Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2282

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
8385045
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Uitleg Pensioenreglement. Deeltijdfactor. Wachtgelduitkering militairen en korting op pensioenopbouw bij aanvaarding dienstverhouding bij een andere ABP-werkgever. Gelijkheidsbeginsel. Toepassen meest gunstige regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0388
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

nv/d

Rolnr.: 8385045 RL EXPL 20-4111

10 maart 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie),

zetelend te Den Haag,
2. de besloten vennootschap WWplus B.V.,

gevestigd te Zwolle,

opposanten,

gemachtigde: mr. R. van Arkel en [gemachtigde] ,

tegen

[geopposeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geopposeerde,
gemachtigde: mr. G.J. Knotter,

Partijen worden hierna “de Staat”, “WWplus” en “ [geopposeerde] ” genoemd.

1 Procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de inleidende dagvaarding van 29 januari 2020 met producties 1 tot en met 10;

  • -

    het tussen partijen onder zaak- en rolnummer 8314213 RL EXPL 20-2241 gewezen

verstekvonnis van 12 februari 2020;

- de dagvaarding in het verzet van 9 maart 2020 met producties 1 tot en met 12.

1.2.

Op 3 november 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen [betrokkene] namens de Staat, bijgestaan door mr. Van Arkel en [gemachtigde] voornoemd, en [geopposeerde] in persoon, bijgestaan door mr. Knotter voornoemd. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden.

1.3.

Na de mondelinge behandeling is de zaak naar de rol verwezen, voor het nemen van een akte door beide partijen. De Staat en WWplus hebben op de rol van 16 december 2020 een akte genomen en daarbij producties 13 tot en met 18 overgelegd, waarna [geopposeerde] op de rol van 13 januari 2021 een antwoordakte heeft ingediend, met producties 11 tot en met 13.

1.4.

Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis (nader) bepaald op heden.

2 Feiten

2.1.

[geopposeerde] is met ingang van 26 augustus 1985 aangesteld als (beroeps)militair bij de Staat (Defensie) voor 38 uur per week.

2.2.

Uit hoofde van voormelde aanstelling is [geopposeerde] per dezelfde datum deelnemer geworden aan de pensioenregeling, die door ABP wordt uitgevoerd.

Partijen hebben in het onderhavige geschil het ABP Pensioenreglement 2018 (hierna: het Pensioenreglement) van toepassing verklaard. In hoofdstuk 17 van het Pensioenreglement is de Pensioenregeling Militairen opgenomen.

2.3.

Per 1 september 2007 is aan [geopposeerde] eervol ontslag verleend.

2.4.

Bij besluit van 21 september 2007 is aan [geopposeerde] , overeenkomstig het bepaalde in de Militaire Wachtgeldregeling 1961, aansluitend aan het ontslag een wachtgelduitkering toegekend, lopende tot 6 mei 2024.

2.5.

WWplus betaalt voormelde wachtgelduitkering aan [geopposeerde] namens de Staat.

2.6.

Op grond van artikel 17.5.3. van het Pensioenreglement loopt de pensioenopbouw bij een wachtgelduitkering 50% door.

2.7.

Met ingang van 1 januari 2016 is [geopposeerde] , voor 30 uren per week, in tijdelijke dienst aangesteld bij het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (hierna: EZK). Vanaf dat moment heeft WWplus (aanvankelijk) geen pensioenpremies meer afgedragen voor [geopposeerde] .

2.8.

Op 23 maart 2018 heeft [geopposeerde] bij WWplus bezwaar gemaakt tegen het stopzetten van de afdracht van pensioenpremies. Bij beslissing op bezwaar van 31 mei 2018 is het bezwaarschrift van [geopposeerde] kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en dus niet inhoudelijk beoordeeld.

2.9.

Bij e-mailbericht van 26 juli 2019 schrijft WWplus aan (de gemachtigde van) [geopposeerde] :

“(…) Betrokkene geniet met ingang van 1 september 2007 militair wachtgeld. Tijdens de duur hiervan is hij deelnemer in de zin van het ABP Pensioenreglement. Met ingang van 1 januari 2016 is betrokkene werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken. Op basis van deze nieuwe werkzaamheden is hij (ook) deelnemer in de zin van artikel 2.5 van het ABP Pensioenreglement.

