Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2311

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
AWB 20/5083
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Chavez-Vilchez, Geen sprake van een afhankelijkheidsrelatie zoals vereist. beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/5083


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Orhan),

en

de staatssecretaris van justitie en veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Rozema ).

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2020 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet (Vw), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 9 juni 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft per Skypeverbinding plaatsgevonden op 9 februari 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1979 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 21 mei 2019 heeft eiser een aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vw, waaruit een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354) blijkt. Hij beoogt verblijf bij zijn minderjarige Nederlandse kinderen Maryam en Mohammed.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit onder meer ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en zijn kinderen, waardoor zij, als aan eiser geen verblijfsrecht zou worden toegekend, gedwongen zouden zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Daartoe acht verweerder redengevend dat eiser in het bezit is van een Spaanse verblijfsvergunning. Niet is aangetoond dat eiser dit verblijfsrecht niet meer heeft.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt dat hij geen verblijfsrecht meer heeft in Spanje. Hiertoe is van belang dat zijn verblijfsvergunning inmiddels is verlopen, nu deze geldig was tot 28 augustus 2020. Eiser heeft niet om verlenging verzocht. Met een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft eiser in dit kader verwezen naar een vergelijkbare zaak, waarin het inleveren van een verblijfsdocument bij de Spaanse autoriteiten al voldoende werd geacht om te stellen dat het verblijfsrecht is komen te vervallen Voorts stelt eiser dat er wel degelijk sprake is van een afhankelijkheidsrelatie omdat het in het belang van het kind is dat er structuur en regelmaat aanwezig is. Verweerder had zorgvuldig onderzoek moeten doen en is niet ingegaan op de diverse zorgtaken die eiser uitvoert. Tot slot heeft verweerder eiser ten onrechte niet gehoord terwijl dit wel van invloed had kunnen zijn op de beslissing op het bezwaarschrift.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Het beleid van verweerder over de uitvoering van het arrest Chavez-Vilchez is neergelegd in paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Volgens dit beleid is één van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan door de vreemdeling om rechtmatig verblijf te hebben op grond van artikel 8, onder e, van de Vw dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen de vreemdeling en zijn kind moet bestaan, dat bij een weigering om aan hem een verblijfsrecht toe te kennen, het kind gedwongen zou worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten.

6. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser en zijn kinderen niet binnen de reikwijdte van voormeld beleid en het arrest Chavez-Vilchez vallen, omdat eiser verblijfsrecht heeft in Spanje. Hierdoor zijn de kinderen als gevolg van het bestreden besluit niet gedwongen het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat zijn Spaanse verblijfsrecht is komen te vervallen of is ingetrokken. Hierin is eiser niet in geslaagd. De enkele omstandigheid dat zijn verblijfsdocument geldig was tot 28 augustus 2020 is hiertoe onvoldoende. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat eiser zijn verblijfsdocument bij de Spaanse ambassade hier te lande heeft ingeleverd en aldaar heeft verklaard afstand te doen van zijn verblijfsrecht in Spanje. De verklaring van de Spaanse ambassade behelst niet meer dan een beschrijving over wat er zich aldaar heeft voorgedaan. Hieruit blijkt niet dat het verblijfsrecht van eiser daadwerkelijk is komen te vervallen. Eiser heeft geen stukken van de Spaanse autoriteiten overgelegd waaruit dit blijkt. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel kan dan ook niet slagen, nu in de door eiser aangehaalde zaak wél sprake was van een dergelijke verklaring van de Spaanse autoriteiten. Verweerder heeft de aanvraag dan ook terecht afgewezen. Of er sprake is van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken dan wel van een afhankelijkheidsrelatie behoeft dan ook geen bespreking meer.

7. Ten aanzien van de gestelde schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank dat van het horen in bezwaar slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht mag worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het bestreden besluit en de gronden in het bezwaarschrift is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat verweerder van het horen heeft mogen afzien.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.P. Deventer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2020.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.