als reden om naar Nederland te komen en hier als verpleegkundige te werken. Vanwege het coronavirus wil hij in Nederland als verpleegkundige aan de slag. Hij heeft daarom ook zijn diploma aan de universiteit laten vertalen naar het Engels. Eiser spreekt naar zijn zeggen voldoende Engels. Hij is in Turkije ook tolk geweest en hij heeft daar vertaald van het Turks naar het Engels en andersom. Hij heeft op internet gelezen dat 90 of 99 procent van de Nederlandse bevolking Engels spreekt. Voor hem zou het dan heel makkelijk worden om hier een nieuw leven op te bouwen en zich snel aan te passen. Verder heeft eiser gelezen dat Nederlanders gastvrij en tolerant zijn.

17. Ten slotte is eiser van mening dat vanwege de coronaperikelen vaststaat dat feitelijk geen overdrachten aan Polen kunnen plaatsvinden waardoor Nederland de behandeling van zijn asielaanvraag naar zich toe zal moeten trekken.

Standpunt verweerder

18. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten opzichte van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan en dat Polen zich houdt aan zijn internationale verplichtingen. Hiertoe wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:282) en de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 29 april 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:4599). Naar de mening van verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zodanige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Weliswaar zijn Poolse rechtbanken niet langer onafhankelijk ten opzichte van de Poolse regering en het Poolse parlement, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Poolse rechterlijke macht thans niet onafhankelijk is of dat geen eerlijk proces is gewaarborgd in geval van afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Hiertoe verwijst verweerder naar de uitspraak van meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 26 september 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:10607, met name rechtsoverwegingen 27-33 inzake de uitspraak van het HvJ-EU van 24 juni 2019). Hieruit blijkt dat dit vereist is om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

19. Ofschoon er zorgen bestaan over de onafhankelijkheid van de Poolse rechterlijke macht, acht verweerder de stap, met name van de schending van artikel 47 van het Handvest, te groot. Een lidstaat kan in het kader van de Dublinverordening alleen niet jegens een andere lidstaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan als bij overdracht aan die lidstaat een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM. Dit vindt bevestiging in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, waarin staat dat een vreemdeling niet aan een lidstaat kan worden overgedragen als er ernstig moet worden gevreesd dat daar systeemfouten bestaan in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die resulteren in een schending van artikel 4 van het Handvest. Dit reële risico is, evenals de ernstige vrees, op grond van hetgeen door eiser is aangevoerd onvoldoende onderbouwd. De door eiser overgelegde informatie brengt niet met zich dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De verwijzing naar het NOS-artikel over intimidatie van een advocaat in Polen die gearresteerd is, maakt dit niet anders. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Polen geen toegang zal hebben tot een advocaat, noch dat hij hierdoor geen eerlijk proces zal hebben in de asielprocedure. Daarbij komt dat alle beperkende maatregelen die het openbaar ministerie aan deze advocaat had opgelegd door de rechtbank van Pozna zijn opgeheven en de advocaat zijn beroep weer mag uitoefenen. Volgens verweerder blijkt hieruit dat er in Polen een effectief rechtsmiddel openstaat tegen arrestatie.

20. Voorts merkt verweerder op dat eiser geen verzoek om internationale bescherming in Polen heeft ingediend en dus geen persoonlijke ervaringen heeft met het functioneren van de rechterlijke macht aldaar. Ook is, aldus verweerder, gesteld noch gebleken dat de problemen met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen in ander gevallen al hebben geleid tot schending van artikel 4 van het Handvest. Al met al kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van ernstige tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Polen. Verweerder ziet zich hierin ook gesteund door de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amersfoort, van 2 november 2020 (ECLI:NL:RBDHA: 2020:11045), de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 4 november 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:11096) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 12 november 2020 (ECLI:NL:RBDHA:202011769). In aanvulling hierop overweegt verweerder dat eiser zich bij voorkomende problemen in Polen kan wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten dan wel geëigende instanties. Dat geldt ook voor de stelling van eiser dat in Polen sprake is van racisme. Daarbij neemt verweerder, onder verwijzing naar pagina’s 19 en 20 van het rapport van US Department of State van 11 maart 2020 over Polen, in aanmerking dat er in Polen wel degelijk tegen (onder andere) racisme wordt opgetreden.

