Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2667

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2021
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
AWB 19/5839 en AWB 19/6010
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

nareis Eritrea van gestelde echtgenote en pleegkinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/5839 en AWB 19/6010

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres 1], eiseres 1, [naam eiser], eiser, en

[naam eiseres 2] , eiseres 2, tezamen aangeduid als eisers,

V-nummers: [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3],

gemachtigde: mr. K. Logtenberg,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. H. El Hajoui.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis ten behoeve van eisers afgewezen.

Bij besluit van 2 juli 2019 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres 1 tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (AWB 19/5839).

Bij besluit van 2 juli 2019 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiseres 2 en eiser ongegrond verklaard (19/6010).

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

Verweerder heeft in beide procedures een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben aanvullende gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2020. Eisers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voorts is verschenen [naam referent], referent, en een tolk in de Eritrese taal.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op 17 juli 2016 aan referent, die is geboren op [geboortedatum referent] en de Eritrese nationaliteit heeft, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) toegekend. Eisers wensen verblijf bij referent in Nederland in het kader van nareis. Eiseres 1, geboren op [geboortedatum eiseres 1] met de Eritrese nationaliteit, is de gestelde echtgenote van referent. Eiser, geboren op [geboortedatum eiser] met de Eritrese nationaliteit, en eiseres 2, geboren op [geboortedatum eiseres 2] 2003 met de Eritrese nationaliteit, zijn de gestelde pleegkinderen van eiseres 1 en referent. Naar gesteld zijn deze kinderen broer en zus van referent.

Standpunt van verweerder in de zaak van de echtgenote

2. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiseres 1 ongegrond verklaard om de volgende redenen.

2.1.

Eiseres 1 heeft ongeloofwaardig verklaard over de kerkelijke huwelijksakte die zij heeft ingebracht. De naam van het bisdom is in de akte niet op dezelfde manier gespeld als de naam die de Rooms Katholieke kerk op haar website heeft staan. Dat het hier om een vertaalfout gaat, zoals eiseres stelt, gelooft verweerder niet. Verder heeft referent niet met officiële documenten aangetoond dat hij een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk heeft. Er is geen bewijsnood, volgens verweerder, omdat het huwelijk tussen referent en eiseres 1 niet als een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk kan worden aangemerkt. Toen het huwelijk werd gesloten, was eiseres 1 minderjarig.

De overgelegde akte merkt verweerder niet als substantieel indicatief bewijs aan, omdat hij niet kan vaststellen of het dorpshoofd van het dorp Akrur bevoegd was om te tekenen. Het huwelijk tussen referent en eiseres 1 is vanwege de minderjarigheid dus volgens de wetgeving van Eritrea niet rechtsgeldig. Verweerder heeft vervolgens nog getoetst of aan de voorwaarden voor partnerschap wordt voldaan. Dat is niet het geval, aldus verweerder.

2.2.

Eiseres 1 heeft haar identiteit onvoldoende aangetoond. Referent voert aan dat er in het dorp geen family residence card wordt afgegeven. Volgens verweerder komt die stelling niet overeen met wat de algemene ambtsberichten over Eritrea van de Minister van Buitenlandse Zaken van 6 februari 2017 en van 21 juni 2018 daarover vermelden. Referent heeft verder geen officiële documenten ingebracht, waaruit de identiteit van eiseres 1 blijkt. Bewijsnood is er volgens verweerder niet. Uit het ambtsbericht volgt dat eiseres 1 over een identiteitsbewijs moet hebben beschikt/moet beschikken.

Standpunt van verweerder in de zaak van de pleegkinderen

3. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser en eiseres 2 ongegrond verklaard om de volgende reden.

3.1.

Referent heeft ongeloofwaardige verklaringen afgelegd over het vertrek van eiser en eiseres 2 uit het weeshuis. Referent (geboren op [geboortedatum referent]) heeft eerst verklaard dat hij vanaf zijn elfde voor zijn broertje en zusje (geboren op [geboortedatum eiser] en op [geboortedatum eiseres 2] 2003) zorgde waarbij hij hulp kreeg van buren. Later heeft referent zijn verklaring bijgesteld en heeft hij verklaard dat er in het dorp een weeshuis was waar de kinderen verbleven en dat zij uit dat weeshuis zijn gezet toen zij vijf jaar werden. Volgens verweerder zijn in het ambtsbericht van 2017 en naar de TCEE van 1991 geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat in Eritrea niets geregeld is voor weeskinderen en dat kinderen op vijfjarige leeftijd uit het weeshuis worden gestuurd.

