Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2486

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
NL20.19041 V en NL21.2642
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak / verzet gegrond / voorlopige voorziening toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.19041 V (verzet)

NL21.2642 (voorlopige voorziening)


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[eiser] alias [alias 2] , opposant

(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman).

Procesverloop

Opposant heeft tegen de beslissing op bezwaar van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 28 oktober 2020 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 16 november 2020 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.

Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Ook heeft hij gevraagd om een voorlopige voorziening die ertoe strekt uitzetting te voorkomen totdat op het verzet en bij eventuele gegrondverklaring van het verzet, op het beroep is beslist.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2020. Opposant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Boon.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het verzet gegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat opposant niet mag worden overgedragen totdat op het beroep is beslist.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het geen rol speelt of de aanwezigheid van opposant eind 2019 in Duitsland geldt als vrijwillige terugkeer. De asielaanvraag is op 21 januari 2020 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is. Een eventueel verblijf in Duitsland heeft daarbij geen rol gespeeld. Dat besluit staat in rechte vast. Opposant verblijft onrechtmatig in Nederland. Op

23 oktober 2020 heeft Nederland opnieuw een claimverzoek bij Duitsland neergelegd. Daar hebben de Duitse autoriteiten mee ingestemd. Dat heeft geresulteerd in het besluit van 28 oktober 2020. Uit de uitspraak van 5 maart 20151 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder, indien de vreemdeling geen asielaanvraag heeft gedaan, niet hoeft te toetsen of de overdracht in strijd is met artikel 3 van het EVRM2. Indien de vreemdeling vreest bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat in een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie terecht te komen, kan hij dat laten beoordelen in een procedure op basis van een daartoe ingediend asielverzoek. De rechtbank is tot op heden niet gebleken dat opposant in Nederland weer asiel heeft aangevraagd, aldus de uitspraak.

2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. De rechtbank is van oordeel dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, ongegrond was en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is gegrond. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4. De autoriteiten van Duitsland hebben hun eerste claimakkoord op

28 november 2019 gegeven. Opposant is daarna naar Duitsland vertrokken om, zoals hij stelt, persoonlijke spullen op te halen. Bij bericht van 9 april 2020 hebben de Duitse autoriteiten meegedeeld dat opposant op 26 december 2019 is aangetroffen in Duitsland. Verweerder stelt dat daaruit volgt dat opposant zich in het kader van zijn Dublinprocedure vrijwillig heeft gemeld bij de Duitse autoriteiten. Het dossier biedt daar echter onvoldoende aanknopingspunten voor: nergens blijkt uit dat opposant zich in het kader van zijn Dublinprocedure heeft gemeld bij de Duitse autoriteiten of dat zij zijn verzoek om asiel in behandeling hebben genomen. Dergelijke informatie volgt evenmin uit het bericht van de Duitse autoriteiten. Daarbij komt dat verweerder opposant ook niet MOB3 heeft gemeld. De asielaanvraag is juist door verweerder opgepakt en verder behandeld. Dat heeft geresulteerd in het besluit van 21 januari 2020.

5. Deze gang van zaken roept vragen op. Opposant heeft onbetwist op de zitting aangevoerd dat het overdrachtsbesluit van 28 oktober 2020 slechts kan worden genomen indien er al een overdracht heeft plaatsgevonden. Het is dus niet buiten twijfel dat het besluit van 28 oktober 2020 genomen had kunnen worden. Het is immers de vraag of het bezoek aan Duitsland kan worden gezien als vrijwillige overdracht in de zin van de Dublinverordening. Dat heeft de rechtbank in de uitspraak van 16 november 2020 niet onderkend, terwijl dat wel had gemoeten. De rechtbank kan zich overigens voorstellen dat dat te maken heeft gehad met de beroepsgronden die de vorige gemachtigde naar voren heeft gebracht. Doordat die niet helder waren, heeft de rechtbank toentertijd niet goed kunnen doorzien wat opposant naar voren heeft willen brengen. Dat is nu wel helder geworden.

6. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. Op de zitting hebben partijen zich inhoudelijk kunnen uitlaten over het beroep. De rechtbank zal binnen twee weken beslissen op het beroep. In die uitspraak neemt de rechtbank ook een beslissing over de vergoeding van de proceskosten.

7. Omdat de overdracht van opposant aan Duitsland staat gepland op 3 maart 2021, wijst de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening toe. De rechtbank bepaalt dat opposant niet mag worden overgedragen aan Duitsland totdat op het beroep is beslist.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. B.E. Giesen, griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 ECLI:NL:RVS:2015:788.

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3 Afkorting van “Met Onbekende Bestemming vertrokken”.