21. Over de verwijzingsuitspraak van de IRK van 31 juli 2020 merkt verweerder op dat het stellen van prejudiciële vragen niet in de weg staat aan een besluit tot overdracht van een vreemdeling met toepassing van de Dublinverordening. Verweerder handhaaft, onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:282), het standpunt dat het aanhangig zijn van een zogenoemd artikel 7-procedure alleen in uitzonderlijke gevallen aanleiding kan geven om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens verweerder zijn er geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser persoonlijk geraakt zal worden door de ontwikkelingen rondom de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen. De uitspraak van de IRK maakt dit niet anders. Het HvJ-EU heeft de prejudiciële vragen inmiddels beantwoord in het arrest van 17 december 2020 (ECLI:EU:C:2020:1033) en geoordeeld dat de vaststelling van verergerde fundamentele gebreken in het Poolse rechtssysteem onvoldoende grond is voor een rechter om de tenuitvoerlegging van alle uitgevaardigde EAB’s uit Polen te weigeren. De uitvoerende rechterlijke autoriteit blijft verplicht om te onderzoeken of er een reëel gevaar bestaat dat de rechten van de opgeëiste persoon in het individuele geval worden geschonden.

22. Verweerder wijst er verder op dat de IRK op 29 januari 2021 naar aanleiding van dit arrest uitspraak heeft gedaan (ECLI:NL:RBAMS:2021:179) en heeft geoordeeld dat het in beginsel aan de opgeëiste persoon en zijn advocaat is om relevante informatie te verstrekken die relevant kunnen zijn bij de beoordeling of een schending heeft plaatsgevonden. De IRK heeft geoordeeld dat geen sprake is van zwaarwegende redenen en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gericht is geschonden en dat als gevolg daarvan zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern is aangetast.

23. Verder merkt verweerder op dat de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn ook gelden ten aanzien van de asielprocedure in Polen. Voor zover eiser zich erop beroept dat Polen in strijd handelt met deze richtlijnen en de waarborgen die hieruit voortvloeien, wordt hierin evenmin aanleiding gezien om af te zien van een overdracht aan Polen, nu uit vaste jurisprudentie volgt dat hieromtrent behoort te worden geklaagd bij de desbetreffende (hogere) autoriteiten dan wel geëigende instanties. Niet is gebleken dat voor eiser die mogelijkheid niet bestaat. Gelet hierop is er niet op voorhand al sprake van (indirect) refoulement bij overdracht van eiser aan Polen. Ook acht verweerder van betekenis dat het persoonlijk relaas van eiser geen indicaties biedt voor de conclusie dat de asielprocedure in Polen niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Eiser heeft geen asielverzoek in Polen ingediend zodat hij, daar waar het de kwaliteit van de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Polen betreft, niet uit eigen ervaringen kan putten.

24. Indien en voor zover eiser met het AIDA-rapport stelt dat hij in Polen geen opvang zal krijgen, wordt verwezen naar artikel 46 van dat rapport. Daaruit blijkt dat asielzoekers recht hebben op opvang tijdens hun procedure tot enige tijd na afloop van de procedure, maar dat tijdens de verdere beroepsprocedure materiële voorzieningen eindigen. In de optiek van verweerder betekent dit niet dat sprake is van systematische tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. In de praktijk blijkt dat asielzoekers soms langer in het opvangcentrum mogen blijven.

25. De verklaringen van eiser dat hij naar Nederland is gekomen om hier te werken als

verpleegkundige of tolk, en dat Nederlanders gastvrij en tolerant zijn, zijn niet bepalend voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. Verder is niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser van een onevenredige hardheid getuig. Evenmin is gebleken van een bijzonder samenstel van factoren dat maakt dat de behandeling van het asielverzoek in Nederland in de rede ligt. Wat eiser in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aanvoert, ziet op onderwerpen die van betekenis zijn voor de beoordeling of er concrete aanwijzingen zijn dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Verweerder verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3164).

Beoordeling

26. De rechtbank stelt voorop dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in principe van mag uitgaan dat de autoriteiten van Polen zich houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Het ligt dan ook op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van zodanige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Polen (zie het arrest van het HvJ-EU in de zaak N.S. tegen het Verenigd Koninkrijk en M.E. en anderen tegen Ierland van 21 december 2011, ECLI:EU:C:2911:865).

27. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de stukken en de jurisprudentie waarop eiser zich beroept onvoldoende grond voor de conclusie dat Polen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Weliswaar blijkt daaruit dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen ernstig onder druk staat en dat soms (ook) advocaten worden geïntimideerd, maar deze vaststelling maakt niet dat alleen al hierom moet worden geoordeeld dat sprake is van een dusdanig ernstige tekortkoming van de asielprocedure dat gevreesd moet worden dat eiser in Polen een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.

28. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:282), de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 26 september 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:10607) en de tussenuitspraak van de IRK te Amsterdam van 31 juli 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:3776), dat sprake is van bijzondere, uitzonderlijk omstandigheden op grond waarvan ten aanzien van Polen niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog en overweegt daartoe als volgt.

29. Zoals ook al is geoordeeld in genoemde uitspraak van 26 september 2019 blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019 dat het arrest van het HvJ-EU in de zaak LM tegen Ierland van 25 juli 2018 (ECLI:EU:C:2018:586) ook van belang is in asielzaken. De Afdeling overweegt immers als volgt:

In het arrest van 25 juli 2018, LM, ECLI:EU:C:2018:586, heeft het Hof van Justitie antwoord gegeven op prejudiciële vragen van de High Court of Ireland. Deze vragen zien op grensoverschrijdende gerechtelijke procedures van overleveringen en hebben derhalve en strafrechtelijke achtergrond. Het Hof heeft overwogen dat zolang de Raad nog geen beslissing heeft genomen in een artikel 7-procedure, de uitvoerende rechterlijke autoriteit alleen in uitzonderlijke omstandigheden ervan kan afzien om gevolg te geven aan en Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door een lidstaat die voorwerp is van een met redenen omkleed voorstel in de zin van artikel 7, eerste lid, van het VEU (punt 73).

Het arrest van het Hof is naar het oordeel van de Afdeling ook van belang voor asielzaken voor zover het daar ook gaat om een gestelde schending van een grondrecht in een andere lidstaat. Meer toegespitst op de voorliggende zaak betreft het hier de invloed van de artikel 7-procedure op het interstatelijk vertrouwensbeginsel (zie ook de punten 35 en 36 van het arrest). Dat beginsel ligt ten grondslag aan het Protocol. De Afdeling leidt uit het arrest af dat het starten van een artikel 7-procedure alleen in uitzonderlijke gevallen aanleiding kan geven om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

30. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat wanneer de rechtbank bij de beoordeling van een overdracht van een verzoek om internationale bescherming over gegevens beschikt die erop wijzen dat er een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces wordt geschonden wegens structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, de rechtbank concreet en nauwkeurig moet nagaan of er, gelet op de persoonlijke situatie van de verzoeker, en rekening houdend met de inlichtingen die de overdragende lidstaat heeft verstrekt, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de verzoeker een dergelijk gevaar zal lopen in geval van overdracht aan de voor het verzoek tot internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat.

31. Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019 dat het starten van een artikel 7-procedure (inbreukprocedure) alleen in uitzonderlijke gevallen aanleiding kan geven af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In navolging van de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 september 2019, overweegt de rechtbank dat sprake is van een uitzonderlijk geval als geoordeeld moet worden dat de Poolse rechterlijke macht niet (langer) onafhankelijk en onpartijdig is. De vereisten onafhankelijkheid en onpartijdigheid liggen dicht bij elkaar en worden door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) doorgaans gezamenlijk getoetst (zie punt 192 van het arrest van het EHRM in de zaak Kleyn e.a. tegen Nederland van 6 mei 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0506JUD003934398). Het EHRM (zie punt 32 van het arrest van het EHRM in de zaak Langborger tegen Zweden van 22 juni 1989, ECLI:CE: ECHR:1989:0622JUD001117984, en punt 190 van het arrest Kleyn e.a. tegen Nederland van 6 mei 2003) toetst de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie onder meer aan:

- de wijze van benoeming van het gerecht;

- de duur van de benoeming van het gerecht;

- de afwezigheid van beïnvloeding van het gerecht van binnenuit en vanuit de buitenwacht; en

- de afwezigheid van schijn van afhankelijkheid.