3.2.

De identiteit van betrokkenen is onvoldoende aangetoond. Gelet op de informatie in de ambtsberichten van 2017 en 2018 gelooft verweerder niet dat het in de woonplaats van referent niet gebruikelijk is dat er geen family residence cards worden afgegeven.

Verder vindt verweerder de verklaringen van referent over de schoolpassen ongeloofwaardig. Referent heeft namelijk eerst gesteld dat deze documenten verloren zijn gegaan toen zijn gestelde vrouw en pleegkinderen Eritrea wilden verlaten. Dit is echter gebeurd nadat referent al de aanvraag voor gezinshereniging had ingediend, dus verweerder verwacht dat referent dan kopieën van de schoolpassen had kunnen overleggen. Later heeft referent verklaard dat hij heeft bedoeld te verklaren dat de schoolpassen verloren zijn gegaan, toen hij zelf illegaal het land is uitgereisd. Dit vindt verweerder niet logisch, omdat de gestelde pleegkinderen op dat moment nog naar school gingen.

Dat referent op dit punt ongeloofwaardig heeft verklaard weegt verweerder mee bij de beoordeling of er sprake is van bewijsnood ten aanzien van de officiële documenten.

3.3.

Verder wijst verweerder er op dat, nu het gaat om pleegkinderen, moet blijken dat zij niet (meer) tot het gezin van de biologische ouders behoren. Referent heeft geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat de biologische ouders zijn overleden. Dus is niet duidelijk of referent de pleegkinderen mag laten reizen. Bewijsnood is er op dit punt niet, volgens verweerder. Uit het algemeen ambtsbericht van 2017 blijkt dat er een overlijdensakte wordt bijgehouden en dat een overlijden wordt geregistreerd in de databanken. Referent had die aktes dus moeten kunnen opvragen. Er zijn twee doopakten en twee schoolrapporten overgelegd, maar dat vormt volgens verweerder geen substantieel indicatief bewijs. De schoolrapporten zijn niet ondertekend door referent. De handgeschreven verklaring van - naar gesteld - het dorpshoofd leidt evenmin tot een ander oordeel.

Standpunt van de echtgenote en de pleegkinderen

4. Eisers hebben in beroep, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

4.1.

De overgelegde huwelijksakte is echt bevonden en er is geen sprake van een vertaalfout. Een en ander heeft te maken met de fonetische spelling.

4.2.

Eiseres 1 was opgepakt en durfde zich later niet meer tot de autoriteiten te wenden om een identiteitskaart aan te vragen. Zij durfde alleen naar het dorpshoofd te gaan op aandringen van referent. Gelet op het arrest van het Hof van 13 maart 2019 in de zaak E. had verweerder nader onderzoek moeten doen. Omdat zij niet over een identiteitsbewijs beschikte, kon zij geen family residence card aanvragen. De documenten die eiseres 1 heeft ingebracht zijn indicatief, nu haar gegevens daarop staan vermeld. Gelet op onder meer de Gezinsherenigingsrichtlijn en het arrest van het Hof van 13 maart 2019 had verweerder nader onderzoek moeten doen.

4.3.

Het is onjuist dat vóór 2015 gold dat huwelijken tussen minderjarigen en meerderjarigen niet werden erkend. Uit eerdere ambtsberichten blijkt dat dit wel mocht als het een vrijwillige overeenkomst was en ouders of de voogd toestemming hadden gegeven.

4.4.

Met betrekking tot de identiteit van deze kinderen kan verweerder - naast nader onderzoek - ook een DNA-onderzoek (laten) verrichten. Referent heeft zich altijd over zijn pleegkinderen ontfermd, ook toen hij zelf nog erg jong was. Toen hij ook handelingsbekwaam werd, kwamen de kinderen ook weer bij hem wonen. Van belang is dat referent op dat moment ook nog erg jong was, en dat van hem niet kan worden gevergd dat hij precies weet hoe het formeel en wettig was geregeld. Verweerder heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de minderjarigheid van de kinderen, aldus eisers. Eisers verwijzen naast het arrest van het Hof in de zaak E. van 13 maart 2019 en naar een aantal rechtbankuitspraken (onder meer een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 16 mei 2019 met zaaknummer AWB 18/9772).

