Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2385

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
31-03-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 5150
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

reservist, vervroegde uitrotatie uitzending en besluitbegrip mededeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 20/5150 en SGR 20/5357

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Nummerdor-Buijs),

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.J. Verdonk).

Procesverloop

Eiser heeft op 25 februari 2020 bezwaar gemaakt tegen de salarisstrook over de maand januari 2020 (het primaire besluit I).

Bij besluit van 24 juni 2020 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is tevens zijn verzoek om schadevergoeding afgewezen.

In een e-mailbericht aan eiser van 13 januari 2020 van het Hoofd Defensie Operatiecentrum luitenant [luitenant] is de mededeling vastgelegd dat “vanuit DOPS-niveau de instructie is gekomen om geen beroep meer op jou te doen”.

Bij besluit van 3 juli 2020 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen deze mededeling niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft in beide beroepen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2021 door middel van een video-verbinding.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Vanaf 1987 is eiser reservist bij het reservepersoneel bij verschillende onderdelen van Defensie, laatstelijk bij de Landmacht. Eiser is in de periode 1 augustus 2019 tot

6 januari 2020 uitgezonden naar Litouwen voor de operatie enhanced Forward Presence in de functie van Public Affairs Officer. De beoogde einddatum van de uitzending was

17 januari 2020.

De M1 (sergeant-majoor [sergeant-majoor] ) heeft eiser op 4 januari 2020 mondeling op de hoogte gesteld van het besluit dat eiser al op 6 januari 2020 terug dient te keren naar Nederland (vervroegde uitrotatie). Dit besluit was tevens neergelegd in een e-mailbericht van 4 januari 2020 van het Hoofd J1.

Eiser is op 6 januari 2020 teruggekeerd naar Nederland.

Eiser heeft vervolgens op 25 februari 2020 bezwaar gemaakt tegen de loonstrook van

14 januari 2020 (primair besluit I), waaruit blijkt dat aan eiser niet tot 17 januari 2020 de toelage ingevolge de Regeling voorzieningen bij vredes- en humanitaire operaties (VVHO) is toegekend maar tot 6 januari 2020, de datum van terugkeer naar Nederland.

Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen de mededeling van de M1 op 4 januari 2020 dat hij al op 6 januari 2020 terug naar Nederland dient te gaan. Omdat eiser uit eerder procedures bekend is met het maken van bezwaar maakt het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule niet dat de termijnoverschrijding van eisers bezwaar verschoonbaar is.

Eiser heeft geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de loonstrook van januari 2020.


In het bestreden besluit I geeft verweerder aan dat de grondslag voor de vervroegde terugkeer gelegen is in de bestaande praktijk dat voor uitrotatie van een uitgezonden militair een termijn van 14 dagen speling wordt gehanteerd ten aanzien van de in het plandocument vastgelegde terugkeerdatum. Eisers terugkeer valt binnen deze termijn van 14 dagen.

Daarnaast wordt eisers bezwaar tegen het e-mailbericht van 4 januari 2020, dat hem pas op 2 juni 2020 is verstrekt, niet ontvankelijk verklaard. Verweerder stelt zich daarbij in het bestreden besluit I op het standpunt dat het e-mailbericht wel een besluit inhoudt maar dat dit besluit reeds op 4 januari 2020 mondeling aan eiser is medegedeeld door de M1. Eiser heeft conform die mededeling gehandeld en geen (tijdig) bezwaar gemaakt.

Het verzoek tot schadevergoeding wijst verweerder gelet op het vorenstaande af. Het beroep op de hardheidsclausule van artikel 15 van de Regeling VVHO is niet mogelijk aangezien verzoeker eerst een gemotiveerd verzoek tot uitbetaling in het kader van dat artikel dient in te dienen.

De vervroegde terugkeer van eiser was volgens verweerder gelegen in een verstoorde arbeidsverhouding tussen eiser en de Senior National Representative (SNR) van de operatie, luitenant-kolonel [luitenant-kolonel] . Het Hoofd J3, kolonel [kolonel 1] , heeft de mededeling gedaan dat geen beroep meer op eiser gedaan mag worden, zoals ook weergegeven in de voornoemde e-mail van [luitenant] van 13 januari 2020 (primair besluit II). Verweerder stelt zich in het bestreden besluit II op het standpunt dat de mededeling van [kolonel 1] aan [luitenant] niet aan te merken is als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De mededeling wijzigt eisers rechtspositie niet en beoogt deze evenmin te wijzigen. Op en na 13 januari 2020 maakt eiser onverminderd deel uit van de reservistenpool van het DOC. Er is geen verplichting om eiser daadwerkelijk in te zetten als Hoofd Dienstploeg Reservist DOC uit hoofde van eisers plaatsing in de reservistenpool, aldus verweerder.