32. De onpartijdigheid van een rechterlijke instantie wordt door het EHRM zowel objectief als subjectief (de persoonlijke onpartijdigheid van de rechter) getoetst (zie punt 93 van het arrest van het EHRM van 15 oktober 2009 in de zaak Micallef tegen Malta, ECLI:CE: ECHR:2009:1015JUD001705606). Bij objectieve partijdigheid kan onder meer gedacht worden aan eerdere bemoeienis van de rechter met de zaak, zoals als rechter in een eerdere instantie, of een andere (hiërarchische) band tussen de betrokken rechter en één van de actoren in de procedure (zie punt 36 van het arrest van het EHRM van 15 juli 2005 in de zaak Meznaric tegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2005:0715JUD007161501, en punt 47 van het arrest van het EHRM van 21 december 2000 in de zaak Wettstein tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2000:1221JUD003395896). In de zaak van eiser is van dergelijke objectieve partijdigheid niet gebleken.

33. De rechterlijke instantie wordt volgens vaste rechtspraak van het EHRM vermoed subjectief onpartijdig te zijn, tenzij het tegendeel is bewezen (zie punt 58 van het arrest van het EHRM van 23 juni 1981 in de zaak Le Compte, Van Leuven en De Meyere tegen België, ECLI:CE:ECHR:1981:0623JUD000687875 en punt 94 van het Micallef-arrest).

34. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats verwijst in haar uitspraak van 26 september 2019 naar het arrest van het HvJ-EU van 24 juni 2019 (C-619/18, ECLI:EU:C:2019:531) over de inbreukprocedure tegen Polen. Uit rechtsoverweging 27-33 van deze uitspraak blijkt dat de Poolse regering de pensioenregeling van de Poolse rechters heeft teruggedraaid, alle nationale bepalingen waar de Europese Commissie zich tegen heeft gekeerd ingetrokken zijn en ook alle gevolgen van deze bepalingen ingetrokken zijn. De rechtbank komt in die uitspraak tot de conclusie dat niet is onderbouwd dat de Poolse rechterlijke macht niet onafhankelijk is of dat geen eerlijk proces is gewaarborgd wanneer een vreemdeling tegen een afwijzing van de asielaanvraag of detentie wenst op te komen.

35. Dat de Europese Commissie op 3 april 2019 weer een inbreukprocedure is gestart tegen Polen in verband met het nieuwe Poolse tuchtrecht waaraan rechters kunnen worden onderworpen en dat de IRK in de tussenuitspraak van 31 juli 2020 in een drugsmokkelzaak en in latere uitspraken heeft geoordeeld dat de Poolse rechtbanken niet langer onafhankelijk zijn ten opzichte van de Poolse regering en het Poolse parlement, maakt niet dat thans in Dublinzaken waarin de overdracht van vreemdelingen aan Polen speelt, anders geoordeeld zou moeten worden. De IRK heeft in die zaak, een strafrechtelijke overleveringszaak, geoordeeld dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen niet is gewaarborgd. De IRK heeft vervolgens prejudiciële vragen aan het HvJ-EU gesteld. De zaak van eiser is evenwel een vreemdelingenzaak die gebaseerd is op de Dublinverordening. In deze zin oordeelde ook de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, bij uitspraak van 4 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:11096 en zittingsplaats Groningen, bij uitspraak van 17 september 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3280.

36. Voorts verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 12 november 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:11769, JV 2021/9). In deze uitspraak wordt in verband met het nieuwe tuchtrecht in Polen stilgestaan bij het feit dat het Poolse Hooggerechtshof bij uitspraak van 5 december 2019 op grond van het arrest van het HvJ-EU van 19 november 2019, A.K. e.a. tegen het Poolse Hooggerechtshof (ECLI:EU:C:2019:982) heeft geoordeeld dat de KRS (de Poolse National Council of the Judiciary) in zijn huidige samenstelling geen orgaan is dat onpartijdig en onafhankelijk is van de wetgevende en uitvoerende macht. Tevens heeft het Poolse Hooggerechtshof geoordeeld dat de tuchtkamer van het Poolse Hooggerechtshof niet kan worden beschouwd als een gerecht als bedoeld in artikel 47 van het Handvest en artikel 45, eerste lid, van de grondwet van de Republiek Polen.

