Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2433

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
31-03-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5294
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doorbetaling van 90% van het salaris en de salaristoelagen, omdat betrokkene zes maanden (gedeeltelijk) is uitgevallen wegens ziekte. Is de arbeidsongeschiktheid in en door de dienst onstaan?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/5294

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. L. van Dijk),

en

het college van burgemeesters en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. J.A. Tersteeg).

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij met ingang van 5 januari 2019 recht heeft op doorbetaling van 90% van zijn salaris en de salaristoelagen, omdat hij per die datum zes maanden (gedeeltelijk) is uitgevallen wegens ziekte. De korting ziet niet op de uren dat hij arbeid verricht of in het kader van de re-integratie scholing volgt.

Bij besluit van 25 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2021.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde vergezeld door P. Bakker en E.M. Lingerak.

Overwegingen

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar en beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

2. De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of eisers bezwaar tijdig is ingediend.

De rechtbank is van oordeel dat de brief van 4 december 2018, waarin eiser wordt meegedeeld dat hij recht heeft op doorbetaling van 90% van zijn salaris en de salaristoelagen, onmiskenbaar is gericht op rechtsgevolg. Deze brief is dan ook een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen het rechtsmiddel van bezwaar openstaat. De salarisstrook van 25 januari 2019 behelst (onder meer) slechts de uitvoering van dat besluit en mist dan ook het karakter van een voor bezwaar vatbaar besluit.1 Dit betekent dat de bezwaartermijn op 5 december 2018 is begonnen en op 15 januari 2019 eindigde. Eiser heeft op 7 februari 2019 een bezwaarschrift afgegeven op de HRM-afdeling. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend. Eiser heeft echter wel op 11 januari 2019 contact opgenomen met de servicedesk HRM waarbij hij heeft aangegeven dat hij ten onrechte werd gekort omdat het een bedrijfsongeval betreft.

De rechtbank is van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser met de te late indiening van het bezwaar in verzuim is geweest, zodat verweerder terecht niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege heeft gelaten. Het primaire besluit van 4 december 2018 bevat immers ten onrechte niet de mededeling dat daartegen bezwaar kan worden gemaakt, maar wel de mededeling dat eiser, indien hij nog vragen heeft over de toepasselijke regeling of het effect daarvan op zijn persoonlijke situatie, contact kan opnemen met de Servicedesk HRM. Nu eiser niet werd bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener en eiser wel binnen de bezwaartermijn contact heeft opgenomen met de Servicedesk HRM is de rechtbank van oordeel dat de te late indiening van het bezwaar verschoonbaar is.

3. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat de door eiser op 23 januari 2021 ingediende aanvullende gronden, in het bijzonder de nieuw aangevoerde grond onder 2, buiten beschouwing moeten blijven, omdat het indienen van deze aanvullende gronden op een zo laat moment in strijd is met de goede procesorde. De rechtbank volgt dit betoog niet. De aanvullende gronden zijn in overeenstemming met de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb genoemde termijn ingediend. Zij zijn bovendien niet omvangrijk en sluiten aan bij hetgeen eiser eerder heeft aangevoerd. Verweerder heeft op deze gronden ter zitting gereageerd, welke reactie als subsidiair standpunt is opgenomen in de overgelegde pleitnota. Er is dan ook geen strijd met de goede procesorde.

4. Eiser is per 1 november 2001 bij de gemeente aangesteld als medewerker service met specialisatie reiniging. Niet in geschil is dat eiser per 5 januari 2019 langer dan zes maanden (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt was.

5. Eiser is het echter niet eens met de korting op zijn bezoldiging. Hij stelt dat zijn salaris volledig doorbetaald moet worden omdat zijn arbeidsongeschiktheid in en door de dienst is ontstaan.

6. Eiser heeft daartoe in bezwaar het volgende gesteld. Op 10 april 2017 was eiser bezig met het weghalen van bijplaatsingen bij de wijkcontainers. Hij is daarbij gestruikeld over een verzakte stoeprand, waardoor zijn enkel dubbelklapte. Hij heeft in bezwaar een foto overgelegd van de locatie. De toenmalig leidinggevende van eiser heeft hierover op 11 oktober 2017 een ‘meldingsformulier arbeidsongeval of registratie-ongeval’ ingediend.

Eiser heeft een verklaring van 10 maart 2019 van een bij het ongeval aanwezige collega overgelegd. Eiser heeft ook een probleemanalyse van de bedrijfsarts overgelegd.

Eiser heeft zijn werkzaamheden in de tweede helft van 2017 volledig hervat, maar hij bleef klachten houden.

