Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2504

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2021
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
C/09/607460 / JE RK 21-256
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VOTS (art. 1:257 BW); afwijzing gesloten MUHP (6.1.2 Jw). Minderjarige werkt mee met behandeling in open instelling, gesloten plaatsing niet in haar belang. Sprake van victim blaming na verkrachting. Verdere zorgen niet nader geconcretiseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Kinderrechter

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/607460 / JE RK 21-256

Datum uitspraak: 23 februari 2021

Beschikking van de kinderrechter

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp na een spoedmachtiging

in de zaak naar aanleiding van het op 15 februari 2021 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),

betreffende:

- [minderjarige] geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] ,

advocaat: mr. B.J. de Bruijn te Den Haag.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats]

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

Bij beschikking d.d. 15 februari 2021 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van 15 februari 2021 tot 25 februari 2021 en voor dezelfde duur een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven, en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot deze zitting.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:

- voornoemde beschikking d.d. 15 februari 2021;

- de instemmingsverklaring d.d. 15 februari 2021 van een gedragswetenschapper als bedoeld

in artikel 6.1.2, zesde lid, van de Jeugdwet, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren

heeft onderzocht.

Op 23 februari 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- mw. [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;

- mw. [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling.

- de moeder;

- [minderjarige] , bijgestaan door haar advocaat.

[minderjarige] is in bijzijn van haar advocaat tevens in raadkamer gehoord.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] , met toepassing van artikel 1:257 van het Burgerlijk Wetboek en tot machtiging [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de periode van drie maanden. De Raad heeft het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging als gevolg van de persoonlijke problematiek van [minderjarige] . De moeder is de grip op [minderjarige] kwijt. Bij de [groep] is sprake van een positieve ontwikkeling in (het meewerken aan) de behandeling, maar het wegloopgedrag van [minderjarige] is zeer zorgelijk. Lopende het onderzoek zal in beeld moeten worden gebracht hoe de plaatsing zo kan worden ingekaderd dat terugplaatsing mogelijk is.

De moeder heeft aangegeven dat het wegloopgedrag van [minderjarige] een risico vormt, omdat men niet weet waar zij is, maar vraagt zich af of plaatsing in de gesloten jeugdhulp [minderjarige] zal helpen. De hulpverlening heeft steken laten vallen door de hulpvraag van [minderjarige] niet adequaat op te pakken.

Door en namens [minderjarige] is verweer gevoerd. De advocaat van [minderjarige] heeft primair verzocht het verzoek tot gesloten machtiging af te wijzen, en subsidiair verzocht de gesloten plaatsing in de vorm van een time-out aanzienlijk in duur te bekorten. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. [minderjarige] kan zelf goed aangeven wat zij nodig heeft en welke hulpvragen zij heeft. Zij vraagt al een tijd om hulpverlening gericht op het verwerken van haar verleden, met name de gebeurtenissen rondom het alcohol- en drugsgebruik van haar vader, maar deze hulpvragen worden niet snel genoeg opgepakt. De frustratie die [minderjarige] daardoor ervaart is begrijpelijk. [minderjarige] ziet in dat haar keuze om weg te lopen niet goed was, maar er is een duidelijke koppeling te maken tussen haar frustratie en het weglopen. Het is de vraag of plaatsing in de gesloten jeugdhulp niet een te vergaand middel is, nu het afgezien van het wegloopgedrag beter gaat met [minderjarige] . Zij laat zelfreflectie zien, stelt zich coöperatief op en wenst behandeling. Het is tekenend dat ook de gedragswetenschapper twijfel laat zien in de instemmingsverklaringen, en in eerste instantie ook niet instemde met verblijf in de gesloten jeugdhulp. [minderjarige] voelt zich niet veilig op de gesloten groep waar zij nu verblijft vanwege de vele alarmsituaties. Deze korte periode van gesloten plaatsing heeft al veel indruk gemaakt op [minderjarige] . Er dient snel een concreet toekomstperspectief te komen, waarin wordt gefocust op de hulpverlening die [minderjarige] nodig heeft en haar groei richting volwassenheid.