37. De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, is met name vanwege de uitspraak van de Poolse Hooggerechtshof van 5 december 2019 van oordeel dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de tuchtkamer niet is gewaarborgd. In het verlengde daarvan is zij van oordeel dat de onafhankelijkheid van het Poolse Hooggerechtshof en de gewone rechterlijke instanties – zoals de autoriteit die zal beslissen op een beroep tegen een eventuele afwijzing van een asielaanvraag – evenmin volledig is gewaarborgd, zij het op een indirecte wijze. Alle rechters van het Poolse Hooggerechtshof en de gewone rechterlijke instanties lopen nu immers het risico op een tuchtprocedure bij een instantie waarvan de onafhankelijkheid niet is gewaarborgd. De vraag of dit betekent dat zwaarwegende gronden en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat iedere asielzoeker (in het bijzonder een Dublinclaimant) een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en of sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest, beantwoordt de rechtbank in haar uitspraak van 12 november 2020 evenwel ontkennend. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er weliswaar diverse ontwikkelingen gaande (geweest) waaruit kan worden opgemaakt dat er zorgen zijn (vanuit de Europese Commissie, diverse lidstaten en ook vanuit Polen zelf) aangaande de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Polen, maar is dit onvoldoende voor de conclusie dat zwaarwegende en op feiten gebaseerde gronden bestaan dat iedere asielzoeker (in het bijzonder een Dublinclaimant) een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijke gerecht zal worden geschonden en in het verlengde daarvan een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederede behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Daarbij heeft de rechtbank in de eerste plaats van belang geacht dat de onafhankelijkheid van het Poolse Hooggerechtshof en de gewone rechterlijke instantie – zoals de autoriteit die zal beslissen op een beroep tegen een eventuele afwijzing van een asielaanvraag – niet op directe maar op indirecte wijze niet is gewaarborgd. In de tweede plaats heeft de rechtbank de informatie betrokken die door vreemdeling in die zaak was ingebracht.

38. In het licht van voornoemde uitspraak overweegt de rechtbank in de zaak van eiser dat hij geen informatie heeft ingebracht waaruit blijkt dat Poolse rechters zich vanwege de vrees om onderworpen te worden aan disciplinaire maatregelen of vanwege andere hervormingen, in individuele zaken in strijd met de bepalingen van het Unierecht of verdragen hebben geoordeeld dan wel dat zij op basis van politieke overwegingen in plaats van het recht, recht hebben gesproken. Ook is gesteld noch gebleken dat de problemen met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen heeft geleid tot schending van artikel 4 van het Handvest. Evenmin is informatie ingebracht waaruit blijkt dat uitspraken van Poolse rechters in asielzaken door tuchtrechtelijke maatregelen van de tuchtkamer, worden teruggedraaid. Gesteld noch gebleken is van disciplinaire maatregelen die zijn opgelegd aan rechters vanwege van een uitspraak die zij hebben gedaan in een asiel- of bewaringszaak.

39. Daarbij komt dat het HvJ-EU bij uitspraak van 17 december 2020, C-354/20 PPU en C-414/20 PPU (ECLI:EU:C:2020:1033) de prejudiciële vragen van de IRK heeft beantwoord. De beantwoording van die vragen komt erop neer dat de rechtbank niet automatisch mag weigeren verdachten naar Polen te sturen om wier overlevering is gevraagd. Het HvJ-EU herinnert eraan dat de regeling inzake het EAB op een hoge mate van vertrouwen berust tussen de lidstaten. De toepassing van de regeling inzake het EAB kan slechts worden opgeschort in geval van ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde beginselen, waaronder het beginsel van de rechtsstaat, welke schendingen door de Europese Raad is geconstateerd. Pas wanneer sprake is van een besluit van de Europese Raad, gevolgd door opschorting door de Raad van de toepassing van kaderbesluit 2002/584 ten aanzien van de betrokken lidstaat, is de uitvoerende rechterlijke autoriteit gehouden de tenuitvoerlegging van elke door deze lidstaat uitgevaardigd EAB automatisch te weigeren zonder enige concrete beoordeling te verrichten van het reële gevaar dat de betrokken persoon loopt dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast. Dergelijke besluiten van de Europese Raad en de Raad liggen er niet ten aanzien van Polen. Dit betekent dat uitvoerende rechterlijke autoriteit, in dit geval de IRK, alvorens de tenuitvoerlegging van een EAB te weigeren, concreet en nauwkeurig moet nagaan of er, gelet op de persoonlijke situatie van deze persoon alsook de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context van het EAB, en rekening houdend met de inlichtingen die deze lidstaat, in dit geval Polen, heeft verstrekt, zwaarwegende gronden en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de betrokkene een reëel gevaar van het door artikel 47, tweede lid, van het Handvest gewaarborgde recht op een eerlijk proces zal lopen in geval van overlevering aan die laatste lidstaat.

