Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2338

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
21.487
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Statushouder Roemenië. Internationale verdragsverplichtingen. Geen toegang tot huisvesting, werk of financiële middelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.487


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Cambier).


Procesverloop
Bij besluit van 12 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.488, plaatsgevonden op 12 februari 2021. Eiser is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde via een telefoonverbinding.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]. Hij heeft op 29 december 2020 een asielaanvraag ingediend in Nederland.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw1, omdat uit Eurodac is gebleken dat de Roemeense autoriteiten op 9 november 2016 aan eiser internationale bescherming hebben verleend.

3. Eiser voert allereerst aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat verweerder onvoldoende is ingegaan op de zienswijze. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat Roemenië niet voldoet aan zijn internationale verdragsverplichtingen. Daartoe voert eiser aan dat hij in Roemenië geen toegang had tot huisvesting, werk of financiële middelen om in zijn primaire levensbehoeftes te kunnen voorzien.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat de enkele verwijzing naar de slechte omstandigheden waarin eiser verkeerde in Roemenië en de manier waarop hij in Roemenië werd behandeld, reeds door verweerder bij de motivering van het voornemen is betrokken. Anders dan eiser aanvoert, betekent verweerders standpunt, dat de zienswijze daarom geen aanleiding kan geven tot een heroverweging van het voornemen, niet dat verweerder niet is ingegaan op de zienswijze.

5. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn stelling dat het bestreden besluit in strijd met de in artikel 3.106a van het Vb2 neergelegde beginselen tot stand is gekomen. Tussen partijen is niet in geschil dat aan eiser internationale bescherming is verleend in Roemenië. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in zijn algemeenheid van uitgaan dat Roemenië zijn internationale verplichtingen naleeft. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat zich in zijn geval feiten en omstandigheden voordoen op grond waarvan verweerder niet langer aan dat uitgangspunt mag vasthouden. Hier is eiser niet in geslaagd. Eiser heeft niet met (algemene) informatie over Roemenië aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM3 of dat hij geen toegang zal krijgen tot (sociale) voorzieningen.

6. Eisers eigen verklaringen zijn onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. Eiser stelt geen toegang te hebben gekregen tot huisvesting, werk of financiële middelen om in zijn primaire levensbehoeften te kunnen voorzien. Het is echter in de eerste plaats aan eiser, als statushouder, om zijn daaruit voortvloeiende rechten in Roemenië te effectueren. Daarnaast heeft eiser zelf verklaard dat hij – weliswaar in het begin – wel onderdak genoot, financieel werd ondersteund en toegang had tot medische zorg.4 Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zich bij ontevredenheid over deze voorzieningen of andere voorkomende problemen tot de (hogere) Roemeense autoriteiten dient te wenden. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk, dan wel bij voorbaat zinloos zou zijn. De stelling van eiser dat het geen nut zou hebben om zich te beklagen, aangezien de politie corrupt is, is zonder enige onderbouwing onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Hetzelfde geldt voor eisers stelling dat hij is mishandeld door de Roemeense autoriteiten, aangezien dit evenmin is onderbouwd.

7. Voor zover eiser met zijn beroep op artikel 3.106a van het Vb betoogt dat hij geen sterke band heeft met Roemenië, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit vaste rechtspraak5 van de Afdeling6 volgt dat alleen al omdat eiser in Roemenië internationale bescherming geniet, is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb. Dit betekent dat eiser een zodanig band heeft met Roemenië dat het voor hem redelijk zou zijn om terug naar Roemenië te gaan. Verweerder mocht ervan uitgaan dat eisers band met Roemenië sterker is dan zijn band met Nederland. Deze beroepsgrond slaagt niet.

8. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid vanmr. N.H. de Zeeuw, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Vreemdelingenwet 2000.

2 Vreemdelingenbesluit 2000.

3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4 p. 7, 8 en 10 Gehoor bescherming EU.

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 6 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2621 en 12 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:442.

6 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.