Op 27 juni 2018 heeft opnieuw een bedrijfsongeval plaatsgevonden, zo stelt eiser. Eiser was die ochtend op de milieustraat aan het werk op het afgesloten gemeenteterrein. Hij moest samen met een collega de smeerpunten van containers smeren. Dit was niet zijn gebruikelijke werk. Naast de containers lag rommel/afval. Toen hij in de richting van de containers liep, met in de ene hand een boormachine en in de andere hand een spuitbus, is hij met zijn rechtervoet uitgegleden over de rommel. Zijn linkervoet stootte daarbij tegen de betonnen rand van een verhoging achter de containers. Hij klapte voorover met zijn schouders en borstkas op de grond. Hij heeft die dag (twee dagen voor zijn vakantie) nog geprobeerd verder te werken, maar is om 14.00 uur naar huis gegaan. De klachten zijn daarna erger geworden. In de daarop volgende week is hij naar de huisarts gegaan en sindsdien staat hij onder behandeling voor zijn schouder- en enkelklachten. Hij werkte nog met moeite drie uur per dag. Eiser heeft in bezwaar foto’s van de locatie van het ongeval en een verklaring van 10 maart 2019 van een bij het ongeval aanwezige collega overgelegd.

7. Eiser heeft zich op 5 juli 2018 ziek gemeld. Per 12 november 2018 werkte hij drie uur per dag. Per 30 januari 2019 achtte de bedrijfsarts eiser geschikt om halve dagen te werken. Per 22 maart 2019 heeft hij zich volledig ziek gemeld.

8. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Regionale commissie bezwaarschriften inzake rechtspositionele aangelegenheden, de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

9. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Hij blijft bij zijn standpunt dat sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, waardoor de korting op zijn salaris ten onrechte is toegepast. Hij stelt dat verweerder ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat het ongeval niet is veroorzaakt door een bijzonder gladde vloer bij de containers in de milieustraat. Voorts acht hij het onredelijk om het gebrek aan onderzoek en de gebrekkige besluitvorming, waardoor onvoldoende feitelijke informatie is achterhaald, voor zijn risico te laten komen.

10. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

10.1.

Ingevolge artikel 7:3, eerste lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling sector gemeenten en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) heeft de ambtenaar bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). Ingevolge het tweede lid heeft de ambtenaar bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). Ingevolge het zevende lid behoudt de ambtenaar na afloop van de termijn van zes maanden recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de CAR/UWO wordt in dit hoofdstuk verstaan onder:

arbeidsongeschiktheid in en door de dienst: arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in:

de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht of;

in een dienstongeval verband houdende met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht;

en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten;

10.2.

De rechtbank stelt vast dat het ongeval op 27 juni 2018 plaatsvond tijdens de uitoefening door eiser van de hem opgedragen werkzaamheden. Dit betekent echter op zichzelf nog niet dat sprake is van een dienstongeval. Daarvoor is vereist dat de aard van de opgedragen werkzaamheden of de omstandigheden waaronder zij moeten worden verricht, een verhoogd risico op het ontstaan van ongevallen met zich brengen. Daarvan is in dit geval geen sprake. De rechtbank kan zich op basis van alle voorhanden zijnde gegevens vinden in het standpunt van verweerder dat eiser niet is blootgesteld aan een verhoogd risico. Bij het tweede ongeval op 27 juni 2018 kan de verhoogde betonnen rand en de gladheid van de vloer door rondslingerend vuilnis/afval niet als een verhoogd risico worden aangemerkt, omdat in een milieustraat gebruikelijk is dat dergelijke omstandigheden voorkomen en de medewerkers met specialisatie reiniging daarop tijdens hun werk bedacht moeten zijn. Het standpunt van eiser dat sprake was van gladheid door lekkende olie uit containers dan wel vrachtauto’s is door hem niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake was van een verhoogd risico, maar van een ongelukkig toeval.

10.3.

De rechtbank is voorts van oordeel dat van onvoldoende onderzoek door verweerder geen sprake is. Gelet op de aard van het ongeval bestond geen aanleiding om een meldingsformulier arbeidsongeval of registratie-ongeval in te vullen. Niet is vast komen te staan dat eiser hierom binnen een korte termijn na het ongeval heeft verzocht. Een arbo-adviseur heeft de plaats van het ongeval in december 2018 samen met eiser bezocht en daarvan op 31 januari 2019 een kort verslag opgemaakt. Dat daarbij niet meer was vast te stellen hoe de toestand van de ondergrond ter plaatse op 27 juni 2018 was, kan verweerder niet worden verweten Eiser is immers die dag tot in de middag blijven doorwerken en heeft zich pas enkele dagen later ziekgemeld.

11. De conclusie van het voorgaande is dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 7:3, zevende lid, van de CAR/UWO toepassing mist omdat geen sprake was van een dienstongeval verband houdende met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzitter, en mr. D. Biever en mr. M.J.L. van der Waals, leden, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1934.