Vervolgens geldt op grond van artikel 17.1.6. lid 2 van het ABP Pensioenreglement dat zijn deeltijdfactor (van zijn dienstverhouding bij het Ministerie) wordt verminderd. Voor het vaststellen hiervan hebben wij de deeltijdfactor nodig waarvoor betrokkene momenteel werkzaam is bij het Ministerie. Mogelijk heeft betrokkene over (een deel van) het wachtgeld nog recht op pensioenopbouw. (…)”

2.10.

In het kader van deze procedure wordt door partijen een beroep gedaan op een aantal artikelen uit het Pensioenreglement, waaronder artikel 17.1.2., 17.1.5. en 17.1.6. Deze artikelen luiden, voor zover thans van belang:

Artikel 17.1.2. Ontslaguitkering

“Dit hoofdstuk verstaat onder ontslaguitkering:

a. een uitkering krachtens de militaire wachtgeldregeling 1961;

b. een uitkering krachtens de Uitkeringswet gewezen militairen.” (…)

Artikel 17.1.5. Deeltijddienstverhouding en deeltijdfactor

1. Een deeltijddienstverhouding is een dienstverhouding ingevolge het AMAR [Algemeen militair ambtenarenreglement, toevoeging ktr] waarop ingevolge het Besluit aanpassing arbeidsduur militairen buitengewoon verlof is verleend.

2. De omvang van een deeltijddienstverhouding wordt aangegeven door de deeltijdfactor. De deeltijdfactor is een breuk, waarvan:

a. de teller gelijk is aan het door de deelnemer feitelijk ontvangen inkomen; en

b. de noemer gelijk is aan het inkomen dat de deelnemer bij de Minister van Defensie in een soortgelijke volledige dienstverhouding zou hebben ontvangen.

(…)

Artikel 17.1.6. Deeltijdfactor bij ontslaguitkering of werkloosheidsuitkering

1. De deeltijdfactor voor een deelnemer met een ontslaguitkering uit een deeltijddienstverhouding is de breuk, waarvan:

a. de teller gelijk is aan het feitelijk inkomen vóór het ontslag; en

b. de noemer gelijk is aan het inkomen dat de deelnemer bij de Minister van Defensie in een soortgelijke volledige dienstverhouding zou hebben ontvangen.

2. Wanneer de deelnemer met een ontslaguitkering op of na de datum van het ontslag waaraan hij die uitkering ontleent, een andere dienstverhouding waarin hij deelnemer is, bedoeld in artikel 2.5, aanvaardt, of wanneer hij het aantal uren in een dienstverhouding waarin hij al als deelnemer werkzaam is, uitbreidt, wordt zijn deeltijdfactor verminderd. De vermindering is gelijk aan de deeltijdfactor voor de andere dienstverhouding, dan wel aan de verhoging van de deeltijdfactor voor de al bestaande dienstverhouding.

(…)”

2.11.

Per 1 januari 2020 is de arbeidsduur van [geopposeerde] bij EZK verlaagd naar 20 uren per week.

2.12.

In het ABP Pensioenreglement voor militairen 2020 staat onder ‘werken na uw ontslag’ onder meer:

U gaat tijdens uw UGM-uitkering weer werken

Bent u volledig met ontslag en gaat u na uw ontslag weer werken bij een bij ABP aangesloten werkgever of als burger bij het Ministerie van Defensie? Dan verandert er niets in uw deeltijdpercentage voor de pensioenopbouw tijdens UGM. (…)

U gaat weer werken en u ontvangt een ontslag- of werkloosheidsuitkering van het Ministerie van Defensie

(…) Of ontvangt u een ontslaguitkering? En gaat u na uw ontslag weer werken? (…) Dan verlagen we uw deeltijdpercentage in dezelfde mate als waarin uw ontslag- of werkloosheidsuitkering wordt verlaagd.

3 Vordering

3.1.

[geopposeerde] heeft bij oorspronkelijke dagvaarding gevorderd, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat en WWplus hoofdelijk te veroordelen om ten behoeve van de pensioenopbouw van [geopposeerde] ter grootte van 50% uit hoofde van de toepasselijke Wachtgeldregeling militairen 1961, vanaf 1 januari 2016 pensioenpremies af te dragen aan ABP, vermeerderd met de wettelijke- of fondsrente, op het voor [geopposeerde] bestemde polis- of aansluitnummer, zulks op verbeurte van een dwangsom ter grootte van € 10.000,- per dag, verschuldigd na verloop van 3 weken na het vonnis, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 927,75 en de proceskosten, te vermeerderen met het nasalaris.

