Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2262

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-03-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
AWB 19/3558
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking reguliere verblijfsvergunning. Niet in geschil is dat eiser een verblijfsrecht ontleent aan Besluit 1/80. Verweerder was bevoegd de verblijfsvergunning van eiser in te trekken op grond van de openbare orde, omdat eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Eiser is meerdere malen veroordeeld voor zeer ernstige misdrijven. Gelet op de ernst van de strafrechtelijke veroordelingen en de actuele en werkelijke bedreiging die het gedrag van eiser nog steeds vormt, levert de weigering eiser verder verblijf toe te staan in Nederland geen schending op van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Omdat eiser door de intrekking van zijn verblijfsvergunning geen rechtmatig verblijf meer heeft, valt hij niet meer onder de werking van Besluit 1/80. De vraag of het opleggen van een inreisverbod een aanscherping is in vergelijking met de ongewenstverklaring, behoeft daarom geen beantwoording meer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/3558

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser,

(gemachtigde: mr. I. Özkara),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog),

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2019 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met ingang van 23 januari 2013 ingetrokken, de aanvraag van 14 maart 2017 tot het verlengen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, het verblijfsrecht op grond van Besluit 1/801 beëindigd, eiser opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.

Bij besluit van 2 mei 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Op 7 mei 2019 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 januari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waarover gaat deze zaak?

1. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder de verblijfsvergunning van eiser heeft mogen intrekken vanwege zijn persoonlijke gedrag en om diezelfde reden een inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft mogen opleggen. De rechtbank beoordeelt deze beslissingen aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Eiser heeft geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen de opdracht Nederland onmiddellijk te verlaten.

Van welke feiten en omstandigheden gaat de rechtbank uit?

2. Eiser, die de Turkse nationaliteit heeft, is op [datum] 1996 geboren in [plaatsnaam] . Met ingang van 14 januari 2002 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘gezinshereniging bij ouders’. De geldigheid van de verblijfsvergunning is vervolgens steeds verlengd, laatstelijk tot 9 mei 2017.

2.1.

Eiser is in Nederland voor verschillende misdrijven veroordeeld. Bij vonnis van de kinderrechter van 19 januari 2012 is eiser vanwege het meermalen plegen van openlijk geweld veroordeeld tot 90 uur werkstraf, waarvan 30 uur voorwaardelijk. Bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Arnhem van 21 augustus 2012 is eiser veroordeeld wegens diefstal met geweld in vereniging, het meermalen plegen van bedreiging, het doen van een poging tot overval en het plegen van een overval in vereniging. Hij is daarbij veroordeeld tot 10 maanden jeugddetentie en een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (de zogenaamde PIJ-maatregel) voor de duur van twee jaren. Bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Arnhem van 12 maart 2013 is eiser veroordeeld tot twee maanden voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van twee jaren vanwege een inbraak. Daarbij is bepaald dat de voorwaardelijke PIJ-maatregel tenuitvoergelegd moest worden. De PIJ-maatregel is vervolgens meerdere malen verlengd, laatstelijk op 24 januari 2019. Uiteindelijk is de PIJ-maatregel in februari 2019 opgeheven.

Wat legt verweerder aan zijn besluit ten grondslag?

3. Verweerder heeft de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken. Hij heeft daartoe allereerst getoetst aan de zogeheten glijdende schaal zoals vervat in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Daarbij heeft verweerder de glijdende schaal toegepast zoals die sinds 1 juli 2012 geldt omdat eiser onder meer is veroordeeld voor een feit dat na die datum is gepleegd. Omdat eiser een Turkse onderdaan is en rechten kan ontlenen aan Besluit 1/80 heeft verweerder verder beoordeeld of het persoonlijke gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Daarvan is volgens verweerder sprake. Het gezins- en privéleven zoals beschermd door artikel 8 van het EVRM en de persoonlijke omstandigheden van eiser staan evenmin aan intrekking in de weg, aldus verweerder. Dit heeft verweerder ook aanleiding gegeven tot het verkorten van de vertrektermijn tot nul dagen en het opleggen van een inreisverbod voor de duur van tien jaar.

