Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2716

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
C/09/605642 KG ZA 21-20
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. WOTS. Verzoek Staat te veroordelen om strafoverdracht van Noorwegen naar Nederland te realiseren afgewezen. Beleidsvrijheid minister. Bij herhaalde WOTS-verzoeken moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden om voor een tweede strafoverdracht in aanmerking te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/605642 / KG ZA 21-20

Vonnis in kort geding van 2 maart 2021

in de zaak van

[gedaagde] ,

gedetineerd te Noorwegen,

eiser,

advocaat mr. V.A. van Biljouw te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie en Veiligheid, het College van procureurs-generaal en het Openbaar Ministerie) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J. Perenboom te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [gedaagde] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord met producties;

- de op 16 februari 2021 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[gedaagde] heeft de Nederlandse nationaliteit en is thans 51 jaar. De moeder van [gedaagde] is 76 jaar oud. [gedaagde] heeft een echtgenote en vier kinderen, waarvan één nog minderjarig is (15 jaar oud). Tevens heeft [gedaagde] een aantal kleinkinderen. Al deze familieleden van [gedaagde] wonen in Nederland.

2.2.

[gedaagde] is in 2012 in Frankrijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar vanwege het invoeren en vervoeren van cannabishars. De verdere tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf is op verzoek van [gedaagde] door Nederland overgenomen op grond van de Wet overdracht en tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) en het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (VOGP). [gedaagde] heeft ongeveer zes maanden van deze Franse gevangenisstraf in Nederland uitgezeten.

2.3.

[gedaagde] is op 15 mei 2019 in Noorwegen aangehouden op verdenking van de invoer, althans het bezit van verdovende middelen en in voorlopige hechtenis genomen.

2.4.

Bij vonnis van 24 april 2020 is [gedaagde] door de rechtbank van Oslo veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar vanwege het in georganiseerd verband invoeren van grote hoeveelheden harddrugs. [gedaagde] heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, maar heeft dat hoger beroep later ingetrokken. De veroordeling is op 30 juni 2020 onherroepelijk geworden.

2.5.

[gedaagde] zit zijn gevangenisstraf uit in Noorwegen. Conform de Noorse regels omtrent voorwaardelijke invrijheidstelling wordt hij na twee derde van zijn straf in vrijheid gesteld. Dat zal zijn op 5 mei 2031. [gedaagde] is dan 61 jaar. Als [gedaagde] zijn volledige straf moet uitzitten, komt hij op 67-jarige leeftijd vrij.

2.6.

Per e-mail van 7 juli 2020 heeft de advocaat van [gedaagde] bij de afdeling Internationale Overdracht Strafvonnissen van het ministerie van Justitie en Veiligheid (hierna: IOS) bericht dat [gedaagde] in Noorwegen een verzoek zou gaan indienen om op grond van de procedure ingevolge de WOTS te worden overgebracht naar Nederland.

2.7.

Bij brief van 20 juli heeft IOS namens de Minister voor Rechtsbescherming (hierna: de Minister) aan de advocaat van [gedaagde] als volgt bericht:

“(…)

Ik heb nog geen formeel verzoek van de Noorse autoriteiten ontvangen. In dit geval zal ik de Noorse autoriteiten ook niet actief gaan verzoeken om een verzoek tot strafoverdracht. De reden hiervoor licht ik hieronder toe.

Met een overbrenging op basis van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (VOGP) wordt beoogd de resocialisatie van een veroordeelde in eigen land te bevorderen.

Ik ben van mening dat recidivisme in strijd is met het bovengenoemde principe van resocialisatie. Het is daarom mijn beleid om een veroordeelde slechts eenmaal in aanmerking te laten komen voor overbrenging naar Nederland teneinde de in het buitenland opgelegde straf verder ten uitvoer te leggen, tenzij er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die in casu nopen tot een andere beslissing. Van bijzondere feiten en omstandigheden is in onderhavige geval nog niet gebleken. Uit mijn informatie blijkt dat de heer [gedaagde] al in 2013 is overgebracht uit Frankrijk om in Nederland zijn straf verder te ondergaan. Hij had destijds de gelegenheid gehad te resocialiseren in de Nederlandse samenleving, maar heeft zich wederom schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

Gelet op bovenstaande zie ik voor nu geen reden om een verzoek tot strafoverdracht naar Nederland in behandeling te nemen.

