Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:268

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-01-2021
Datum publicatie
19-01-2021
Zaaknummer
C-09-602659-KG ZA 20-1098
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding over coronamaatregelen. De keuze van de Staat om geen mondkapjes te adviseren in de klassen op middelbare scholen kan de beperkte toets in kort geding doorstaan. Die keuze past binnen het beleid en de Staat heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het gebruik van mondkapjes in de klas een goed verloop van het onderwijs (enigszins) zal beperken. Daarbij komt dat voldoende vaststaat dat, als kinderen ziek worden van het coronavirus, het ziekteverloop over het algemeen minder ingrijpend is dan bij volwassenen het geval kan zijn.

zie ook ECLI:NL:RBDHA:2020:12689

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2021/1220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/602659 / KG ZA 20-1098

Vonnis in kort geding van 15 januari 2021

in de zaak van

1 Stichting Protect Everybody te Amsterdam,

2. [eisende partij sub 2] te [plaats 1] ,

3. [eisende partij sub 3] te [plaats 1] ,

4. [eisende partij sub 4] te [plaats 2] ,

5. [eisende partij sub 5] te [plaats 3] ,

6. [eisende partij sub 6] te [plaats 4] ,

7. [eisende partij sub 7] te [plaats 5] ,

8. [eisende partij sub 8] te [plaats 6] ,

9. [eisende partij sub 9] te [plaats 7] ,

10. [eisende partij sub 10] te [plaats 8] ,

eisers,

advocaten mrs. J.M. van den Berg en M.E. Kingma te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) te Den Haag,

gedaagde,

advocaten mrs. R.W. Veldhuis en J. Bootsma te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eisers’ en ‘de Staat’.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Bij tussenvonnis van 14 december 2020 heeft de voorzieningenrechter de Staat gelast nadere informatie te verschaffen over de redenen om af te wijken van het WHO-advies om middelbare scholieren te adviseren een mondkapje te dragen indien het niet mogelijk is om ten minste een meter afstand te houden. De Staat heeft dat gedaan bij akte van 23 december 2020 met productie. Namens eisers is daarop gereageerd bij akte van 30 december 2020.

1.2.

Vervolgens is opnieuw vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Het geschilpunt tussen partijen waarover nog niet is geoordeeld in het tussenvonnis, gaat over het al dan niet treffen van een aanvullende maatregel op middelbare scholen. Nadat het tussenvonnis is uitgesproken heeft de Staat op 14 december 2020, vanwege de toename van het aantal corona-besmettingen, een landelijke lockdown afgekondigd, die op 15 december 2020 is ingegaan. Onderdeel van deze lockdown was dat alle scholen tot 18 januari 2021 zijn gesloten voor fysiek onderwijs. Op 12 januari 2021 is aangekondigd dat de lockdown zal worden verlengd tot en met ten minste 9 februari 2021 en dat middelbare scholen fysiek zijn gesloten tot en met ten minste 7 februari 2021. Omdat een uitzondering geldt voor bepaalde groepen leerlingen en omdat het in de rede ligt dat scholen weer open zullen gaan op een moment dat dat, met het oog op de besmettingsgraad, in de ogen van eisers niet verantwoord is zonder dat aanvullende maatregelen worden genomen, hebben eisers niettemin belang bij een beoordeling van de nog resterende vordering. Dat heeft de Staat ook niet weersproken. De enkele omstandigheid dat sinds 12 januari 2021 ook geldt dat leerlingen zich op school zoveel mogelijk aan de regel van 1,5 meter afstand moeten houden, doet daaraan evenmin af. De vordering van eisers ziet juist op situaties waarin het niet mogelijk is om een veilige afstand te houden. Beoordeeld moet dan ook worden of grond bestaat om de Staat te verplichten middelbare scholieren te adviseren op school een mondkapje te dragen indien het niet mogelijk is ten minste een meter afstand te houden, zolang de besmettingsgraad boven de 7 besmettingen per 100.000 bewoners per dag ligt. Deze vordering komt, gelet op de nu al geldende wettelijke verplichting om mondkapjes te dragen in ruimtes op middelbare scholen waar de 1,5 meter (die in Nederland is aangeduid als de veilige afstand) niet te waarborgen is, in feite neer op een advies om mondkapjes ook gedurende de lessen te dragen.

2.2.