40. Zoals hiervoor al is overwogen, bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat iedere asielzoeker (in het bijzonder een Dublinclaimant) een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat in Polen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Eiser heeft niet betwist dat uit artikel 46 van het AIDA-rapport blijkt dat asielzoekers in Polen recht hebben op opvang tijdens hun procedure en tot enige tijd na afloop van de procedure. De stelling van eiser dat in Polen sprake is van systematische tekortkomingen in de opvangvoorzieningen omdat ze ver weg gelegen zijn, wordt niet gevolgd. Nog daargelaten dat eiser die stelling niet heeft onderbouwd, volgt daaruit nog niet dat de opvangfaciliteiten niet aan de daaraan te stellen eisen en normen voldoen.

41. Voorts heeft eiser evenmin verweerders standpunt weersproken dat eiser niet heeft aangeven op welke passages in het artikel van VluchtelingenWerk en het artikel in Trouw van 2 april 2020 hij een beroep doet ter onderbouwing van het standpunt dat in Polen sprake van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen dan wel dat hij buiten zijn wil en eigen keuzes om terecht zal komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. Eiser heeft dit ook niet persoonlijk ervaren, omdat hij nooit in Polen is geweest en daar dus niet eerder een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Het mag zo zijn dat Polen het ‘witste land’ van Europe is, omdat het weigert vluchtelingen op te nemen uit Italië en Griekenland, maar het gaat in de zaak van eiser om een overdracht aan Polen in het kader van Dublin en niet om herverdeling van asielzoekers over Europa. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Poolse autoriteiten zullen weigeren hem in de asielprocedure op te nemen en geen opvang zullen bieden. Polen heeft zich in het claimakkoord expliciet verantwoordelijk geacht voor de behandeling van eisers asielverzoek. Dat eiser bij aankomst direct wordt uitgezet nar Turkije, is niet aannemelijk gemaakt en op grond van de door eiser aangehaalde bronnen ook niet aannemelijk te achten. Zoals ter zitting voorgehouden en door eiser erkend blijkt uit de tabel op pagina 7 van het door eiser overgelegde AIDA-rapport juist van een relatief hoog inwilligingspercentage van asielaanvragen van Turkse asielzoekers zodat eiser deze stelling niet heeft onderbouwd. Bovendien gelden de Opvang-, de Kwalificatie-, en de Procedurerichtlijn evenzeer ten aanzien van de asielprocedures in Polen. Voor zover eiser na overdracht aan Polen meent dat Polen in strijd handelt met deze richtlijnen en de waarborgen die hieruit voortvloeien, ligt het op zijn weg om zich hierover te beklagen bij de (hogere) Poolse autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Gesteld noch gebleken is dat voor eiser die mogelijkheid niet bestaat noch dat dit geen effectieve rechtsmiddelen zouden zijn.

42. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat verweerder het asielverzoek van eiser aan zich zou moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Ook in een eventuele (tijdelijke) onmogelijkheid voor verweerder om asielzoekers, zoals eiser, over te dragen aan Polen vanwege de coronamatregelen, hoeft verweerder geen aanleiding te zien om het asielverzoek aan zich te trekken. Dit eventuele beletsel staat er niet aan in de weg om, als het beletsel is opgeheven, eiser binnen de daarvoor geldende termijn aan Polen over te dragen. Het betreft slechts een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel. Dit maakt de vaststelling van Polen als verantwoordelijk lidstaat en het nemen van een overdrachtsbesluit niet onrechtmatig. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van

8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1032).

43. Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzitter, mr. drs. S. van Lokven en mr. G.J.W.M. Kipping, leden, in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier.

De uitspraak is in het openbaar geschied op: 8 maart 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.