2 Eiser kan zich in de bestreden besluiten niet vinden en voert daartoe het volgende aan.

Ten aanzien van bestreden besluit I voert eiser ten eerste aan dat het e-mailbericht van

4 januari 2020 geen besluit in de zin van de Awb inhoudt. Indien toch uitgegaan dient te worden van een besluit is dat pas op 2 juni 2020 aan eiser bekend gemaakt. Het bezwaar is dan ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Voor wat betreft het bezwaar tegen de loonstrook van januari 2020 voert eiser aan dat de rechtmatigheid van de aanzegging om eerder naar Nederland terug te keren ten onrechte niet is beoordeeld door verweerder. Uit instructie CDS I-123 blijkt dat een voortijdige permanente terugkeer tijdens operaties schriftelijk dient te gebeuren zodat de militair een rechtsingang heeft om bezwaar in te dienen.

Omdat er geen (repatriërings)besluit ten grondslag ligt aan de aanzegging om eerder terug te keren ontbeert de aanzegging een juridische grondslag. Verweerder gaat hier ten onrechte niet op in.

Verder heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat er bestaande praktijk bestaat dat een termijn van 14 dagen speling wordt gehanteerd voor terugkeer. Het is ook niet geloofwaardig dat de vervroegde terugkeer geen verband houdt met de ontstane situatie met de SNR. Dit blijkt overigens ook uit bestreden besluit II, waarin verweerder dit zelf toegeeft. Uit alles blijkt dat sprake is geweest van repatriëring. Dit besluit is onzorgvuldig genomen, in strijd met het motiveringsbeginsel en ontbreek voldoende feitelijke grondslag.

Indien sprake is geweest van een zogenaamde ‘soft repat’ is het niet meer dan redelijk om het door eiser gelopen nadeel van ongeveer €1500 te vergoeden. Verweerder heeft dan ook ten onrechte nagelaten om in bezwaar een beoordeling op grond van artikel 15 van de Regeling VVHO te maken.

Ook het beroep op schadevergoeding dient te slagen gelet op het vorenstaande.

Ten aanzien van bestreden besluit II stelt eiser zich op het standpunt dat uit de zich in het dossier bevindende berichten van [luitenant] blijkt dat het wel degelijk de bedoeling was om eiser voor de verdere plaatsingsduur tot 1 augustus 2021 voor en bepaalde periode in te zetten. De conclusie die verweerder verbindt aan eisers deelname aan de uitzending naar Litouwen is onjuist en bizar te noemen.

Eiser wordt door de mededeling van [kolonel 1] belemmerd om zijn functie uit te oefenen waardoor hij niet ‘current’ kan blijven. Niet in te zien is waarom deze mededeling niet op rechtsgevolg gericht zou zijn. Verweerder dient eisers bezwaren dan ook inhoudelijk te beoordelen.

Ten aanzien van deze inhoud voert eiser aan dat er geen juridische grondslag bestaat voor de mededeling van [kolonel 1] . Uit de stukken blijkt dat hij alleen afgegaan is op wat hij van anderen gehoord heeft, zowel ten aanzien van de inhoud van het verslag als van de wijze waarop eiser dit verslag gedeeld heeft met anderen.

Eiser betwist het beeld dat hij het verslag met jan en alleman gedeeld heeft. Gedurende de bezwaarprocedure zijn telkens brokjes informatie ingebracht die op belangrijke onderdelen met in tegenspraak zijn. Eiser verzoekt de rechtbank om [kolonel 1] op te roepen als getuige en hem onder ede te verhoren over de feiten en omstandigheden die voor hem aanleiding waren de bestreden mededeling te doen.

Eiser is van mening dat elke causaliteit ontbreekt tussen zijn handelen (het verstrekken van het adaptatieverslag aan zijn arts, bedrijfsmaatschappelijk werker, geestelijk verzorger, psychologe, [luitenant] en kolonel [kolonel 2] ) en het vermogen om zijn functie uit te oefenen. Voor ieder van deze personen heeft eiser een adequate uitleg gegeven waarom het verslag met hen gedeeld is. Verweerder heeft onjuiste, verregaande en onheuse conclusies verbonden aan dit handelen van eiser.

Tot slot vindt eiser het jammer dat hij niet eerst door personen als bijvoorbeeld [kolonel 1] is aangesproken op eventueel ongewenst gedrag.