3.2.

[geopposeerde] heeft aan zijn vorderingen – kort samengevat – het navolgende ten grondslag gelegd.

De Staat en WWplus hebben ten onrechte de korting van artikel 17.1.6 lid 2 van het Pensioenreglement toegepast. Bij Defensie had [geopposeerde] namelijk een voltijd dienstverband (van 38 uur) in de zin van voormelde bepaling. De Staat en WWplus zijn er echter ten onrechte van uit gegaan dat sprake was van een deeltijddienstverhouding en hebben daarmee ten onrechte de in die bepaling genoemde korting toegepast.

Hiermee passen de Staat en WWplus de arbeidsvoorwaardelijke en/of pensioenrechtelijke bepalingen dus verkeerd toe. Er zijn in de toepasselijke bepalingen immers geen belemmeringen te vinden voor het opbouwen van pensioen bij ABP over zowel het wachtgeld als de aanstelling bij EKZ.

Voor zover uit de tekst van het Pensioenreglement niet mocht volgen dat [geopposeerde] ook tijdens zijn aanstelling als rijksambtenaar vanaf 1 januari 2016 recht heeft op voortzetting van de pensioenopbouw vanwege de wachtgeldregeling, beroept [geopposeerde] zich op de cao-interpretatienorm.

Voorts verwijst [geopposeerde] naar de regelgeving voor militairen die vanwege leeftijdsontslag in aanmerking komen voor wachtgeld op grond van de Uitkeringswet Gewezen Militairen (hierna: UGM-uitkering). Een UGM-uitkering valt blijkens artikel 17.1.2. van het Pensioenreglement, net als de wachtgeldregeling, onder de term ‘ontslaguitkering’. De pensioenopbouw van de ‘UGM-er’ over de ontslaguitkering wordt echter niet verminderd indien deze gedurende de wachtgeldperiode als burgerambtenaar in overheidsdienst wordt aangesteld en uit dien hoofde deelnemer wordt aan de ABP-pensioenregeling.

Gelet hierop is in de uitvoering van de pensioenregeling sprake van niet gerechtvaardigd onderscheid tussen gelijke categorieën.

4 Verweer

4.1.

De Staat en WWplus hebben de vorderingen van [geopposeerde] gemotiveerd betwist.

Op grond van het Pensioenreglement kwalificeert de wachtgeldkering die [geopposeerde] ontvangt als een ontslaguitkering. Indien een voormalig militair met een wachtgelduitkering een baan bij een andere ABP-werkgever vindt, wordt zijn pensioenopbouw vanuit Defensie (de Staat) verminderd met de deeltijdfactor van zijn nieuwe baan.

In het Pensioenreglement zijn de rechten en plichten vastgelegd van derden die niet bij de totstandkoming van de regeling zijn betrokken. Bij uitleg van bepalingen van het Pensioenreglement gaat het dan ook om de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen daarvan. Bij uitleg op basis van de cao-norm is niet alleen de taalkundige uitleg van een specifieke bepaling van belang, maar kan ook acht worden geslagen op een eventuele toelichting, de elders in het reglement gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.

4.2.

[geopposeerde] geeft een onjuiste uitleg van het Pensioenreglement, meer in het bijzonder artikel 17.1.6 van genoemd reglement. Uit dit artikel volgt dat de deeltijdfactor wordt verminderd, indien een deelnemer met een ontslaguitkering een andere baan vindt bij een ABP-werkgever. De deeltijdfactor van [geopposeerde] bij Defensie was in dit geval 1 (36/36).

Na aanvaarding van de aanstelling per 1 januari 2016 is de deeltijdfactor van [geopposeerde] verminderd met 30/36 en moest de 50% pensioenopbouw – in overeenstemming met artikel 17.1.6 lid 2 Pensioenreglement – worden gebaseerd op een deeltijdfactor van 6/36.

De uitleg die [geopposeerde] aan dit artikel geeft is onaannemelijk; zijn uitleg zou immers betekenen dat als een voormalig militair met een wachtgelduitkering een volledig dienstverband heeft gehad, hij ook volledig (50%) pensioen zal blijven opbouwen indien hij een baan vindt bij een andere ABP-werkgever, terwijl een voormalig militair die in precies dezelfde situatie zit, maar die een deeltijddienstverband heeft gehad, wel wordt gekort op zijn pensioenopbouw.