Heeft verweerder het juiste toetsingskader toegepast?

4. Eiser betoogt allereerst dat verweerder het verkeerde toetsingskader heeft toegepast. Omdat hij familielid is van een Turkse werknemer, is op hem het associatierecht van toepassing is. Eiser betoogt, onder verwijzing naar artikel 13 van Besluit 1/80, dat verweerder ten onrechte de meest recente, aangescherpte, versie van de glijdende schaal op hem heeft toegepast. Verweerder had de glijdende schaal zoals die in het verleden gold moeten toepassen en dan had zijn verblijfsvergunning niet ingetrokken kunnen worden.

4.1.

In artikel 13 van Besluit 1/80 is bepaald dat de lidstaten geen nieuwe beperkingen mogen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden die legaal verblijf hebben op het grondgebied.

In artikel 14, eerste lid, van Besluit 1/80 is bepaald dat de bepalingen van dit deel van het besluit worden toegepast onder voorbehoud van beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid.

4.2.

Niet in geschil is dat eiser verblijfsrecht ontleent aan Besluit 1/80 en daarmee rechten ontleent aan artikel 13 van dit besluit. Evenmin is in geschil dat verweerder in het verleden een gunstiger beleid hanteerde. Er is dan ook sprake van een beperking als bedoeld in artikel 13 van Besluit 1/80. Verweerder stelt echter terecht dat deze bepaling wordt begrensd door artikel 14 van Besluit 1/80. In het arrest Demir2 heeft het Hof van Justitie over de standstill-bepaling in artikel 13 van Besluit 1/80 immers overwogen dat een dergelijke beperking is verboden, tenzij zij valt onder één van de in artikel 14 van Besluit 1/80 bedoelde beperkingen. Uit onder meer het arrest Nural Ziebell3 volgt dat van een dergelijke beperking uit hoofde van de openbare orde sprake is als een Turkse onderdaan een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.

4.3.

Het voorgaande betekent dat verweerder bevoegd was de verblijfsvergunning van eiser in te trekken op grond van de aangescherpte glijdende schaal, mits – gelet op artikel 14 van Besluit 1/80 – eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Dit is opgenomen in artikel 3.86, vijftiende lid, van het Vb 2000 en is ook het toetsingskader dat verweerder heeft gehanteerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Is sprake van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging?

5. De rechtbank beantwoordt vervolgens de vraag of verweerder voldoende heeft onderzocht en gemotiveerd of het persoonlijke gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.

5.1.

Verweerder concludeert dat daarvan sprake is en wijst daarbij op de ernst van de inbreuk op de openbare orde, omdat eiser veelvuldig ernstige misdrijven heeft gepleegd. Eiser is onder andere veroordeeld voor diefstal met geweld, bedreigingen, inbraak en afpersing. Verweerder concludeert dat de misdrijven waarvoor eiser is veroordeeld een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving aantasten, omdat de door hem gepleegde misdrijven een grote impact op de slachtoffers hebben gehad. Uit de stukken is niet gebleken van enig berouw. Verweerder acht het gevaar voor de openbare orde actueel, omdat de aan eiser opgelegde PIJ-maatregel steeds is verlengd en de maatregel uiteindelijk alleen is geëindigd omdat deze niet meer verlengd kon worden, maar niet omdat het recidiverisico is afgenomen. Daarbij betrekt verweerder dat uit het PIJ-verlengingsadvies van 9 augustus 2018 en de aanvullende rapportage van december 2018 blijkt dat eiser weigert aan welke vorm van behandeling of begeleiding dan ook mee te werken en het risico op toekomstig geweld als hoog wordt ingeschat. Verder heeft eiser niet onderbouwd dat sprake is van een positieve gedragsverandering, waardoor niet langer sprake zou zijn van een actuele bedreiging voor de openbare orde.

5.2.