Bij de beoordeling geldt het volgende uitgangspunt, zoals dat ook al in het tussenvonnis is geformuleerd. De verspreiding van het coronavirus heeft geleid tot een acute crisissituatie in Nederland. De Staat heeft in dergelijke situaties een grote mate van (beleids)vrijheid bij het nemen van maatregelen door middel van de inzet van bestuurlijke en juridische middelen. De besluiten die het kabinet in dit kader neemt, zijn voortdurend onderwerp van politiek debat en afwegingen op dit gebied behoren bij uitstek tot het domein van de uitvoerende macht. Dit brengt met zich dat de civiele rechter – en temeer de rechter in kort geding – zich zeer terughoudend dient op te stellen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van de Staat op dit punt. Er is geen plaats voor een eigen, “volle” toetsing door de burgerlijke rechter; de rechter niet de taak om naar eigen oordeel belangen te wegen. Alleen als evident is dat de Staat onjuiste keuzes maakt en de Staat aldus niet in redelijkheid voor het gevoerde beleid heeft kunnen kiezen, is plaats voor rechterlijk ingrijpen.

2.3.

Eisers beroepen zich ter onderbouwing van hun vordering op richtlijnen van de WHO. De Staat heeft aangevoerd dat de specifieke richtlijn waarnaar eisers verwijzen meer ruimte laat op het gebied van mondkapjes in de klas dan eisers doen voorkomen. Volgens de Staat adviseert de WHO zeker niet altijd mondkapjes in de klas te dragen, maar slechts “where recommended”. Bovendien zijn landen niet verplicht om de adviezen van de WHO op te volgen; WHO-richtlijnen laten ruimte voor een eigen afweging om maatregelen al dan niet in te voeren. De Staat mag OMT-adviezen zwaarder laten wegen, omdat het OMT adviseert met het oog op de specifieke situatie in Nederland, aldus de Staat.

2.4.

Voor zover de Staat met het voorgaande betoogt dat de WHO niet zonder meer adviseert mondkapjes te dragen in de klas, kan dat betoog niet worden gevolgd. De woorden “where recommended” staan genoemd in een tabel in de richtlijn met een overzicht van mogelijk te nemen maatregelen. Die woorden duiden – anders dan de Staat veronderstelt – niet op een bepaalde – door de WHO ingecalculeerde - vrijheid met betrekking tot het al dan niet invoeren van een mondkapjesverplichting. In welke gevallen het dragen van een mondkapje door de WHO wordt aanbevolen (“recommended”), blijkt uit het vervolg van de richtlijn. Voor kinderen vanaf 12 jaar gelden in dit verband dezelfde aanbevelingen als voor volwassenen. Met hun vordering sluiten eisers dus aan op het advies van de WHO. Een en ander laat onverlet dat WHO-richtlijnen geen dwingend karakter hebben, maar adviezen behelzen gericht tot de staten die door nationale deskundigen voor de nationale situatie in hun advisering kunnen – of beter: behoren te – worden betrokken.

2.5.

Juist is dat het OMT niet adviseert om middelbare scholieren een mondkapje te laten dragen in de klas en dat de Staat in beginsel mag afgaan op adviezen van zijn nationale deskundigen. Hierbij is wel van belang dat het OMT adviseert binnen de door het kabinet gemaakte politieke keuzes ter bestrijding van het coronavirus, zoals in elk advies uitdrukkelijk voorop wordt gesteld. Dat brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter mee dat de Staat een eigen verantwoordelijkheid houdt om ook adviezen van de WHO in ogenschouw te nemen, die algemeen aanvaarde standaarden bevatten, en dat van de Staat een gedegen onderbouwing mag worden verwacht indien hij daarvan afwijkt. Een enkele verwijzing naar een andersluidend OMT-advies volstaat onder deze omstandigheden niet.

2.6.

De Staat heeft in de akte van 23 december 2020 opnieuw betoogd dat kinderen een beperkte rol spelen in de verspreiding van het coronavirus. Bij dat standpunt kunnen met de kennis van nu vraagtekens worden geplaatst. De door eisers in de dagvaarding genoemde buitenlandse bronnen bieden sterke aanknopingspunten voor het tegendeel en ook het OMT is inmiddels teruggekomen op het eerdere, tamelijk stellige, oordeel dat het besmettingsrisico van kinderen beperkt is. Op 3 november jl. heeft het OMT al gemeld zich zorgen te maken over de overdracht van het coronavirus onder adolescenten en jongeren en in het advies van 27 november jl. heeft het OMT genoteerd de oplopende aantallen besmettingen onder middelbare scholieren als een potentiële bron van besmetting en transmissie naar de verdere bevolking te zien. De veronderstelling dat kinderen een beperkte rol spelen in de verspreiding van het coronavirus geeft dan ook geen gegrond argument voor niet geven van een mondkapjes-advies in het voortgezet onderwijs.

2.7.

Niettemin geldt dat pas ruimte is voor ingrijpen als het gevolgde OMT-advies onbegrijpelijk is. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter al met al niet het geval. Daarvoor is het volgende redengevend.

2.8.