Standpunt van de rechtbank

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

In Werkinstructie 2018/20 en paragraaf C1/4.4.6. van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat de gedragslijn die verweerder ten tijde van de bestreden besluiten in nareiszaken volgde. De nareiziger moet zijn identiteit en familierechtelijke relatie met de referent in beginsel aantonen door het overleggen van officiële documenten. Als hij dat niet kan, moet hij uitleggen waarom en hij moet zoveel mogelijk (niet-officiële) indicatieve documenten overleggen. Bij het ontbreken van officiële documenten beoordeelt verweerder of er sprake is van bewijsnood. Als betrokkene voldoende kan uitleggen waarom hij niet aan officiële documenten kan komen of substantieel indicatief bewijs overlegt, biedt verweerder in beginsel nader onderzoek aan.

De zaak van de echtgenote

5.2.

Eiseres 1 heeft geen officiële documenten overgelegd waarmee zij haar identiteit en huwelijk aantoont. Zij heeft ook geen toereikende verklaring gegeven waarom zij die documenten niet heeft kunnen verkrijgen. De rechtbank trekt deze conclusie op basis van de volgende overwegingen.

5.2.1.

Verweerder heeft vastgesteld dat de naam van het bisdom, die op de kerkelijke huwelijksakte staat, niet hetzelfde is gespeld als de naam die de Rooms Katholieke kerk op de website heeft staan. Dat dit met de fonetische spelling heeft te maken - en niet met een vertaalfout zoals zij eerder had gesteld - heeft eiseres verder niet onderbouwd. Het ligt voor de hand dat een kerkelijke instantie de eigen naam correct vermeldt. De conclusie van het Bureau Documenten (22 augustus 2018) bij de kerkelijke akte is dat dit document niet kan worden beoordeeld, omdat er, gelet op het beschikbare vergelijkingsmateriaal, geen waardeoordeel mogelijk is. Dat is dus iets anders dan eiseres 1 stelt, namelijk dat de akte echt is bevonden. Verweerder heeft verder aangegeven dat het huwelijk volgens de toen geldende Eritrese wetgeving niet rechtsgeldig is, omdat eiseres 1 bij de voltrekking ervan nog minderjarig was. Daarop kan een uitzondering worden gemaakt als dat in een overeenkomst wordt vastgelegd en de ouders toestemming hebben gegeven, aldus eiseres 1, en verweerder weerspreekt dat niet. Dat die overeenkomst er was en toestemming was verleend, heeft eiseres 1 echter niet aangetoond.

5.2.2.

Eiseres 1 heeft geen officiële identificerende documenten overgelegd. Zij geeft als verklaring daarvoor dat zij zelfvoorzienend was, dus niet was aangewezen op voorzieningen van de autoriteiten en dus niet geregistreerd behoefde te zijn. Uit het gehoor van 21 augustus 2018 blijkt echter dat zij volgens referent wel was geregistreerd bij het lokale registratiekantoor om suiker en rantsoenen te kunnen ontvangen. Deze verklaringen komen dus niet met elkaar overeen. Bovendien blijkt uit het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 21 juni 2018 dat er in Eritrea bijna geen Eritreeërs zijn zonder een identiteitsdocument, ook niet op het platteland. Het zou dan alleen om nomaden gaan, die zoveel mogelijk met de autoriteiten te maken willen hebben. Eiseres 1 heeft niet gesteld of aangetoond dat zij tot een groep van nomaden behoort. Dat eiseres 1 zich in een later stadium niet meer tot de autoriteiten durfde te wenden, omdat zij eerder was opgepakt, heeft zij niet nader heeft onderbouwd. Gelet op de ambtsberichten van 6 februari 2017 en van

21 juni 2018 heeft verweerder verder niet ten onrechte de conclusie getrokken dat eiseres 1, anders dan zij zelf zegt, toch wel aan een residence card had moeten kunnen komen.

Volgens referent is eiseres 1 in 2016 opgepakt toen zij uit Eritrea probeerde te vluchten. In 2013 is zij meerderjarig geworden. Vanaf dat moment heeft zij bij de autoriteiten een identiteitskaart kunnen aanvragen. Dat zij zich van 2013 tot 2016 staande zou hebben kunnen houden zonder een identiteitskaart is volgens verweerder onwaarschijnlijk. In bezwaar voert eiseres 1 aan dat de Ethiopische autoriteiten standaard identiteitsbewijzen hebben ingenomen, maar dat past niet bij haar stelling in beroep dat zij nooit een officieel identiteitsbewijs heeft gehad.