Eiser betoogt dat hij geen actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. Het meest actueel gepleegde strafbare feit waarvoor eiser ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was veroordeeld, dateert van zes jaar geleden en is dus niet ogenblikkelijk. Omdat geen sprake is van een actuele dreiging, kan evenmin worden geconcludeerd tot een werkelijke dreiging. Onder verwijzing naar de aanvullende rapportage van december 2018 betoogt eiser dat hij de afgelopen periode een stabiele, voorspelbare houding heeft laten zien.

5.3.

Uit het arrest Z.Zh. en I.O.4 leidt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) af dat verweerder bij zijn beoordeling of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, alle feitelijke en juridische omstandigheden moet betrekken die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie tot het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. 5 Voorts moet verweerder bij zijn beoordeling in acht nemen dat de hiervoor bedoelde feitelijke en juridische gegevens niet noodzakelijkerwijs beperkt zijn tot de gegevens die de strafrechter heeft beoordeeld. Het resultaat van dit onderzoek moet blijken uit de motivering van verweerders besluitvorming.

5.3.1.

Verder moeten de nationale rechterlijke instanties bij de rechtmatigheidstoetsing van een maatregel tot verwijdering van een Turkse onderdaan ook rekening houden met feiten die zich na het laatste besluit van de bevoegde autoriteiten hebben voorgedaan en die ertoe kunnen leiden dat de actuele bedreiging die het gedrag van de betrokkene voor het betrokken fundamenteel belang zou vormen, verdwijnt of sterk vermindert.6

5.4.

Eiser is meerdere malen veroordeeld voor zeer ernstige misdrijven waaronder een aantal misdrijven die de integriteit van de slachtoffers hebben aangetast. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat daarom sprake is van een bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Zoals door eiser opgemerkt zit er een periode van meer dan zes jaar tussen het laatste misdrijf waarvoor hij ten tijde van het besluit onherroepelijk was veroordeeld en het bestreden besluit. Hij heeft sinds het plegen van dat misdrijf, tot februari 2019, echter in een Justitiële Jeugdinrichting verbleven, zodat verweerder aan dat enkele tijdsverloop in dit geval terecht minder waarde hecht. De aan eiser opgelegde PIJ-maatregel is ook steeds verlengd, laatstelijk tot februari 2019, juist omdat het recidiverisico door deskundigen telkens als hoog werd ingeschat. Voor de vraag of ten tijde van het bestreden besluit nog steeds sprake was van een actuele bedreiging acht verweerder terecht met name de laatste verlengingsadviezen van augustus en december 2018 van belang. Weliswaar wijst eiser erop dat in het rapport van december 2018 wordt vermeld dat hij een stabiele periode heeft laten zien en een over het algemeen voorspelbare houding. Maar daar staat tegenover dat uit deze rapporten ook volgt dat het risico van toekomstig geweld als hoog wordt ingeschat en de mate van bescherming als weinig. Een planmatig verloftraject werd niet verantwoord geacht omdat de risico's moeilijk tot niet in te schatten waren en er geen reden was om die niet als hoog in te schatten. In dat verband wordt in de adviezen nog opgemerkt dat het in de laatste fase van de PIJ-maatregel niet meer is gelukt om met eiser tot overeenstemming van behandeldoelen te komen en eiser al geruime tijd nergens meer aan wil meewerken. Om die reden is ook in december 2018 weer het advies gegeven om de PIJ-maatregel met de maximale duur te verlengen. Dit advies is door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gevolgd in een beslissing van 24 januari 2019. De PIJ-maatregel is uiteindelijk in februari 2019 opgeheven, maar alleen omdat de maximale termijn van de PIJ-maatregel was bereikt, niet omdat geen sprake meer zou zijn van recidiverisico.

5.5.

Verweerder stelt zich daarom deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat op het moment van het bestreden besluit sprake was van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Dat verweerder bij zijn beoordeling onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de richtsnoeren COM(2009) 313 volgt de rechtbank niet. Eiser licht niet toe welke belangen door verweerder niet meegenomen zouden zijn. Evenmin is gebleken dat de door verweerder verrichtte afweging in strijd is met die richtsnoeren. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.6.

