Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2689

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7461
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

omgevingsvergunning; einduitspraak na bestuurlijke lus; gebrek hersteld met nader akoestisch onderzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/7461

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. L. Brouwers),

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: mr. W. de Wit).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] te [woonplaats] , vergunninghouder

(gemachtigde: mr. F.P. van Galen).

Procesverloop

De rechtbank verwijst voor een weergave van het procesverloop naar de tussenuitspraak van 29 juli 2020.

Bij de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen tien weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van wat daarin is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak bij brief van 2 oktober 2020 een nadere motivering van het bestreden besluit ingediend.

Bij brief van 23 november 2020 heeft vergunninghouder gereageerd op de herstelpoging van verweerder. Eiser heeft dit gedaan bij brief van 6 januari 2021.

Bij brief van 10 februari 2021 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, het onderzoek wordt gesloten en binnen zes weken na de datum van verzending van de brief uitspraak zal worden gedaan.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. In dat kader overweegt de rechtbank dat het haar niet vrij staat om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat verweerder aan de hand van een akoestisch onderzoek inzichtelijk dient te maken wat de geluidbelasting is vanwege personen die zich nabij de ingang van het hostel bevinden en vanwege het komen en gaan van gasten van het hostel. Aan de hand van dit akoestisch onderzoek dient verweerder nader te motiveren wat de gevolgen van het hostel zijn voor het woon- en leefklimaat ter plaatse.

3. Vergunninghouder heeft door AV-Consulting B.V. nader akoestisch onderzoek laten verrichten. In haar rapport van 25 augustus 2020 (het akoestisch rapport) concludeert AV-Consulting B.V. - samengevat weergegeven - dat het geluid op de openbare weg vanwege het hostel voldoet aan de eisen van een goed woon- en leefklimaat. Verweerder heeft de conclusies uit dit rapport overgenomen.

4. Eiser stelt dat verweerder in strijd met zijn vergewisplicht niet is nagegaan of het nader akoestisch onderzoek zorgvuldig is verricht.

Eiser bestrijdt daarnaast de juistheid van het ‘worst case-scenario’ dat in het akoestisch onderzoek wordt gehanteerd. Volgens eiser zullen in werkelijkheid meer activiteiten vanwege het hostel plaatsvinden dan waarvan in het akoestisch onderzoek is uitgegaan.

Verder had verweerder volgens eiser met name meer acht moeten slaan op de door

AV-Consulting B.V. geconstateerde overschrijding van de voorkeurswaarde voor piekgeluiden. Het onderzoek had volgens eiser voorts daadwerkelijk in de omliggende woningen verricht moeten worden. Hij stelt dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van een gevelisolatie van 20 dB(A). Een gevelisolatie van 15dB ligt volgens eiser meer voor de hand omdat de woningen van vóór 1985 dateren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening had volgens eiser bovendien niet alleen gekeken moeten worden naar de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.

Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft eiser een rapport van de Nederlandse Stichting Geluidshinder (hierna: NSG) van 18 december 2020 overgelegd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

In het akoestisch rapport is een ‘worst case scenario’ gehanteerd. Hierbij is ervan uitgegaan dat tussen 07.00 uur en 19.00 uur 5 gasten per taxi arriveren of vertrekken, dat 10 gasten met een grote rolkoffer arriveren of vertrekken bij de hoofdingang en dat 10 gasten arriveren of vertrekken via de voorentree. Verder is aangenomen dat in deze periode gedurende 60 minuten mensen buiten staan te praten met normaal stemgeluid. Voor de periode 19.00 uur tot 23.00 uur is dit 40 minuten, voor de periode 23.00 uur tot 07.00 uur is dit 20 minuten. Daarnaast is ervan uitgegaan dat mensen buiten met verheven stemgeluid zullen praten in de periode 07.00 uur tot 19.00 uur (20 minuten), 19.00 uur tot 23.00 uur (4 minuten) en 23.00 uur tot 07.00 uur (4 minuten). Onderzocht is of in dit ‘worst case-scenario’ voldaan wordt aan de voorkeurs etmaalwaarden en aan de voorkeurswaarden voor piekgeluiden, die zijn bepaald aan de hand van het Activiteitenbesluit, de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’, de zogenoemde Schrikkelcirculaire (circulaire van 29 februari 1996) en op basis van een veronderstelde gevelisolatie van 20dB(A).

