Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2425

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-03-2021
Datum publicatie
17-03-2021
Zaaknummer
C/09/607653 / KG RK 21-197
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Afwijzing wrakingsverzoek.

Verzoeker vindt de rechter vooringenomen vanwege (1) het honoreren van het aanhoudingsverzoek van de belanghebbende op 8 december 2020 en (2) het plannen van de nieuwe zitting zonder rekening te houden met de door verzoeker opgegeven verhinderdata. Dit zijn beide procedurele beslissingen. Procedurele beslissingen kunnen als zodanig geen grond vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

wrakingnummer 2021/7

zaak- /rekestnummer: C/09/607653 / KG RK 21-197

Beslissing van 12 maart 2021

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] ,

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van

mr. G.P. Kleijn,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

Belanghebbende in deze procedure is:

- de minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door mr. E. Wies.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de zitting van 8 februari 2021, waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 25 februari 2021.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling is verschenen:

- verzoeker.

De rechter en de belanghebbende hebben laten weten niet te zullen verschijnen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaken met nummers SGR 18/1039 AW, SGR 18/2254 AW en SGR 18/2465 AW tussen verzoeker en de belanghebbende.

2.2.

Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van 8 februari 2021 en de toelichting bij de mondelinge behandeling het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:

  1. De rechter heeft een aanhoudingsverzoek van de belanghebbende voor de zitting van 3 december 2020, dat een uur voor zitting werd gedaan in verband met ziekte van de advocaat, gehonoreerd, terwijl de belanghebbende wordt bijgestaan door meer dan één advocaat en tegen verzoeker telkens is gezegd dat de zaak snel moet worden behandeld;

  2. De vervolgzitting is gepland zonder rekening te houden met de door verzoeker opgegeven verhinderdata.

Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker hieraan nog het volgende toegevoegd:

Alle procedurele verzoeken die hij heeft gedaan, zijn keer op keer afgewezen terwijl het verzoek van de belanghebbende wél werd toegewezen, zodat de schijn van partijdigheid is gewekt.

2.3.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.

3.2.

Het verzoek tot wraking moet dus worden gedaan zodra de omstandigheden die daarvoor aanleiding hebben gegeven zich hebben voorgedaan. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij tijdens de zitting van 8 februari 2021 heeft geverifieerd of de rechter degene is geweest die eerdere beslissingen heeft genomen over het plannen van de zitting en over het aanhoudingsverzoek van de belanghebbende. Het bevestigende antwoord van de rechter is de aanleiding voor het wrakingsverzoek. Voor het tijdsverloop is door verzoeker daarmee een redelijke verklaring gegeven. Het verzoek is daarom tijdig ingediend en verzoeker kan dan ook worden ontvangen in het verzoek.

3.3.

Verzoeker vindt de rechter vooringenomen vanwege (1) het honoreren van het aanhoudingsverzoek van de belanghebbende op 8 december 2020 en (2) het plannen van de nieuwe zitting zonder rekening te houden met de door verzoeker opgegeven verhinderdata. Dit zijn beide procedurele beslissingen. Procedurele beslissingen kunnen als zodanig geen grond vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de procedurele beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Ook de motivering van een procedurele beslissing kan in beginsel geen grond vormen voor wraking, ook niet als het zou gaan om een motivering die volgens de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier is, of als een motivering ontbreekt. Dit is alleen anders als de motivering van de procedurele beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Van dat laatste is in dit geval geen sprake.

3.4.

De (motivering van de) toewijzing van het aanhoudingsverzoek ten aanzien van de zitting op 3 december 2020 in verband met ziekte van de behandelend advocaat van de belanghebbende is niet zodanig onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier dat die blijk geeft van vooringenomenheid, ook niet als er nog een kantoorgenoot van de advocaat kennis had van het dossier. Dat geldt ook voor het inplannen van de nieuwe zitting op een datum die verzoeker als verhindering heeft opgegeven, gelet op het feit dat verzoeker voor de maanden februari en maart 2021 op één dag na alle dagen als verhinderdatum heeft opgegeven. Ook als juist zou zijn dat alle eerdere procedurele verzoeken van verzoeker zijn afgewezen, terwijl procedurele verzoeken van de belanghebbende worden toegewezen, volgt daaruit niet reeds dat sprake is van vooringenomenheid van de rechter.

3.5.

Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek niet toewijsbaar is.

4 De beslissing

De wrakingskamer

4.1.

wijst het verzoek tot wraking af;

4.2.

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

4.3.

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:

• de verzoeker;

• de belanghebbende;

• de rechter;

Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, M.P.M. Loos en J. Brandt, in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. N. Roelands en M. van Haalem en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2021.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.