Zoals onder 5.3.1 is overwogen moet de rechtbank bij de rechtmatigheidstoetsing van een maatregel tot verwijdering van een Turks onderdaan rekening houden met feiten die zich na het laatste besluit van de bevoegde autoriteiten hebben voorgedaan en die ertoe kunnen leiden dat de actuele bedreiging die het gedrag van de betrokkene voor het betrokken fundamenteel belang zou vormen, verdwijnt of sterk vermindert. Van dergelijke feiten is niet gebleken. Daartoe is allereerst van belang dat eiser zich al kort na zijn vrijlating uit de Justitiële Jeugdinrichting in februari 2019, opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf. Hij heeft zich op 21 maart 2019 namelijk schuldig gemaakt aan drugshandel, waarvoor hij op 6 juli 2020 is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand. Daarbij is een proeftijd opgelegd die nog loopt tot 20 juli 2022. Daarnaast heeft eiser op 16 mei 2020 nog een fikse snelheidsovertreding begaan, waarvoor hij een geldboete en een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van twee maanden heeft gekregen. Het betoog van eiser dat sprake zou zijn van een positieve gedragsverandering volgt de rechtbank daarom niet. Voor zover eiser betoogt dat hij geen normaal leven kon opbouwen omdat verweerder weigerde zijn paspoort terug te geven, vormt dat nog geen rechtvaardiging voor deze daden. Verweerder merkt terecht op dat uit de door eiser overgelegde stukken niet blijkt dat hem een behandeling of uitkering is geweigerd omdat hij niet over een paspoort zou beschikken. Ook merkt verweerder terecht op dat eiser ook tijdens zijn verblijf in de Justitiële Jeugdinrichting, toen het al dan niet ontbreken van een paspoort geen probleem kon vormen, evenmin bereid was mee te werken aan behandeling of begeleiding. De feiten die zich na het laatste besluit hebben voorgedaan leiden daarom niet tot een ander oordeel.

Is sprake van strijd met artikel 8 van het EVRM en het evenredigheidsbeginsel?

6. Eiser betoogt dat hij recht heeft op eerbiediging van zijn privé- en familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM. Zijn vader heeft een herseninfarct gehad en eiser maakt deel uit van een gezin dat momenteel veel steun aan elkaar heeft. Hij is geboren en getogen in Nederland en woont al 23 jaar lang bij zijn ouders in Nederland. Er is een sterke binding met Nederland. Als eiser verwijderd zou worden, dan zou dit gezin verdeeld raken waarbij de persoonlijke en gezinssituatie van eiser nadelig beïnvloed zou worden. Eiser wijst nogmaals op de eerdergenoemde richtsnoeren en betoogt dat de persoonlijke en gezinssituatie grondig moet worden onderzocht. Eiser verwijst daarnaast naar een advies van de Raad van State, gepubliceerd in de Staatscourant van 14 november 2014, nr. 32197, waarin staat dat verblijfsbeëindiging na 20 jaar rechtmatig verblijf slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden gerechtvaardigd.

6.1.

Het is niet in geschil dat sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM en dat sprake is van inmenging in het recht op familie- en gezinsleven door het ontnemen van eisers verblijfstitel. Beoordeeld dient te worden of zich zodanige feiten en omstandigheden voordoen dat uit het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven voortvloeit dat het verweerder niet is toegestaan om eiser zijn verblijfsrecht te ontnemen.

6.2.

Zoals volgt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), onder meer het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland7 en die van de Afdeling8 moet bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het familie- en gezinsleven dan wel privéleven een “fair balance” worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Bij deze afweging komt verweerder een zekere beoordelingsruimte toe.

6.3.