Gelet hierop was het dan ook in overeenstemming met het Pensioenreglement om de pensioenopbouw van [geopposeerde] over de ontslaguitkering te verlagen op het moment van indiensttreding bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

Tot slot voeren de Staat en WWplus aan dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel enkel kan slagen als gelijke groepen ongelijk worden behandeld. Daarvan is hier geen sprake. De UGM-uitkering is namelijk te onderscheiden van de wachtgelduitkering op grond van de Wachtgeldregeling. De uitkeringen kennen immers ieder een andere (wettelijke) grondslag en specifieke regels. Verder wordt, anders dan van een gewezen militair met een wachtgeldregeling, van een gewezen militair met een UGM-uitkering niet meer verwacht dat hij aan het arbeidsproces gaat deelnemen.

Ook de dwangsom en buitengerechtelijke kosten worden betwist.

4.3.

De Staat en WWplus concluderen dan ook tot afwijzing van de vorderingen van [geopposeerde] , met veroordeling van [geopposeerde] in de proceskosten en nakosten.

5 Beoordeling

Artikel 17.1.6 van het Pensioenreglement

5.1.

Vast staat dat [geopposeerde] een voltijdsdienstverhouding had bij Defensie (de Staat), dat hij thans een wachtgelduitkering ontvangt uit hoofde van voormelde dienstverhouding (aanstelling) en dat hij sinds 1 januari 2016 werkzaam is bij EZK.

5.2.

[geopposeerde] stelt zich kort gezegd op het standpunt dat uit artikel 17.1.5 lid 1 van het Pensioenreglement volgt dat aan een voltijdsdienstverband geen deeltijdfactor wordt toegekend en dat daarom artikel 17.1.6 lid 2 niet op hem van toepassing is. Dit betekent dat de in dat artikel genoemde korting niet mag worden toegepast in het onderhavige geval. Voor zover een en ander niet reeds uit de tekst van genoemde artikelen volgt, beroept [geopposeerde] zich op de cao-uitlegnorm.

De Staat en WWplus hebben betwist dat het Pensioenreglement moet worden uitgelegd zoals [geopposeerde] voorstaat.

5.3.

De kantonrechter volgt [geopposeerde] niet in zijn uitleg van het Pensioenreglement.

Allereerst is het zo dat de artikelen 17.1.5 en 17.1.6 van dit reglement – anders dan [geopposeerde] stelt – los van elkaar kunnen en in dit geval ook moeten worden gelezen. Uit de aanhef van deze artikelen en ook de inhoud van lid 1 van beide artikelen (zie 2.10.) blijkt immers dat artikel 17.1.5 van het Pensioenreglement ziet op de berekening van de deeltijdfactor in het geval de dienstverhouding (arbeidsduur) is aangepast vanwege het verlenen van buitengewoon verlof, terwijl artikel 17.1.6 van het Pensioenreglement een eigen – en nagenoeg gelijkluidende – regeling bevat voor het berekenen van de deeltijdfactor van een deelnemer met een ontslaguitkering uit een deeltijddienstverhouding. Het is dus niet zo dat uit artikel 17.1.5 van het Pensioenreglement al voortvloeit dat artikel 17.1.6 lid 2 van het Pensioenreglement niet van toepassing is.

5.4.

Het vaststellen van de in beide artikelen genoemde deeltijdfactor is van belang, omdat deze factor aangeeft in welke mate de diensttijd voor de pensioenberekening meetelt. Een en ander betekent echter niet, zoals [geopposeerde] voorstaat, dat aan een voltijddienstverband geen deeltijdfactor van 1 kan worden toegekend op basis van de in beide artikelen genoemde berekeningsmethode (breuk). Dat het toekennen van een deeltijdfactor van 1 (of hoger) gebruikelijk is, althans dat het algemeen bekend is dat de deeltijdfactor bij een voltijdsdienstverband 1 is, volgt ook voldoende uit de door de Staat en WWplus in hun akte gegeven toelichting, waarbij onder andere wordt verwezen naar de definitie van ‘Voltijd- / deeltijdfactor’ op de website van de vakbond voor burger en militair defensiepersoneel en naar de Handleiding Premie en Gegevens van het ABP (Uitgave april 2016), onder ‘Maximale deeltijdfactor’. Hierin staat achtereenvolgens: “Werkt u voltijd? Dan telt elk kalenderjaar dat u werkt mee voor 1 jaar. Dat wordt uitgedrukt in een factor. Bij voltijd is dat dus factor 1 (…)” en “Omdat het toch kan voorkomen dat u met uw werknemer (…) overeen komt dat hij of zij contractueel méér uren werkt dan voltijd, kunt u een hogere deeltijdfactor dan 1.00000 aanleveren”.

