Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2487

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 951
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vw heeft geen onderzoek gedaan of in geval van Vz sprake is van een bijzondere levensstijl. Gezien de verklaringen van de (med) hulpverleners had dit wel nader moeten worden onderzocht. Vovo toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/951

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 maart 2021 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.J. de Jongh),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten, verweerder

(gemachtigde: M. Schuurman).

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2021 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 1 december 2020 om een uitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van skype plaatsgevonden op 8 maart 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, alsmede door [A] (begeleider van Stichting De Binnenvest). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat alleen een voorlopige voorziening kan worden getroffen, wanneer de belanghebbende daar een spoedeisend belang bij heeft. Verzoeker heeft gemotiveerd aangegeven dat hij niet langer in staat is zijn vaste lasten te betalen en hij zijn woning dreigt te verliezen, doordat hij sinds 30 september 2020 geen inkomsten meer heeft. De voorzieningenrechter acht daarmee gegeven dat verzoeker voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening.

3. Verweerder heeft het recht op bijstand van verzoeker per 30 september 2020 ingetrokken. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek van de sociale recherche is gebleken dat verzoeker niet woont op het adres [adres] [huisnummer] te [plaats] . Vervolgens heeft verweerder een aanvraag van verzoeker van 22 oktober 2020 afgewezen omdat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Aan de thans onderliggende afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de woonsituatie van verzoeker niet duidelijk is.

4. Verzoeker betwist verweerders standpunt dat hij niet woont op het door hem opgegeven adres. Verzoeker stelt dat hij een andere leefwijze heeft dan andere mensen. Zo verbruikt hij bijna geen water, gas en elektra, maar is zijn verbruik ten opzichte van de situatie ten tijde van de eerdere intrekking wel hoger. Verzoeker erkent dat er veel dozen met spullen in zijn huis staan, maar omdat hij alleen woont is er niemand die daar last van heeft. Zijn bel is kapot en hij kan zich niet herinneren of hij gebonk op zijn deur heeft gehoord in de vroege ochtenden op de momenten dat verweerder een huisbezoek trachtte af te leggen.

5. Allereerst constateert de voorzieningenrechter dat, anders dan ten tijde van het eerdere onderzoek door de sociale recherche, het waterverbruik van verzoeker thans meer dan 7 kubieke meter per jaar bedraagt, zodat de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waaruit volgt dat een waterverbruik van minder dan 7 kubieke meter per jaar de vooronderstelling rechtvaardigt dat een betrokkene zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres heeft, niet van toepassing is.

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in zijn onderzoek en oordeelsvorming onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de door verzoeker overgelegde verklaringen van hulpverleners die bevestigen dat verzoeker een andere levensstijl heeft dan de gemiddelde mens. Zo heeft de heer [B] , GGD procesregisseur Meldpunt Zorg en Overlast, in een e-mailbericht van 13 november 2020 verklaard dat hij een huisbezoek bij verzoeker heeft afgelegd, dat verzoeker binnen de doelgroep van kwetsbare burger valt, hij niet erg snel zijn post opent, hij niemand toelaat in zijn woning en het als een sport ziet om erg zuinig te leven.

7. Ter zitting heeft ook mevrouw [A] die als begeleider bij verzoeker thuiskomt, verklaard dat verzoeker echt woont in het huis aan de [adres] [huisnummer] . Zij stelt dat ze wel ergere gevallen tegenkomt in haar werk. Ook haar collega die al sinds eind vorig jaar bij verzoeker over de vloer komt, twijfelt niet aan het feit dat verzoeker daar woont.

8. Gezien het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat in het geval van verzoeker inderdaad sprake is van een bijzondere levensstijl die tot een andere waardering van leefomstandigheden aanleiding moet geven.

9 . De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verweerder aan verzoeker bij wijze van voorschot met ingang van 2 februari 2021 een uitkering toekent naar de voor hem geldende norm tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

11. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit en treft de voorlopige voorziening dat verweerder aan verzoeker bij wijze van voorschot met ingang van 2 februari 2021 een uitkering toekent naar de voor hem geldende norm tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.068,- te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Kraan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2021.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.