Eiser beroept zich op het evenredigheidsbeginsel en verwijst hiertoe naar eerdergenoemde richtsnoeren. Paragraaf 3.3 van de richtsnoeren gaat over de evenredigheidstoets. De rechtbank stelt vast dat de in de richtsnoeren genoemde factoren, overeenkomen met de belangen waaraan moet worden getoetst in het kader van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft bij de in het kader van artikel 8 van het EVRM te verrichten belangenafweging alle relevante feiten en omstandigheden betrokken. Eiser is weliswaar in Nederland geboren en getogen, maar dat is in dit geval onvoldoende om te oordelen dat sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM. Verweerder kan daarbij betrekken dat eiser zich in Turkije kan handhaven omdat hij volwassen is, in het gezin van eiser Turks wordt gesproken en hij nog een halfzus en ooms en tantes heeft die in Turkije wonen. Verder betoogt verweerder terecht dat eiser van zijn familie in Nederland gescheiden zal worden maar dat eiser al gedurende meerdere jaren in een Justitiële Jeugdinrichting heeft verbleven. Het is dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zijn vader dan wel andere familieleden van eisers aanwezigheid afhankelijk zijn. Gelet op de ernst van de strafrechtelijke veroordelingen en de hiervoor besproken actuele en werkelijke bedreiging die het gedrag van eiser nog steeds vormt, stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat de weigering eiser verder verblijf toe te staan in Nederland geen schending oplevert van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven tussen eiser en (het gezin van) zijn ouders zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Het door eiser genoemde advies van de Raad van State maakt dit niet anders. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Kan het inreisverbod in stand blijven?

7. Eiser betoogt ten slotte dat verweerder met het opleggen van een inreisverbod een onjuiste maatregel heeft opgelegd. Een inreisverbod geldt immers voor de gehele Europese Unie, terwijl de voorheen geldende ongewenstverklaring alleen betrekking had op Nederland. Om die reden is sprake van een verboden beperking in de zin van artikel 13 van Besluit 1/80. Daarbij merkt eiser op dat aan onderdanen van de EU ook geen inreisverbod wordt opgelegd, maar een ongewenstverklaring.

7.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft omdat de intrekking van de verblijfsvergunning terecht is. Hij valt daarom niet meer onder de werking van Besluit 1/80. De vraag of het opleggen van een inreisverbod een ongeoorloofde verzwaring betreft in de zin van artikel 13 van Besluit 1/80 is daarom niet meer relevant. Er is daarom terecht en op goede gronden een inreisverbod opgelegd.

7.2.

Zoals hiervoor is overwogen, blijft de beëindiging van het verblijfsrecht van eiser in stand. Daarmee heeft eiser geen rechtmatig verblijf meer in Nederland. Hieruit volgt dat bij de toetsing van het naar aanleiding van de beëindiging van het verblijfsrecht tegen de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000, geen geslaagd beroep op de standstillclausule kan worden gedaan.9 Daarom hoeft de vraag of het inreisverbod een aanscherping is in vergelijking met de ongewenstverklaring, geen beantwoording. Deze beroepsgrond treft geen doel.

Wat betekent dit voor deze zaak?

8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft mogen intrekken, de aanvraag tot het verlengen van deze verblijfsvergunning terecht heeft afgewezen, het verblijfsrecht op grond van Besluit 1/80 terecht heeft beëindigd, eiser heeft mogen opdragen Nederland onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod voor de dur van tien jaar heeft mogen uitvaardigen. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, mr. W.P.C.G. Derksen en mr. D. Bruinse-Pot, rechters, in aanwezigheid van mr. W.M.P. Hermsen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2021.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Besluit van de associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie.

2 Arrest van 7 november 2013, ECLI:EU:C:2013:725.

3 Arrest van het Hof van Justitie van 8 december 2011, ECLI:EU:C:2011:809.

4 Arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:377.

5 Uitspraak van 20 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3579.

6 Zie het arrest van het Hof van Justitie van 11 november 2004, Cetinkaya tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2004:708.

7 EHRM, 31 januari 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599.

8 Bijvoorbeeld ABRvS, 13 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ7527.

9 De uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2121.