Los daarvan volgt een en ander ook uit het commentaar op artikel 17.1.5 van het Pensioenreglement, waarin staat dat het systeem van het reglement ervan uit gaat dat steeds een deeltijdfactor wordt vastgesteld, ook als sprake is van een volledige betrekking.

Dat artikel 17.1.6 lid 2 van het Pensioenreglement ook bij een voltijddienstbetrekking geldt, volgt bovendien uit de tekst van deze bepaling. Er staat immers dat het gaat om het in voorkomende gevallen verminderen van de deeltijdfactor van ‘de deelnemer met een ontslaguitkering’. Er wordt geen afzonderlijk en uitdrukkelijk voorbehoud gemaakt wat betreft het al dan niet hebben van een ontslaguitkering uit een deeltijddienstverhouding.

5.5.

[geopposeerde] heeft ook nog een beroep gedaan op de cao-norm. Bij uitleg op basis van deze norm kan acht worden geslagen op de elders gebruikte formuleringen – zoals hiervoor al aan de orde gekomen – en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de te onderscheiden op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (zie o.a. HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427).

Net als de Staat en WWplus aanvoeren, is de kantonrechter van oordeel dat de interpretatie die [geopposeerde] geeft aan de tekst van artikel 17.1.6 lid 2 van het Pensioenreglement leidt tot een onaannemelijk rechtsgevolg. Zijn uitleg leidt er immers toe dat de pensioenopbouw over de ontslaguitkering van een militair die voltijd heeft gewerkt bij Defensie (de Staat) niet wordt gekort bij het aanvaarden van een dienstverhouding bij een andere ABP-werkgever, terwijl een militair die in deeltijd heeft gewerkt zich bij een dergelijke aanvaarding wel geconfronteerd ziet met een verminderde pensioenopbouw over de ontslaguitkering.

5.6.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient de deeltijdfactor van [geopposeerde] te worden vastgesteld op 1 en dient deze deeltijdfactor op grond van artikel 17.1.6 lid 2 van het Pensioenreglement te worden verminderd als gevolg van het aanvaarden van de dienstverhouding bij EZK. Hiermee staat vast dat de Staat en WWplus artikel 17.1.6 lid 2 van het Pensioenreglement op de juiste wijze hebben toegepast.

Gelijkheidsbeginsel

5.7.

Voorts stelt [geopposeerde] zich op het standpunt dat het niet gerechtvaardigd is om onderscheid te maken tussen militairen met een wachtgeldregeling en militairen met een UGM-uitkering, voor zover het betreft de pensioenopbouw na het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking bij een APB-werkgever. Dit onderscheid wordt nu wel gemaakt, namelijk door een militair met een UGM-uitkering niet te korten op de pensioenopbouw op het moment dat deze bij een andere ABP-werkgever een dienstverhouding aanvaardt, terwijl dit wel gebeurt bij een militair met een wachtgelduitkering. Dit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aldus [geopposeerde] .

De Staat en WWplus hebben gemotiveerd betwist dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, allereerst omdat dit beroep alleen kan slagen als gelijke groepen ongelijk worden behandeld. Hiervan is geen sprake. Het gaat om twee uitkeringen die ieder een andere grondslag hebben en die ieder specifieke regels kennen.

5.8.

Vast staat, dat beide uitkeringen op grond van artikel 17.1.2 van het Pensioenreglement onder het begrip ‘ontslaguitkering’ zijn gebracht als bedoeld in hoofdstuk 17 van het Pensioenreglement. Een onderscheid tussen de grondslag en regels van iedere uitkering wordt op grond van het Pensioenreglement dus niet (meer) gemaakt, zodat in die zin sprake is van gelijke gevallen.

5.9.

