Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2463

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
NL20.19267
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tav betoog dat in strijd met werkinstructie 2018/19 geen leeftijdsschouw heeft plaatsgevonden: Eiseres heeft bij haar aanvraag een geboortedatum opgegeven van [geboortedag] 2002, maar ook is bij de aanvraag een Duits document op de telefoon van eiseres aangetroffen met een geboortedatum van [geboortedag] 1998. Nadien heeft Eurodac-onderzoek plaatsgevonden en is deze in Duitsland geregistreerde geboortedatum in het claimakkoord bevestigd. Verweerder wordt gevolgd in zijn standpunt dat in het beleid (WI 2018/19) ervan wordt uitgegaan dat bij binnenkomst van een vreemdeling nog niet duidelijk is of sprake is van een registratie in een andere lidstaat, dat dit in deze zaak anders is en dat het beleid daarom ook geen betrekking heeft op deze situatie. Voor zover al sprake zou zijn van een gebrek op dit punt, heeft eiseres ook niet gesteld hoe zij daardoor in haar belangen is geschaad. Brengt geen verandering in vaste rechtspraak dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de registratie als meerderjarige in Duitsland en het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat deze registratie onjuist is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.19267


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. G.P.G. Willemse-Schoenmakers),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).

Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer R. Daudu. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.

2.1

Eiseres betoogt dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom tijdens het aanmeldgehoor Dublin geen gebruik is gemaakt van een registertolk.

Uit het register van het Bureau beëdigde tolken en vertalers (Bbtv) blijkt dat er vier registertolken niveau twee beschikbaar zijn. Volgens eiseres valt niet uit te sluiten dat zij hierdoor is benadeeld, aangezien zij volgens verweerder wisselend zou hebben verklaard en het nodig was correcties en aanvullingen in te dienen.

2.2

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder in het verweerschrift heeft vermeld dat in het bestreden besluit ten onrechte staat dat er geen tolken in de taal Pidgin Engels (Nigeria) zijn opgenomen in het register van Bbtv. Dergelijke tolken waren volgens verweerder wel ingeschreven. De rechtbank merkt dit aan als een gebrek in het bestreden besluit.

2.3

De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat eiseres niet in haar belangen is geschaad. De rechtbank vindt daarvoor van belang dat verweerder in het verweerschrift ook heeft vermeld dat, naar achteraf blijkt, de betreffende registertolken ten tijde van het gehoor van eiseres niet beschikbaar waren. Eiseres heeft dat niet bestreden. Volgens artikel 28, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers kan verweerder in dat geval en wegens de vereiste spoed gebruik maken van niet-registertolken. Niet is gebleken dat eiseres daardoor is benadeeld. Uit het rapport van gehoor blijkt niet dat sprake was van gebreken in de communicatie en dat er onduidelijkheden waren voor eiseres. Eiseres heeft ook zelf gezegd dat zij de tolk goed heeft begrepen en verstaan en dat zij geen op- of aanmerkingen had over de werkwijze van de tolk. De door verweerder tegengeworpen tegenstrijdigheden maken dit niet anders, alleen al omdat dit niet zozeer wisselende verklaringen van eiseres betreffen, maar verklaringen van eiseres die tegenstrijdig zouden zijn aan de informatie die blijkt uit op haar telefoon gevonden documenten en uit het claimakkoord. De enkele omstandigheid dat correcties en aanvullingen zijn ingediend maakt, mede gelet op de inhoud daarvan, ook niet aannemelijk dat dit nodig was vanwege het ontbreken van een registertolk.

3.1

Eiseres betoogt verder dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij niet minderjarig is. Eiseres voert hiertoe aan dat zij niet wisselend heeft verklaard over haar leeftijd. Eiseres heeft meteen bij de aanvraag verklaard dat zij minderjarig is. Verweerder heeft verder ten onrechte niet gewacht op de geboorteakte die ze over wilde leggen, wat zij inmiddels heeft gedaan. Verweerder moet zich volgens eiseres niet zo strikt op het standpunt stellen dat een geboorteakte geen identiteitsbewijs is, maar alle omstandigheden meenemen, waaronder dat eiseres slachtoffer is geworden van mensenhandel en van haar ‘madam’ een geboortedatum moest opgeven als ware zij meerderjarig. Eiseres stelt ten slotte dat verweerder ten onrechte niet overeenkomstig werkinstructie 2019/18 eerst een leeftijdsschouw heeft verricht en meer onderzoek had moeten verrichten naar de registraties in Duitsland en Italië.

3.2.1

Vaststaat dat eiseres in Duitsland als meerderjarig staat geregistreerd onder de geboortedata [geboortedag] 1998 en [geboortedag] 1998. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (zie onder meer de uitspraak van 15 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2219) mag verweerder er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van uitgaan dat die registratie zorgvuldig heeft plaatsgevonden, zodat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat de in Duitsland geregistreerde meerderjarigheid onjuist is.

3.2.2

Wat betreft het betoog dat in strijd met werkinstructie 2018/19 geen leeftijdsschouw heeft plaatsgevonden, overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft bij haar aanvraag op 9 september 2020 een geboortedatum opgegeven van [geboortedag] 2002, maar ook is bij de aanvraag een Duits document op de telefoon van eiseres aangetroffen met een geboortedatum van [geboortedag] 1998. Nadien heeft Eurodac-onderzoek plaatsgevonden en is deze in Duitsland geregistreerde geboortedatum in het claimakkoord bevestigd. Verweerder heeft gesteld dat in het beleid neergelegd in werkinstructie 2018/19 ervan wordt uitgegaan dat bij binnenkomst van een vreemdeling nog niet duidelijk is of sprake is van een registratie in een andere lidstaat. Dit is in deze zaak anders en het beleid heeft volgens verweerder dan ook geen betrekking op deze situatie. De rechtbank volgt verweerder hierin. Voor zover al sprake zou zijn van een gebrek op dit punt, heeft eiseres ook niet gesteld hoe zij daardoor in haar belangen is geschaad. De rechtbank is daarom, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2984, van oordeel dat het feit dat in dit geval geen leeftijdsschouw is uitgevoerd, geen verandering brengt in voormelde vaste rechtspraak dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de registratie als meerderjarige in Duitsland en het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat deze registratie onjuist is.

3.2.3

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiseres daarin niet is geslaagd. De door eiseres in beroep overgelegde geboorteakte leidt niet tot een ander oordeel. Een geboorteakte is geen identiteitsbewijs, onder meer omdat daar geen foto op staat vermeld, zodat niet kan worden vastgesteld dat de akte aan eiseres toebehoort. Verweerder hoefde daarom in de besluitvormingsprocedure ook niet te wachten op de door eiseres aangekondigde geboorteakte. Dat eiseres slachtoffer zou zijn van mensenhandel en de enkele stelling dat zij bewust een geboortedatum heeft opgegeven als ware zij meerderjarig, biedt onvoldoende grond om te twijfelen aan de registratie in Duitsland. Verweerder heeft eiseres daarom terecht als meerderjarige aangemerkt en hoefde de asielaanvraag van eiseres niet krachtens artikel 8, vierde lid, van de Dublinverordening in behandeling te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.

4. Voor zover eiseres overigens in algemene zin heeft verwezen naar de zienswijze, overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit hierop gemotiveerd is ingegaan en eiseres in beroep niet heeft toegelicht op welke punten dit volgens haar ontoereikend is. Deze algemene verwijzing naar de zienswijze kan daarom niet leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep ongegrond;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Korporaal-Wisman, griffier.

De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op de hieronder vermelde datum.

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.