Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2507

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
AWB 20/7549 en AWB 20/7550
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VK, beroep ongegrond en vovo afgewezen, aanvraag humanitair tijdelijk ivm mensenhandel, verweerder mag uitgaan van sepotbeslissing OM, art. 3.48, lid 1 sub a Vb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/7549 en AWB 20/7550

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser], geboren op [1990], met de Nigeriaanse nationaliteit, eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 24 juli 2020 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘tijdelijke humanitaire gronden’ afgewezen.

Bij besluit van 9 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Eiser heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening in te stellen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2021. Eiser is met voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Ter onderbouwing heeft eiser een verklaring overgelegd waaruit volgt dat hij geen inkomen en vermogen heeft. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het verzoek kan worden toegewezen. Eiser wordt vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft aangifte gedaan, omdat hij slachtoffer is geworden van mensenhandel. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft een sepotbesluit genomen op 28 juli 2020. Hierin staat dat er geen vervolging wordt ingesteld, omdat Nederland geen rechtsmacht heeft voor de gepleegde feiten. De aangifte biedt volgens het OM onvoldoende aanknopingspunten om het onderzoek over te dragen aan Italië.


Standpunt verweerder

3. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat de aangifte niet is gedaan binnen drie maanden na indiening van de asielaanvraag. Gelet op het beleid kan worden beslist zonder het bericht van het OM af te wachten. In dit geval wordt het bericht van het OM niet afgewacht omdat de Dublinoverdracht hiermee mogelijk wordt belemmerd. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden van Paragraaf B8/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het OM bij besluit van 28 juli 2020 al tot de conclusie is gekomen dat de door eiser tegenover de politie afgelegde verklaring en het nader verrichte onderzoek door de politie niet tot een nader strafrechtelijk onderzoek kunnen leiden. Omdat er geen nadere aanknopingspunten zijn om tot mogelijke verdachten te komen heeft het OM besloten de zaak voortijdig te beëindigen. Eisers aanwezigheid in Nederland wordt voor het OM niet noodzakelijk geacht. Indien eiser het niet eens is met het besluit van het OM, moet hij zich wenden tot de politie en/of het OM. Verweerder merkt op dat niet het slachtofferschap leidt tot een B8 vergunning. Of de aangifte leidt tot het kunnen opsporen en vervolgen van mensenhandelaren is doorslaggevend voor het verkrijgen van een B8 vergunning. Er is in eisers geval geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels en de aanvraag toch in te willigen.


Standpunt eiser

5. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Eiser heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard. De uitgebreide verklaringen hadden aanleiding moeten geven om de beslissing van het OM in afwijking van het beleid af te wachten. Eiser heeft verder aangevoerd dat op verweerder een verplichting rust om per zaak te bezien of het besluit van het OM terecht is. Eiser meent dat in zijn geval tot een onjuiste conclusie is gekomen. Hij heeft immers duidelijk verklaard over de gebeurtenissen. Verweerder heeft niet een volledig beeld van de situatie over eisers slachtofferschap. Eiser verwijst in dit kader naar een artikel van Trouw van 30 juli 2019 ‘Staatssecretaris, bescherm slachtoffers van mensenhandel’. De gevolgen van het bestreden besluit zijn onevenredig. Verweerder had toepassing moeten geven aan artikel 4:84 van de Awb.

6. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het vloeit uit voldoende bronnen voort dat destijds ten onrechte is bepaald dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Eiser verwijst naar het AIDA rapport (2019 update) van 27 mei 2020. Hieruit volgen de problemen in de opvangvoorzieningen.
Oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) bepaalt dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdende met tijdelijke humanitaire gronden kan worden verleend aan de vreemdeling die slachtoffer-aangever is van mensenhandel, voor zover er sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. Een verdere uitwerking hiervan is terug te vinden in paragraaf B8/3.1 van de Vc, waarbij voor Dublinclaimanten aparte regels gelden. Voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vergunning is dat er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek en dat het verblijf van de aangever in het belang van dit onderzoek noodzakelijk is. Tussen partijen is niet in geschil dat het strafrechtelijk onderzoek is geseponeerd. Daarom is niet voldaan aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van een strafrechtelijk onderzoek of vervolgingsonderzoek. Dat eiser uitgebreid zou hebben verklaard doet het aan het voorgaande niet af. Verweerder mag uitgaan van het besluit tot seponering van het OM. De beroepsgrond slaagt niet.

8. De rechtbank overweegt over de situatie in Italië als volgt. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Italië zijn internationale verplichtingen zal nakomen. Bij uitspraak van 19 december 20181 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) geoordeeld dat, hoewel de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië bepaalde tekortkomingen kennen, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ook in meer recentere uitspraken2 heeft de ABRvS geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Eiser heeft niet aangevoerd waarom dat in zijn geval anders is. De beroepsgrond slaagt niet.


Conclusie

9. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft besloten dat eiser ingevolge genoemde regelgeving niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E. van Gestel, griffier. De beslissing is uitgesproken op 8 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RVS:2018:4131

2 Uitspraken van 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1861, van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986 en 987, van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2129 en van 15 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2449