Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2646

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5158
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen verlening omgevingsvergunning. Artikel 6:13 Awb. Eiser heeft niet tijdig een zienswijze ingediend. Geen sprake van feiten en omstandigheden die maken dat eiser niet kan worden verweten dat hij geen zienswijze heeft ingediend. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/5158

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Katwijk, verweerder

(gemachtigde: E. Houben).

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] (vergunninghouders), te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan [A] een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van het perceel [weg] te [plaats] voor woon- en tuindoeleinden.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op 18 oktober 2018 heeft [A] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het gebruiken van het perceel [weg] te [plaats] voor woon- en tuindoeleinden. Verweerder heeft het ontwerpbesluit op deze aanvraag ter inzage gelegd van 5 april 2019 tot en met 16 mei 2019. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen, waarbij verweerder met het verlenen van de omgevingsvergunning toestemming heeft verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder onzorgvuldig heeft getoetst op onder andere verkeersveiligheid en de aanwezigheid van een houtverwerkingsbedrijf grenzend aan het perceel. Het houtverwerkingsbedrijf is gevestigd met een milieucategorie 2. Dit heeft als norm een richtafstand tot een woonomgeving van 10 tot 30 meter. In het ontwerpbesluit bedraagt de afstand slechts 4 meter. Eiser stelt dat hem niet kan worden verweten geen zienswijze tegen het ontwerpbesluit te hebben ingediend, nu reeds minstens twintig jaar niets op het perceel is uitgevoerd. Eiser kon ook geen zienswijze indienen omdat hij van 22 tot en met 31 maart 2019 op vakantie was. Deze reis duurde met de terugreis, de voorbereidingen en de afwikkelingen van ongeveer 20 maart tot en met 10 april 2019. Tot slot stelt eiser dat het de vraag is of het plaatselijke huis-aan-huisblad, waarin het ontwerpbesluit is gepubliceerd, wel is bezorgd.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat eiser niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht tegen het ontwerpbesluit. Verweerder heeft het door eiser op 11 juli 2019 ingediende bezwaarschrift aangemerkt als een zienswijze tegen het ontwerpbesluit, als bedoeld in artikel 3:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze zienswijze is buiten de wettelijke terinzageleggingstermijn van 5 april 2019 tot en met 16 mei 2019, zoals bedoeld in artikel 3:16, eerste lid, van de Awb, ingediend. Verweerder acht de zienswijze daarom niet-ontvankelijk. Nu eiser niet tijdig een zienswijze heeft ingebracht, is het beroep op grond van artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk. Verweerder ziet geen aanknopingspunten op grond waarvan eiser niet zou kunnen worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze heeft ingediend.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1

De rechtbank heeft [A] bij brief van 19 oktober 2020 meegedeeld dat eiser beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit en [A] in zijn hoedanigheid als vergunninghouder als belanghebbende aangemerkt. Bij e-mail van 20 oktober 2020 heeft [A] de rechtbank meegedeeld dat hij het perceel waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, in juli 2020 heeft verkocht aan vergunninghouders. Hierna heeft de rechtbank vergunninghouders aangemerkt als belanghebbenden en in de gelegenheid gesteld als partij aan de procedure deel te nemen.

4.2

De rechtbank dient op de eerste plaats ambtshalve te toetsen of het beroep tijdig is ingediend. Het bestreden besluit is op 7 juni 2019 bekendgemaakt. Dit betekent dat de wettelijke termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift tot en met 19 juli 2019 liep. Eiser heeft op 11 juli 2019 bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit, waarna verweerder eiser erop heeft geattendeerd dat alleen de mogelijkheid van beroep tegen het bestreden besluit open staat. Eiser heeft vervolgens op 26 juli 2019 beroep ingesteld. In artikel 6:15, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan, het, onder vermelding van de datum van ontvangst, zo spoedig wordt mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Op grond van het derde lid is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft verzuimd het door eiser ingediende bezwaarschrift van 11 juli 2019 op grond van artikel 6:15 van de Awb door te sturen naar deze rechtbank. Nu eiser binnen de wettelijke termijn van zes weken bezwaar heeft gemaakt en de rechtbank dit bezwaarschrift als beroepschrift aanmerkt, is het beroepschrift tijdig ingediend.

4.3

Op grond van artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht.

4.4

De rechtbank stelt vast dat in de rubriek Bekendmakingen gemeente Katwijk van het huis-aan-huisblad “De Rijnsburger” van 4 april 2019 is gepubliceerd dat het ontwerp van de omgevingsvergunning van 5 april 2019 tot en met 16 mei 2019 ter inzage lag voor het indienen van zienswijzen. Een dergelijke publicatie heeft tevens in de Staatscourant van 5 april 2019 plaatsgevonden. In de publicaties wordt vermeld dat een papieren versie van het besluit met bijbehorende stukken ter inzage ligt in het gemeentehuis. Naar het oordeel van de rechtbank voldoen de kennisgeving van het ontwerpbesluit en de wijze van terinzagelegging hiervan aan het bepaalde in de artikelen 3:11, eerste lid, en 3:12 van de Awb.

4.5

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een gebrekkige bezorging van een huis-aan-huis blad, wat daar verder ook van zij, niet met zich meebrengt dat belanghebbenden zich niet hoeven in te spannen om van de inhoud van de niet ontvangen edities toch kennis te nemen, ofwel om zich langs andere weg, zoals door raadpleging van de Staatscourant of de website van de gemeente, op de hoogte te stellen van de voor hen van belang zijnde ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening. Het voorgaande is slechts anders indien de bezorging in het algemeen zodanige gebreken vertoont dat het bestuursorgaan dit blad niet als middel ter kennisgeving had mogen gebruiken.1 Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval niet gebleken van zodanige gebreken in de bezorging dat verweerder het ontwerpbesluit niet had mogen publiceren in dit huis-aan-huis blad. In dit verband overweegt de rechtbank dat eiser ook op andere wijzen kennis had kunnen krijgen van de inhoud van de betreffende editie van het huis-aan- huis blad. Eiser heeft dat echter nagelaten.

4.6

Niet in geschil is dat eiser niet voor 16 mei 2019 een zienswijze bij verweerder heeft ingediend. Voor zover het bezwaarschrift van 11 juli 2019 als zodanig was bedoeld is dat te laat ingediend. De door eiser gestelde omstandigheid dat hij in verband met een vakantie niet in staat was tijdig een zienswijze in te dienen, vormt geen reden om eiser niet te verwijten dat hij geen zienswijze heeft ingediend. Het had op zijn weg gelegen om zorg te dragen voor een adequate behartiging van zijn belangen tijdens zijn vakantie. Bovendien lag het ontwerpbesluit na eisers gestelde afwikkelingen van zijn vakantie op 10 april 2019 nog ter inzage tot en met 16 mei 2019. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van feiten en omstandigheden die maken dat eiser redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen zienswijze heeft ingediend. Eisers stelling dat op het betreffende perceel al minstens twintig jaar niets is uitgevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

5. Het beroep is niet-ontvankelijk.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.G. van Egeraat, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4690.