Het beroep van eiseres 1 op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van

16 mei 2019 (AWB 18/9772) slaagt niet, nu het in die zaak gaat om een gehuwde vrouw die was vrijgesteld van de militaire dienstplicht en die om die reden niet over een identiteitskaart hoefde te beschikken. De situatie van eiseres 1 is echter een andere. Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2019 (AWB 18/7411) slaagt evenmin, nu het in die zaak een vrouw betreft, die over een bewonerskaart met de toevoeging “B” (dit betekent dat zij nooit een eigen identiteitskaart heeft gehad) beschikte. Een dergelijke bewonerskaart heeft eiseres 1 niet overgelegd.

Eiseres 1 heeft verder nog gesteld dat haar bekering tot het protestantisme het verkrijgen van officiële documenten sterk heeft bemoeilijkt. Dat zij en de pleegkinderen daadwerkelijk zijn overgegaan naar het protestantisme en dat dat aan de afgifte van officiële documenten in de weg heeft gestaan, heeft eiseres 1 echter niet aannemelijk gemaakt.

5.3.

Eiseres heeft verder geen substantiële indicatieve documenten overgelegd op basis waarvan verweerder nader onderzoek had moeten aanbieden. De rechtbank trekt die conclusie om de volgende reden.

5.3.1.

Overgelegd is een kerkelijke huwelijksakte en een door een persoon, genaamd [naam] (naar gesteld het dorpshoofd), ondertekende verklaring. Verweerder heeft de kerkelijke huwelijksakte in het verweerschrift naar aanleiding van de Afdelingsuitspraak van 16 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1509) als indicatief bewijs aangemerkt. Of het gestelde dorpshoofd bevoegd was die verklaring te ondertekenen blijkt niet. Verweerder heeft op basis van de informatie in het ambtsbericht van 2017 over de administratieve structuur in Eritrea die bevoegdheid van het dorpshoofd ook niet kunnen plaatsen. De identiteit van het dorpshoofd is verder ook niet onderbouwd.

De zaak van de pleegkinderen

5.4.

Verweerder heeft niet ten onrechte vastgesteld dat er in deze zaak geen officiële documenten zijn overgelegd en dat er ook geen goede verklaring is waaruit blijkt dat die voor de pleegkinderen ook niet konden worden verkregen. De rechtbank trekt die conclusie vanwege het volgende.

5.4.1.

Referent heeft in eerste instantie verklaard dat hij vanaf zijn elfde jaar voor eiser en eiseres 2 zorgde en dat hij daarbij ook hulp kreeg van de buren. Vervolgens heeft referent verklaard - naar aanleiding van doorvragen op dit punt - dat er een weeshuis in het dorp was waar eiser en eiseres 2 hebben verbleven tot zij vijf jaar oud werden. Na het bereiken van die leeftijd werden zij uit het weeshuis gezet. Verweerder heeft dit niet onrechte ongeloofwaardig bevonden. Referent heeft deze (bijgestelde) verklaring ook niet onderbouwd met stukken. Uit het algemeen ambtsbericht uit 2017 en de TCEE van 1991 volgt, aldus verweerder, niet dat er niets is geregeld voor weeskinderen en dat weeskinderen op vijfjarige leeftijd uit het weeshuis worden gestuurd. Dat referent zelf op dat moment nog jong was en dat van hem niet kan worden gevergd dat hij weet hoe het formeel precies was geregeld, is denkbaar, aldus verweerder, maar referent had dan op latere leeftijd (hij was

22 jaar toen hij in 2014 uit Eritrea vertrok) nog kunnen uitzoeken hoe de voogdij formeel was geregeld.

5.4.2.

Dat het in hun woonplaats niet gebruikelijk was een family residence card af te geven acht verweerder, gelet op het algemeen ambtsbericht van 2017 en 2018, erg onwaarschijnlijk. Wat de schoolpassen betreft heeft referent verklaard dat die verloren zijn gegaan toen de pleegkinderen Eritrea wilden verlaten. Dit moet dan gebeurd zijn nadat referent een aanvraag voor gezinshereniging heeft ingediend. Bij die aanvraag had hij dus kopieën van de (toen nog aanwezige) schoolpassen kunnen meezenden. Later heeft referent verklaard dat hij eerder niet heeft bedoeld te verklaren dat de schoolpassen zijn ingenomen toen eiser en eiseres 2 een poging hebben ondernomen om de grens te passeren, maar dat hij op dat moment doelde op zijn eigen uitreis. Tijdens zijn asielprocedure heeft referent echter niet verklaard dat deze passen bij zijn uitreis verloren zijn gegaan. Het ligt ook niet voor de hand dat referent deze schoolpassen zou hebben meegenomen. De pleegkinderen gingen op dat moment nog naar school. Bovendien hadden zij nieuwe schoolpassen gekregen, als hun oude schoolpassen verloren zouden zijn gegaan.