In het akoestisch rapport wordt geconcludeerd dat, uitgaande van het ‘worst case scenario’, de gehanteerde voorkeurs etmaalwaarde van 50dB(A) op geen enkel moment wordt overschreden. Verder wordt in de avond- en nachtperiode voldaan aan de gehanteerde voorkeurswaarde voor piekgeluiden van 50 dB(A). Uitsluitend gedurende de dag kan volgens het akoestisch rapport sprake zijn van overschrijdingen van de streefwaarde van LAmax van 70 dB(A) als gevolg van het (sporadisch) dichtslaan van een taxiportier. Dezelfde overschrijdingen treden echter op bij het dichtslaan van portieren van auto’s van omwonenden. Uitgaande van een standaard gevelisolatie van 20 dB(A) en rekening houdend met de beperkte intensiteit van maximaal 5 taxi’s per dag, leidt dit volgens het rapport niet tot hinder in de omliggende woningen. De conclusie van het akoestisch onderzoek luidt dat het geluid op de openbare weg vanwege het hostel voldoet aan de eisen van een goed woon- en leefmilieu.

5.2

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het akoestisch rapport op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. In dit verband wordt erop gewezen dat ook de NSG in haar reactie opmerkt dat zij geen technische gebreken heeft kunnen constateren met betrekking tot het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt waarom het ‘worst case scenario’, waarvan in het akoestisch rapport wordt uitgegaan, geen representatieve situatie zou zijn. De rechtbank acht het aannemelijk dat gasten, gelet op de beoogde doelgroep van het hostel zoals toegelicht door vergunninghouder, slechts in een kleine minderheid van de gevallen met taxi’s van en naar het hostel zullen gaan en dat de meerderheid van de gasten te voet of met het openbaar vervoer zal reizen. Voor zover - zoals eiser vreest - ook tussen 19.00 uur en 07.00 uur gasten zouden arriveren of vertrekken zal ook dit aantal naar verwachting zeer beperkt zijn.

5.3

Ter onderbouwing van zijn betoog heeft eiser verwezen naar de rapportage van de NSG. De rechtbank stelt vast dat deze rapportage niet is gebaseerd op een eigen akoestisch onderzoek, maar dat het akoestisch rapport waarop verweerder zich heeft gebaseerd hierin gemotiveerd wordt bestreden.

Voor zover in de rapportage van de NSG wordt uiteengezet dat in het akoestisch rapport ten onrechte informatie ontbreekt over geluidhinder vanuit het hostel, gaat de rechtbank hieraan voorbij. In de tussenuitspraak van 29 juli 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet gevreesd hoeft te worden voor onaanvaardbare geluidsoverlast vanuit het hostel. De rechtbank ziet geen aanleiding thans anders te oordelen.

5.4

De rechtbank stelt verder vast dat de NSG de conclusie uit het akoestisch rapport deelt dat de geluidbelasting vanwege activiteiten buiten het hostel op geen enkel moment leidt tot overschrijdingen van de voorkeurs etmaalwaarde. Dit is volgens de rapportage van NSG zelfs het geval als wordt uitgegaan van een gevelisolatie van 15dB(A) in plaats van de 20dB(A) waarmee is gewerkt in het akoestisch onderzoek. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat het geschil zich nog beperkt tot de aanvaardbaarheid van de berekende piekgeluiden.

5.4.1.

De NSG onderschrijft in haar rapportage dat in de avond en nacht voldaan wordt aan de voorkeurswaarden voor piekgeluiden. Dit is ook het geval als zou worden uitgegaan van een gevelisolatie van 15dB(A). In de dagperiode zullen volgens de NSG, uitgaande van een gevelisolatie van 15dB(A), overschrijdingen van de voorkeurswaarde plaatsvinden. De NSG concludeert vervolgens dat het aannemelijk is dat de activiteiten die deze piekbelastingen veroorzaken ook in de avondperiode - en in mindere mate in de nachtperiode - zullen plaatsvinden, zodat ook in deze periode overschrijdingen van de grenswaarden voor piekniveaus zullen optreden.

5.4.2.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Zoals hiervoor onder 5.2 is overwogen, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het ‘worst case-scenario’ zoals dit is beschreven in het akoestisch rapport. Dat betekent dat verweerder er, in navolging van dit akoestisch rapport, van uit heeft mogen gaan dat zich in de avond- en nachtperiode geen overschrijdingen van de voorkeurswaarden voor piekgeluiden zullen voordoen.

5.4.3.

Het voorgaande betekent dat uitsluitend nog in geschil is of de berekende piekgeluiden overdag een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van eiser opleveren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet het geval is. Verweerder heeft hierbij, onder verwijzing naar het akoestisch rapport, mogen betrekken dat de relevante piekgeluiden (het dichtslaan van taxiportieren) naar verwachting slechts enkele malen per dag zullen optreden en dat ook dichtslaande portieren van de auto’s van omwonenden deze piekgeluiden veroorzaken.

6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld.

7. Het beroep is gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek gegrond. Het bestreden besluit dient als gevolg daarvan te worden vernietigd. Nu verweerder het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Ook veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank :

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 2 oktober 2018;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.335,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.