Het kabinet hanteert drie pijlers bij de aanpak van het coronavirus, te weten (i) een acceptabele belastbaarheid van de zorg, (ii) het beschermen van kwetsbare mensen in de samenleving en (iii) het zicht houden op en het inzicht houden in de verspreiding van het virus. Eisers hebben de rechtmatigheid van deze keuze op zichzelf niet aan de orde gesteld, zodat daarvan wordt uitgegaan.

2.9.

De voorzieningenrechter is met de Staat van oordeel dat de beslissing om geen mondkapjes in de lessen te adviseren past binnen voornoemde pijlers en dus in lijn is met de gemaakte politieke keuzes. Dit onderdeel van het beleid is dus consistent met het geheel van het beleid ter bestrijding van het coronavirus. Hoewel eisers terecht hebben aangevoerd dat kinderen niet onkwetsbaar zijn, staat voldoende vast dat, worden zij ziek, het ziekteverloop bij kinderen over het algemeen minder ingrijpend is dan bij volwassenen het geval kan zijn en kinderen dus als groep niet tot de kwetsbaren in de samenleving behoren. Om die reden zijn de maatregelen op scholen gericht op de eerste pijler: een acceptabele belastbaarheid van de zorg en komen zij neer op maatregelen om het zogenoemde reproductiegetal, de “R”, te beheersen of naar beneden te brengen. De generieke maatregelen op scholen zijn er dus, anders dan eisers graag zouden zien, niet op gericht om in individuele gevallen uit te sluiten dat leerlingen op middelbare scholen elkaar kunnen besmetten. Een ziekenhuisopname van een kind vanwege een coronabesmetting is vanzelfsprekend niet uitgesloten, maar kinderen met een coronabesmetting belanden doorgaans maar zelden om die reden in het ziekenhuis. Dat maakt dat het achterwege laten van een advies tot het dragen van een mondkapje in de klas te verantwoorden is met het oog op voornoemde pijlers en niet onbegrijpelijk is.

2.10.

Bij het voorgaande komt dat de Staat voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruik van mondkapjes in de klas een goed verloop van het onderwijs (enigszins) zal beperken. Een goede communicatie is essentieel voor kennisoverdracht, terwijl het dragen van een mondkapje een negatieve invloed heeft op de verstaanbaarheid en op het waarnemen van gezichtsuitdrukkingen. In hoeverre het onderwijs hieronder zal lijden en of het dragen van mondkapjes enkel daadwerkelijk belemmerend zal werken voor een zeer kleine groep van kinderen met een gehoorstoornis, is moeilijk te beoordelen, maar het staat de Staat vrij dit punt mee te laten wegen in zijn beslissing om geen mondkapjesadvies te geven in klassen. Daarbij komt nog dat het nut van het dragen van een mondkapje omstreden is en over het algemeen door Nederlandse deskundigen wordt aangenomen dat het nut daarvan beperkt is.

2.11.

De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat eisers (persoonlijk) bezwaren hebben tegen de door de Staat gemaakte keuze om geen mondkapjesadvies te geven voor middelbare scholieren in de klas. Maar het voorgaande leidt ertoe dat deze keuze de beperkte toets in kort geding kan doorstaan. Aan de Staat moet de vrijheid worden gegund om beleid te voeren ter bestrijding van het coronavirus, zeker onder de huidige – steeds veranderende – compliceerde omstandigheden waarin met verschillende belangen rekening moet worden gehouden. De Staat treedt met de gewraakte keuze niet buiten de grenzen van deze vrijheid. De nog voorliggende vordering zal dan ook, net als de andere vorderingen van eisers, worden afgewezen. De voorzieningenrechter merkt hierbij nog het volgende op. Te voorzien is dat (bij een heropening van de scholen) ouders in de knel kunnen komen doordat zij angst hebben voor coronabesmettingen van kwetsbare personen in hun huishouden of nabijheid als gevolg van de schoolgang van hun kinderen, terwijl niettemin de leerplicht voor hun kinderen in beginsel onverkort geldt. Gelet op het toenemende aantal besmettingen op middelbare scholen in de periode voorafgaand aan de schoolsluiting en de zorgen die het OMT hierover heeft geuit, is dat geen volstrekt irreële of ongegronde angst. De voorzieningenrechter neemt daarom aan dat de Staat, indien hij vasthoudt aan zijn beleid om geen extra maatregelen op scholen te treffen, in individuele gevallen enige mate van soepelheid zal hanteren voor het maken van uitzonderingen op de leerplicht. Daarnaast kan de door eisers in deze procedure overgelegde informatie bruikbaar zijn voor de verdere gedachtegang van de Staat over het al dan niet treffen van nadere maatregelen op scholen.

2.12.

Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

3 De beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1.

wijst het gevorderde af;

3.2.

veroordeelt eisers om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.636,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 656,-- aan griffierecht;

3.3.

bepaalt dat bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

3.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2021.

hvd