5.4.3.

Eiser en eiseres 2 hebben verder niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet over officiële documenten beschikken die de identiteit van de biologische ouders en de familierechtelijke relatie met hen aantonen. Uit het algemeen ambtsbericht van 21 juni 2018 blijkt dat alle burgers in beginsel beschikken over één of meerdere identiteitsdocumenten, zoals een geboorteakte. Verder blijkt uit het ambtsbericht van 6 februari 2017 dat geboorteaktes ook geruime tijd na de geboorte worden afgegeven. Eiser en eiseres 2 hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat hun biologische ouders zijn overleden en dat zij geen officiële documenten kunnen inbrengen. Verweerder heeft verwezen naar het algemeen ambtsbericht van 6 februari 2017 waarin staat dat het overlijden van een persoon wordt geregistreerd en dat de Sub-Zoba overlijdensaktes kan uitprinten.

5.4.4.

Er zijn geen officiële documenten overgelegd waaruit de feitelijke gezinsband tussen de pleegkinderen en referent blijkt. Referent heeft in de gronden van bezwaar van

4 september 2017 verklaard dat hij stukken, die betrekking hebben op de pleegkinderen, is kwijtgeraakt tijdens zijn vlucht uit Eritrea. Om welke stukken het ging heeft hij niet duidelijk gemaakt. Tijdens het gehoor op 21 augustus 2018 heeft referent echter verklaard dat de voogdij niet formeel was geregeld. Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 29 juli 2019 (AWB 19/1200) slaagt niet, nu onvoldoende is aangetoond dat sprake is van een vergelijkbare zaak. In die zaak was een voogdijbrief overgelegd en had de vreemdeling volgens de rechtbank plausibele verklaringen afgelegd over het ontbreken van documenten met betrekking tot het overlijden van de biologische ouders.

5.5.

Eiser en eiseres 2 hebben verder geen substantiële indicatieve documenten overgelegd, op basis waarvan verweerder een nader onderzoek had moeten aanbieden. De rechtbank komt tot die conclusie om de volgende reden.

5.5.1.

Er zijn twee doopaktes van het bisdom Seghenelty, afgegeven op 25 september 2017, en twee schoolrapporten van het jaar 2011/2012 als indicatieve documenten overgelegd. Deze documenten bevatten geen identificerende kenmerken, zoals pasfoto’s. Ze maken daarom de identiteit van betrokkenen niet verder aannemelijk. Op de doopaktes worden weliswaar de namen van biologische ouders genoemd, maar of dat daadwerkelijk de biologische ouders van betrokkenen zijn blijkt niet. De identiteit van de gestelde biologische ouders staat immers niet vast. Uit de ingebrachte schoolrapporten blijkt ook niet wie de biologische ouders zijn, nu zij op deze documenten niet worden genoemd.

5.5.2.

De doopaktes en schoolrapporten kunnen ook niet als substantieel indicatief bewijs worden aangemerkt van de feitelijke gezinsband tussen de pleegkinderen en referent. Op de doopaktes is immers niet vermeld dat eiser en eiseres 2 pleegkinderen van referent zijn en de schoolrapporten zijn niet door referent ondertekend. De overgelegde verklaring van het gestelde dorpshoofd leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwijst hiervoor naar wat eerder over de identiteit en de bevoegdheid van het dorpshoofd is overwogen.

5.5.3.

Het beroep op het arrest in de zaak E. van het Hof van 13 maart 2019 slaagt niet ten aanzien van eiser en eiseres 2, die nog minderjarig waren ten tijde van de mvv-aanvraag. Nu de gestelde pleegrelatie niet aannemelijk is gemaakt, heeft verweerder geen ruimere onderzoeksplicht hoeven aanvaarden. Voor zover eiser en eiseres 2 in de aanvullende beroepsgronden van 12 oktober 2020 hebben gewezen op de gestelde schrijnende omstandigheden in Addis Abeba (Ethiopië), waar zij thans zouden verblijven, hebben zij dit niet nader onderbouwd. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eiser en eiseres 2. Verweerder heeft in deze zaak geen DNA-onderzoek hoeven te laten verrichten. Dat onderzoek zou alleen kunnen bewijzen dat zij de broer en zus van referent zijn, maar niet dat zij ook diens pleegkinderen zijn.

6. De beroepen zijn ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 19 maart 2021.

griffier rechter

De rechter is verhinderd te tekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.