Dat in het Pensioenreglement één en dezelfde benadering voor de ontslaguitkering is beoogd, volgt ook uit de nadere akte van de Staat en WWplus, zij het dat de Staat en WWplus hierbij een beroep doen op de uitvoeringspraktijk. Zij stellen namelijk dat er in overleg met en na goedkeuring van de vakbonden voor is gekozen om in de uitvoeringspraktijk alleen de pensioenopbouw van militairen met een wachtgelduitkering te verminderen. Hiermee wordt dus afgeweken van artikel 17.1.6 lid 2 van het Pensioenreglement. De Staat en WWplus hebben onbetwist aangevoerd dat deze uitvoeringspraktijk inmiddels is vastgelegd in het ABP Pensioenreglement voor militairen 2020 (zie 2.12.). In dit geding staat echter de uitvoeringspraktijk van voor die tijd centraal, namelijk vanaf 1 januari 2016 en de vraag of het voor [geopposeerde] (en andere militairen met een ontslaguitkering) kenbaar is geweest dat men in de uitvoeringspraktijk zou afwijken van het Pensioenreglement en of enkel de uitvoeringspraktijk bindend is voor in dit geval [geopposeerde] . Op dit punt hebben de Staat en WWplus hun verweer onvoldoende onderbouwd. De enkele verwijzing naar een verslag van de vergadering van de werkgroep Postactieven op 12 april 2016, waarbij vertegenwoordigers van Defensie, de centrales en ABP/APG aanwezig waren, is daartoe onvoldoende. Daarnaast is het verweer, inhoudende dat de wachtgelduitkering en de UGM-uitkering een andere grondslag hebben en ieder specifieke voorwaarden kennen, ook indien juist, niet relevant. Zoals hiervoor is overwogen vallen beide uitkeringen in het kader van het Pensioenreglement immers onder de noemer ‘ontslaguitkering’ en wordt hierbij geen verder voorbehoud gemaakt.

Gesteld noch gebleken is dat er daarnaast nog feiten en omstandigheden zijn die voldoende zijn om te oordelen dat er nog relevant onderscheid bestaat. Dat betekent dus dat sprake is van gelijke gevallen, die gelijk moeten worden behandeld. Het verdere gevolg hiervan is dat de voor [geopposeerde] meest gunstige regeling moet worden toegepast (zie EHRC 2017/151, HvJ EU 9 maart 2017, C-406/15). Concreet betekent dit dat vanaf 1 januari 2016 geen vermindering van de deeltijdfactor mag worden toegepast voor de pensioenopbouw over de ontslaguitkering van [geopposeerde] . De vordering van [geopposeerde] is op dit punt dan ook terecht toegewezen, zodat het verstekvonnis op dat punt zal worden bekrachtigd.

5.10.

De Staat en WWplus hebben nog verweer gevoerd tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de gevorderde dwangsommen. Deze verweren slagen.

[geopposeerde] heeft immers niet, althans onvoldoende gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De door hem in de dagvaarding gestelde werkzaamheden zien namelijk op (buitengerechtelijke) verrichtingen ter instructie van de zaak of ter voorbereiding van de procedure. De vordering zal op dit punt dan ook worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de gevorderde dwangsommen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om in dit geval een dwangsom op te leggen, nu de Staat gerechtelijke uitspraken pleegt na te komen en [geopposeerde] zijn vordering op dit punt overigens ook geheel niet heeft onderbouwd. In zoverre zal het verstekvonnis dus worden vernietigd. Voor het overige kan het verstekvonnis in stand blijven.

Volledigheidshalve wordt nog verwezen naar de opmerking van de Staat en WWplus onder 4.27 van de dagvaarding in verzet, waarin erop wordt gewezen dat het werknemersdeel van de pensioenpremie voor rekening van [geopposeerde] komt.

5.11.

De Staat en WWplus zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6 Beslissing

De kantonrechter:

6.1.

vernietigt het door deze rechtbank op 12 februari 2020 tussen partijen gewezen verstekvonnis onder zaak- en rolnummer 8314213 RL EXPL 20-2241, voor zover de Staat en WWplus daarbij zijn veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en voor zover daarbij een dwangsom is opgelegd;

6.2.

veroordeelt de Staat en WWplus hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van deze verzetprocedure, tot op heden aan de zijde van [geopposeerde] vastgesteld op € 747,-;

6.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst af het meer of anders gevorderde;

6.5.

bekrachtigt het onder 6.1. genoemde verstekvonnis voor het overige.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. L.C. Heuveling van Beek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2021.