Beoordeling

Op grond van de informatie, zoals gebleken uit het verzoekschrift en de daarbij gevoegde bijlagen en uit de verklaringen van de gehoorde personen, komt de kinderrechter tot het oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is dat [minderjarige] , hangend een nader in te stellen onderzoek naar de vraag of de ondertoezichtstelling geboden is, voorlopig onder toezicht wordt gesteld. Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt. Er zijn al langere tijd zorgen over de kwetsbaarheid en persoonlijkheidsontwikkeling van [minderjarige] . Sinds enkele maanden woont [minderjarige] bij meidengroep [groep] van [verblijfplaats 1] na enkele crisis- en overplaatsingen. Ook vanuit [groep] worden zorgen gemeld omtrent de seksuele ontwikkeling van [minderjarige] en recent wegloopgedrag. Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om in de komende drie maanden te onderzoeken welk kader passend is om [minderjarige] en het gezin te begeleiden bij de reeds ingezette hulpverlening. Nadien zal moeten worden bezien of hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk is.

Ten aanzien van het verzoek tot machtiging tot gesloten uithuisplaatsing is de kinderrechter, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat er ten aanzien van de opgroei- en opvoedingsontwikkeling van [minderjarige] weliswaar zorgen zijn, zoals hiervoor vermeld, maar dat onvoldoende is gebleken dat het langere verblijf in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan de jeugdhulp die zij nodig heeft onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. De kinderrechter deelt het standpunt van de gedragswetenschapper ten aanzien van de nazorg en de houding van de betrokken partijen nadat [minderjarige] in december 2020 is verkracht. In het verzoekschrift wordt gesteld dat de verkrachting en de daardoor opgelopen geslachtsziekte het gevolg zijn van haar risicovolle gedrag. Ook is door de politie en door een (andere) advocaat afgeraden om aangifte te doen, en eenmaal terug op de groep werd zij aan strengere regels onderworpen. Deze vormen van ‘victim blaming’ dragen allerminst bij aan de ontwikkeling van [minderjarige] en geven haar het gevoel dat wat er is gebeurd haar eigen schuld is en dat zij wordt gestraft. Aan [minderjarige] is dus niet de juiste ondersteuning gegeven die zij nodig heeft bij het verwerken van deze nare gebeurtenis.

Verder merkt de gedragswetenschapper terecht op dat in de verzoekschriften melding wordt gemaakt van zorgen, maar dat deze niet nader worden geconcretiseerd. [minderjarige] zou “ergens dieper in verwikkeld” zijn, maar waar deze aanname op is gebaseerd blijft onduidelijk.

[minderjarige] stelt zich in de behandeling bij [groep] meewerkend op en heeft een duidelijke hulpvraag, zijnde therapie gericht op het verwerken van haar verleden en de negatieve impact die het alcohol- en drugsgebruik van de vader op haar hebben (gehad).

[minderjarige] heeft aangegeven dat het haar gaat lukken om het behandeltraject bij [groep] zonder verdere wegloopincidenten voort te zetten als er duidelijke afspraken worden gemaakt. Zij ziet in dat het verdere vervolg afhankelijk is van haar eigen gedrag en inzet.

De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat een langer durende gesloten plaatsing niet in het belang is van [minderjarige] en haar motivatie ernstig zou kunnen ondermijnen. De indruk bestaat dat zij een “wake up call” heeft gehad door de periode die zij bij [verblijfplaats 2] heeft doorgebracht. [minderjarige] zal daarom nog een kans worden geboden om zich bij [groep] aan de regels te gaan houden, niet meer weg te lopen en haar goede wil en inzet te tonen. Het verzoek tot machtiging voor gesloten jeugdhulp zal dus worden afgewezen.

De plaatsing en behandeling bij [groep] dienen te worden voortgezet. De kinderrechter wijst de Raad in dat kader op het feit dat het noodzakelijk is dat een aparte machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht voor het continueren van het verblijf van [minderjarige] op [groep] , nu de voorlopige ondertoezichtstelling zal worden uitgesproken en het verzoek tot gesloten machtiging zal worden afgewezen.

De beslissing luidt als volgt.

Beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige] van 25 februari 2021 tot 15 mei 2021 voorlopig onder toezicht van de Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;

wijst af het verzoek tot machtiging tot gesloten jeugdhulp;

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen terechtzitting gelegen vóór 15 mei 2021;

gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:

- de Raad voor de Kinderbescherming;

- Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;
- de moeder;
- [minderjarige] .

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2021 door mr. A.J. Japenga, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kokx als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 5 maart 2021.

Voor zover deze uitspraak betrekking heeft op de machtiging tot uithuisplaatsing, kan hoger beroep worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.