3 In het verweerschrift wordt nog andere redenen genoemd in het kader van bestreden besluit II, waarom het vertrouwen in eiser is verdwenen. Het betreft de wijze waarop eiser zijn werkzaamheden duidt op zijn cv. Dit getuigt volgens verweerder van onvoldoende realiteitszin en transparantie. Ook wordt aangegeven dat het niet klopt dat Bos de functioneel leidinggevende van eiser was. Daarnaast is eiser de naam van majoor Peters, met wie hij het verslag ook nog gedeeld heeft, vergeten te noemen in het beroepschrift

4 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de VVHO vangt de aanspraak van de militair op voorzieningen ingevolge deze regeling aan bij vertrek naar het operatiegebied (sub a tot en met c) en eindigt de aanspraak bij terugkeer vanuit het operatiegebied (sub d tot en met f).

Ingevolge artikel 15 van de VVHO is de Minister bevoegd te beslissen in die gevallen waarin deze regeling naar zijn oordeel niet of niet in redelijkheid voorziet.

5 De rechtbank overweegt als volgt.

Bestreden besluit I

De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de stelling van verweerder dat het bestaande praktijk is dat voor uitrotatie van een uitgezonden militair een termijn van 14 dagen speling rond de beoogde einddatum wordt gehanteerd. De enkele stelling van eiser dat hij niet bekend is met deze praktijk maakt dat niet anders. Datzelfde gaat op voor de omstandigheid dat de vervroegde terugkeer ook te maken had met de verhoudingen tussen eiser en de SNR. Zoals verweerder ter zitting nog eens benadrukt heeft, is deze oplossing overigens niet in het nadeel van eiser geweest.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hem een rechtsmiddel ontnomen is door de vervroegde terugkeer niet te gieten in het vat van een repatriëringsbesluit. Het stond eiser vrij om bezwaar te maken tegen de mededeling van de M1 dat hij op 6 januari 2019 moest terugkeren. Dit heeft eiser niet gedaan, desgevraagd omdat hij de mededeling als een dienstopdracht heeft opgevat. Dat neemt niet weg dat de weg van bezwaar open stond.

Artikel 3, eerste lid, van de VVHO bepaalt wanneer de periode waarover een aanspraak bestaat. Verweerder heeft overeenkomstig die bepaling beslist.
De rechtbank volgt echter niet het standpunt van verweerder dat voor de toepassing van artikel 15 van de VVHO een aanvraag moet worden gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder ambtshalve, of in elk geval na het maken van bezwaar, te bezien of er aanleiding is van die bevoegdheid gebruik te maken. De rechtbank wijst o.a. naar het geschil waarin deze rechtbank uitspraak heeft gedaan op 26 mei 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5589. Dit blijkt ook uit een uitspraak van deze rechtbank van

9 februari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:34228. Door dit in het bestreden besluit na te laten is sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.
De rechtbank zal het bestreden besluit echter wel in stand laten, omdat aannemelijk is dat eiser door de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel niet is benadeeld (artikel 6:22 van de Awb). De rechtbank komt de bestaande praktijk over uitrotatie van een uitgezonden militair namelijk niet onredelijk voor en ziet in het licht van hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht geen grond dat verweerder in het geval van eiser in afwijking van artikel 3 van het VVHO had moeten beslissen.

Het beroep tegen de loonstrook van januari 2020 slaagt niet. Voor een schadevergoeding over de misgelopen dagen toelage is dan ook geen aanleiding.

Bestreden besluit II

6 Naar het oordeel van de rechtbank is de mededeling van [kolonel 1] , dat geen beroep meer op eiser gedaan mag worden, geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het is de rechtbank niet gebleken dat deze mededeling is opgenomen in het personeelsdossier van eiser dan wel enig ander systeem van verweerder. De mededeling mist dan ook, anders dan een ambtsbericht, rechtsgevolg. De omstandigheid dat [luitenant] wel gehoor gegeven heeft aan deze mededeling maakt nog niet dat er blijvend rechtsgevolg aan toe komt. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting toegelicht dat het eiser vrij staat om naar alle geambieerde functies binnen defensie te solliciteren. Eiser heeft bevestigd dat hij dat ook nog steeds doet.
In het geval de mededeling van [kolonel 1] als een besluit tot het voor de toekomst niet langer oproepen van eiser zou worden beschouwd, geldt dat het aan verweerder is om te bepalen of en in welke gevallen hij gebruik wil maken van de diensten van een reservist (Centrale Raad van Beroep 9 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2498, overweging 4.2.). De gedragingen van eiser tegenover de SNR welke aanleiding waren tot zijn vervroegde uitrotatie in aanmerking genomen, valt niet in te zien dat verweerder niet van zijn bevoegdheid gebruik heeft mogen maken.

7 De beroepen zijn ongegrond.

8 Omdat de rechtbank, zoals in rechtsoverweging 5 is overwogen, heeft vastgesteld dat in het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek zit, bepaalt de rechtbank dat verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.