(…)”

2.8.

Bij brief van 11 augustus 2020 hebben de Noorse autoriteiten op verzoek van [gedaagde] aan IOS verzocht om op grond van het VOGP de tenuitvoerlegging van de straf van [gedaagde] over te nemen. Vervolgens heeft de advocaat van [gedaagde] dit verzoek bij brief van 5 oktober 2020 ondersteund en toegelicht waarom het volgens [gedaagde] redelijk en billijk zou zijn om – ondanks dat hij twee keer in het buitenland is veroordeeld – de tenuitvoerlegging van de Noorse gevangenisstraf over te nemen.

2.9.

Bij bief van 8 oktober 2020 heeft IOS namens de Minister de Noorse autoriteiten bericht niet in te stemmen met overdracht van de straf van [gedaagde] , omdat (kort samengevat) al eerder een in het buitenland aan [gedaagde] opgelegde straf was overgedragen en er geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat moet worden afgeweken van het in voormelde brief van 20 juli 2020 genoemde beleid. Dit besluit is bij brief van dezelfde datum ook aan [gedaagde] medegedeeld.

3 Het geschil

3.1.

[gedaagde] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te veroordelen al datgene te doen en na te laten om te realiseren dat de feitelijke strafoverdracht van Noorwegen naar Nederland wordt bewerkstelligd en [gedaagde] naar Nederland zal worden overgebracht om zijn strafrestant te ondergaan, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure.

3.2.

Daartoe voert [gedaagde] – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] kan zich niet vinden in het standpunt van de Staat dat een tweede overbrenging van hem naar Nederland in strijd zou zijn met de ratio van het VOGP. Resocialisatie is immers de belangrijkste pijler van het VOGP. Het toepasselijke beleidskader stelt dat personen die al één keer eerder in het kader van de WOTS naar Nederland zijn overgebracht niet zonder meer in aanmerking komen voor een tweede overbrenging. Dit brengt mee dat de aanwezigheid van (bijzondere) omstandigheden de Minister tot een ander oordeel kunnen brengen, maar dat er veel beleidsruimte wordt geboden aan de Minister. Die beleidsruimte wordt gebruikt in de vorm van verdergaand, ongeschreven, beleid. Dat beleid houdt in dat Nederlanders in beginsel slechts één keer in aanmerking komen voor strafoverdracht op grond van de WOTS. De Minister legt daarmee het VOGP extensief uit en vernauwt het toepassingsbereik van de WOTS zonder oog te houden voor de belangrijkste pijler van het VOGP, resocialisatie, aldus [gedaagde] .

3.3.

[gedaagde] stelt verder dat niet alleen hij, maar ook de Nederlandse samenleving er baat bij heeft dat hij in Nederland resocialiseert. Hij zal immers in de Nederlandse samenleving terugkeren. [gedaagde] is weliswaar eerder voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf naar Nederland overgebracht, maar dit was voor relatief korte duur. Gezien de korte duur van detentie heeft [gedaagde] toen niet de kans gekregen om te resocialiseren. In dat licht is de beslissing van de Minister dat recividisme in strijd zou zijn met de doelstelling van het VOGP te voorbarig geweest. Bovendien heeft [gedaagde] toen een relatief korte straf in Nederland uitgezeten en gaat het nu om een fors strafrestant van tien jaar. Ook dat maakt dat de belangen van [gedaagde] zwaarder moeten wegen.

3.4.

