Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2725

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
SGR 20/1906
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AVG verwijderingsverzoek. Verweerder moet een kopie van een identiteitsbewijs betrekken bij de identifcatie van eiser. Beroep ongegrond omdat verweerder terecht heeft getwijfeld aan het kopie van het identiteitsbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/1906


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Pijnacker-Nootdorp, verweerder

(gemachtigde: mr. A. den Brok).

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder, voor zover van belang, het verwijderingsverzoek van eiser niet-ontvankelijk verklaard (de rechtbank begrijpt: niet in behandeling genomen).

Bij besluit van 4 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder, voor zover van belang, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft per videoverbinding plaatsgevonden op 10 maart 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op grond van artikel 17, eerste lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) aan verweerder verzocht om zijn persoonsgegevens te verwijderen. Bij het verzoek heeft de gemachtigde van eiser een kopie van het identiteitsbewijs van eiser en een volmacht overgelegd.

2. Verweerder heeft het verzoek van eiser niet-ontvankelijk verklaard (niet in behandeling genomen) omdat verweerder eiser niet heeft kunnen identificeren. Met het bestreden besluit volgt verweerder het advies van de bezwaarschriftencommissie dat er belang is bij het deugdelijk vaststellen van de identiteit van eiser. Voor het vaststellen van de identiteit wordt aangesloten bij de Wet op de identificatieplicht en verweerder verlangt van eiser dat hij zich in persoon identificeert met een origineel identiteitsbewijs of, als dat niet mogelijk is, door middel van DigiD.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij zich niet hoeft te identificeren tenzij verweerder twijfelt aan zijn identiteit. Uit het primaire besluit en het bestreden besluit blijkt echter geen twijfel waardoor er geen aanleiding is om te vragen naar identificatie. Dat het verzoek is ingediend vanaf het registratieadres van eiser, is van belang bij de vaststelling van de identiteit en eiser heeft reeds meer gedaan om zich te identificeren dan hij had hoeven doen. Het uiten van twijfels door verweerder is onvoldoende voor een verzoek om identificatie en verweerder had daarom nader moeten onderbouwen waarom er sprake zou zijn van identiteitsfraude. Tot slot stelt eiser dat er geen objectief verschil is tussen de handtekening op de volmacht en het identiteitsbewijs.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Ter zitting is gebleken dat niet in geschil is dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat een persoon zich moet identificeren aan het gemeenteloket of via DigiD om een verzoek in de zin van de AVG in te dienen. Verweerder leest echter in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2833 en ECLI:NL:RVS:2020:2915) dat een kopie van een identiteitsbewijs op zich voldoende kan zijn om de identiteit te controleren. In het bestreden besluit heeft verweerder niet gemotiveerd waarom het overleggen van een kopie van het identiteitsbewijs van eiser in dit geval onvoldoende was om zich te identificeren. Dit besluit bevat dus een motiveringsgebrek.

4.2

De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder heeft namelijk in het verweerschrift en op zitting alsnog goed gemotiveerd waarom de kopie van het identiteitsbewijs in dit geval niet voldoende was. Zo heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de handtekeningen op de kopie en de volmacht van elkaar afwijken omdat op de handtekening op de kopie rechtsonder een ‘M’-vorm is te zien, die op de volmacht ontbreekt. De handtekeningen wijken tevens sterk af van de handtekening op een door verweerder eerder ontvangen ingebrekestelling van eiser van 7 september 2016. Door deze redelijke twijfel over de identiteit van eiser is de kopie van het identiteitsbewijs onvoldoende. Dat, naar gesteld, het verwijderingsverzoek is ingediend vanaf het registratieadres van eiser leidt niet tot een ander oordeel. Zie de genoemde uitspraak van de Afdeling met nummer ECLI:NL:RVS:2020:2833. Dit geldt ook voor de stelling van eiser dat andere bestuursorganen geen twijfels hebben geuit over zijn identiteit. Verweerder is immers niet gebonden aan beslissingen van andere bestuursorganen en mag zijn eigen beoordeling maken.

5. Verweerder heeft het bezwaar van eiser ongegrond mogen verklaren omdat verweerder de identiteit van eiser niet met voldoende zekerheid vast kan stellen. Het beroep is ongegrond.

6. Gelet op het geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1). De rechtbank ziet ook aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2021.

Griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.