Verder moet volgens [gedaagde] in aanmerking worden genomen dat hij een hoogbejaarde moeder, een echtgenote, kinderen (waarvan één minderjarig is) en kleinkinderen heeft. Hij kan van hen geen, althans zeer moeizaam, bezoek ontvangen in Noorwegen. [gedaagde] zelf is op leeftijd en moet ook daarom de mogelijkheid krijgen om binnen het bereik van zijn familie zijn strafrestant uit te zitten. Het toepasselijke beleidskader staat ook toe dat overwegingen van humanitaire aard een rol kunnen spelen bij de beoordeling of strafoverdracht kan plaatsvinden.

3.5.

Tot slot voert [gedaagde] aan dat een strafoverdracht op basis van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (hierna: WETS) wel voor een tweede keer mogelijk is. Het beleid van de Minister is dus niet te volgen, omdat de beleidsregels die voor andere Europese landen gelden nu niet onverminderd wordt toegepast, terwijl de heersende gedachte bonnen de Europese Unie is dat straffen onderling worden erkend en tenuitvoer gelegd.

3.6.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Op grond van de WOTS kan een in het buitenland opgelegde straf in Nederland tenuitvoer worden gelegd als er tussen de betreffende buitenlandse staat en Nederland een verdrag geldt. Noorwegen en Nederland zijn beiden partijen bij het VOGP.

4.2.

Zoals de Staat terecht stelt heeft de Minister op grond van de WOTS en het VOGP een grote mate van beleidsvrijheid bij het wel of niet instemmen met een verzoek om overdracht van tenuitvoerlegging van een buitenlandse straf. In artikel 3 lid 1 aanhef en onder f van het VOGP is bepaald dat een gevonniste persoon alleen kan worden overgebracht als zowel de staat van veroordeling als de staat van tenuitvoerlegging het eens zijn over de overbrenging. De aangezochte staat is niet verplicht gevolg te geven aan een verzoek tot overneming of overdracht van de tenuitvoerlegging van een strafvonnis. Daarom zijn in het verdrag ook geen weigeringsgronden opgenomen. De Minister heeft dus de vrijheid om wel of niet in te stemmen met een verzoek tot overneming. Deze vrijheid volgt ook uit de wetsgeschiedenis van de WOTS. In dit verband wordt verwezen naar de memorie van antwoord op het desbetreffende wetsvoorstel (Kamerstukken II, 1984/85, 18 129, nr. 6, p. 12), waaruit volgt dat het wetsontwerp niet voorziet in rechtsgangen voor een veroordeelde indien, anders dan hij zou wensen, besloten wordt de tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis niet over te nemen. Zo’n rechtsgang zou, aldus de memorie van antwoord, niet passen in het systeem van de wet, omdat dit zou veronderstellen dat de veroordeelde een afdwingbaar recht zou hebben te kiezen waar hij een aan hem opgelegde ten uitvoer gelegd wil zien.

4.3.

De toenmalig Minister van Justitie heeft het beleidskader inzake de overdracht van de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen aan Nederland uiteengezet in een brief van 5 november 2007 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2007/08, 3 200 VI, nr. 30). In dat beleid staat het volgende vermeld:

“Voorkomen moet worden dat het Wots-beleid ongewenste neveneffecten krijgt. Zoals bekend is 80% van de Nederlanders die in het buitenland zijn gedetineerd, verdacht zijn van of veroordeeld voor drugsdelicten, in het bijzonder drugssmokkel. Het is bekend dat de al dan niet vermeende mogelijkheid om in geval van arrestatie te zijner tijd naar Nederland te kunnen worden overgebracht een rol speelt bij het besluit om drugs te smokkelen. Er zijn verder gevallen bekend van personen die nadat zij als gedetineerde naar Nederland waren overgebracht, een aantal jaren later opnieuw gedetineerd bleken te zijn in een ander land voor een vergelijkbaar drugsdelict. Om dit tegen te gaan, zal een persoon die voor een tweede maal een Wots-verzoek indient niet zonder meer daarvoor in aanmerking kunnen komen. Dit geldt met name bij drugsdelicten. Bij dergelijke herhaalde verzoeken zullen door betrokkene bijzondere omstandigheden moeten worden aangevoerd, wil hij voor een tweede keer voor overbrenging in aanmerking kunnen komen. Elk buitenlands vonnis dat in Nederland ten uitvoer wordt gelegd, zal voortaan stelselmatig worden geregistreerd in de Nederlandse justitiële documentatie.”

4.4.

Gezien het vorenstaande moet de voorzieningenrechter zich zeer terughoudend opstellen in haar toetsing van (de rechtmatigheid van) het handelen van de Staat. Vanwege de beleidsvrijheid die de Minister heeft en nu (zeker in geval van veroordelingen voor drugsdelicten) vaststaand beleid is dat bij herhaalde WOTS-verzoeken sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden om voor een tweede strafoverdracht in aanmerking te komen, heeft de Minister naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval in redelijkheid tot de beslissing kunnen komen om niet in te stemmen met de strafoverdracht. De Minister is hierbij niet getreden buiten zijn beleidsvrijheid en is ook niet afgeweken van het toepasselijke beleidskader zoals hiervoor is vermeld.

4.5.

Er is in de situatie van [gedaagde] immers geen sprake van dusdanig bijzondere omstandigheden dat de Minister op grond daarvan had moeten besluiten de overname van de gevangenisstraf toe te staan. De leeftijd van [gedaagde] levert als zodanig geen bijzondere omstandigheid op. Dat hij als gevolg van de gevangenisstraf vitale jaren in een buitenlandse gevangenisstraf moet doorbrengen is inherent aan een gevangenisstraf en levert geen bijzondere omstandigheden op als bedoeld in het hiervoor geciteerde beleidskader. Dat geldt eveneens voor de omstandigheid dat hij door tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Noorwegen zijn familie niet of slechts beperkt kan zien.

4.6.

Ook de omstandigheid dat de eerdere overname van een buitenlandse gevangenis niet heeft geleid tot resocialisatie vanwege het korte strafrestant levert geen bijzondere omstandigheden op. De tenuitvoerlegging van die eerdere straf is op verzoek van [gedaagde] zelf door Nederland overgenomen. Nog daargelaten dat de Staat betwist dat destijds niet voldoende is ingezet op resocialisatie, komt het voor rekening van [gedaagde] dat hij destijds heeft verzocht om overname van de tenuitvoerlegging van de (relatief korte) Franse gevangenisstraf. Gelet hierop kan hij dan nu niet aan de Staat tegenwerpen dat de resocialisatie destijds niet goed vorm heeft gekregen. Zoals de Staat terecht stelt zou een ander oordeel er toe leiden dat een Nederlander van wie eerder een korte straf door Nederland is overgenomen dan een nieuw strafbaar feit kan plegen zonder zich te hoeven laten weerhouden door de vrees dat hij in een buitenlandse gevangenis terecht komt. Dit is nu juist een situatie is die de Staat met het gevoerde beleid probeert te voorkomen.

4.7.

Ook de omstandigheid dat op grond van de WETS wel een tweede verzoek om overname van de tenuitvoerlegging kan worden gehonoreerd maakt het vorenstaande niet anders. Het kader van de WETS geldt uitsluitend binnen de Europese Unie en in dat verband heeft de Staat verplichtingen die niet gelden in verhouding tot landen die geen lid zijn van de Europese Unie (zoals Noorwegen). Dat de Staat in een situatie waarin de WETS niet van toepassing is, niet handelt overeenkomstig de wijze waarop moet worden gehandeld als de WETS wel van toepassing is, is niet onrechtmatig en maakt niet dat de Minister in redelijkheid niet tot zijn beslissing had kunnen komen.

4.8.

Slotsom is dat de vordering van [gedaagde] zal worden afgewezen.

4.9.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vordering van [gedaagde] af;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.683,--, waarvan € 1.016,-- aan salaris advocaat en € 667,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat [gedaagde] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.

idt