Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2252

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
AWB 20/7776 en AWB 20/7777
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aanvraag van eiser om wijziging van het doel van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van ‘arbeid als kennismigrant’ in ‘verblijf als familie- of gezinslid bij "naam"’ afgewezen. In geschil is de vraag of er ten tijde van het bestreden besluit een duurzame en exclusieve relatie bestond tussen eiser en referente. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de laatste brief en de melding van referente onjuist dan wel achterhaald zijn en/of anders zouden moeten worden geïnterpreteerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de relatie tussen eiser en referente is verbroken en dat er geen sprake was van een exclusieve en duurzame relatie. Voor wat betreft de stelling van eiser dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat eiser in het telefoongesprek heeft aangegeven dat de relatie is verbroken oordeelt de rechtbank dat er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder met de toelichting op de zitting het motiveringsgebrek heeft hersteld en dat eiser daarop voldoende heeft kunnen reageren, zodat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/7776 (beroep)
AWB 20/7777 (voorlopige voorziening)

[V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser]

geboren op [geboortedatum] , van Chinese nationaliteit, eiser/verzoeker

(hierna: eiser)

(gemachtigde mr. M.E. Zweers),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Reimerink).

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om wijziging van het doel van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van ‘arbeid als kennismigrant’ in ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] ’ afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 september 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 19 oktober 2020 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

Inleiding

1.1.

Eiser is met ingang van 29 mei 2018 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘arbeid als kennismigrant’. Deze verblijfsvergunning is verleend met een geldigheidsduur tot 29 mei 2023. Eiser verblijft sinds oktober 2008 in Nederland. Hij heeft hier gestudeerd. In juli 2019 heeft eiser zijn baan opgezegd bij Ortec Finance B.V. Bij besluit van 3 juni 2020 heeft verweerder zijn verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht met ingang van 1 oktober 2019, omdat eiser niet binnen de zoekperiode van drie maanden een nieuwe werkgever had gevonden.

1.2.

Op 20 juni 2019 heeft eiser verweerder verzocht om het doel van zijn verblijfsvergunning te wijzigen naar ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] ’. Mevrouw [naam] (referente) is de gestelde partner van eiser.

Besluitvorming

2.1.

In het primair besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is met het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hieraan heeft verweerder – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft op
een meldingsformulier van 30 april 2020 ontvangen waarin referente stelt dat de gezinsband met eiser per 30 april 2020 is verbroken. Bij brief van 22 mei 2020 heeft referente wederom verzocht de aanvraag van eiser niet door te laten gaan in verband met het verbreken van de relatie. Vervolgens heeft eiser op 8 juni 2020, middels een telefonische hoorzitting, bevestigd dat de relatie is verbroken en dat hij niet meer bij referente woonachtig is. Eiser heeft tevens een tweetal brieven gestuurd waarin hij onder andere de situatie omschrijft waarbinnen de relatie met referente verslechterde en hoe hij uiteindelijk bij een vriend is gaan wonen. Op grond van het voorgaande stelt verweerder zich op het standpunt dat de relatie tussen eiser en referente is verbroken en eiser hierdoor op grond van artikel 3.14, aanhef en onder b, en artikel 3.17 van het Vreemdelingenbesluit 2000 niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning met de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] ’.

2.2.

Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM1. Eiser heeft geen familie- of gezinsleven en tevens geen partner en/of kinderen in Nederland, waardoor enkel het privéleven overblijft. Verweerder stelt dat eiser wel banden heeft met Nederland maar dat deze de gebruikelijke banden niet overstijgen. Eiser heeft weliswaar in Nederland gestudeerd en gewerkt maar bij verweerder is niet gebleken van een andere binding met Nederland. Eiser heeft inmiddels geen werk en relatie meer en verblijft bij een Chinese vriend. Bovendien is eiser de Nederlandse taal nauwelijks machtig. Verder kent verweerder meer gewicht toe aan het verblijf van eiser in China. Eiser heeft ruim negentien jaar in China gewoond. Hij is daar geboren en opgegroeid. Eiser is derhalve bekend met de taal, de cultuur en de gebruiken in China. Ook heeft eiser geen intensieve bijdrage geleverd aan de Nederlandse samenleving middels hobby’s, vrijwilligerswerk of andere bezigheden. Volgens verweerder zijn er ook geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling rechtbank

3.1.

In geschil is de vraag of er ten tijde van het bestreden besluit een duurzame en exclusieve relatie bestond tussen eiser en referente. In de melding van referente van
30 april 2020 heeft zij vermeld dat de gezinsband met eiser was verbroken. Vervolgens heeft zij bij brief van 19 mei 2020 geschreven dat zij de voorgaande melding wilde intrekken en zij stelde daarin onder meer dat zij de liefdesrelatie wilde voorzetten. Daarna heeft referente op 22 mei 2020 een laatste brief gestuurd waarin zij stelt dat zij haar melding toch niet wil intrekken. Referente stelt in die brief onder andere dat eiser sinds maart 2020 niet meer bij haar woont, zij niet meer financieel verantwoordelijk voor hem wil zijn en dat zij de moeilijke en giftige relatie met eiser officieel wil stoppen. Referente verzoekt in deze laatste brief expliciet aan verweerder om de melding van 30 april 2020 te laten staan. Hiertegenover staan de verklaringen van eiser in zijn ongedateerde brieven, waarin onder andere wordt gesteld dat referente haar emoties niet onder controle heeft, dat zij lijdt aan borderline, dat eiser en referente elkaar nog wekelijks zien en de relatie niet verbroken is. Dit volgt volgens eiser ook uit de op 16 februari 2021 overgelegde afschriften van Whatsapp-gesprekken, telefoonrekeningen, foto’s en een e-mail van 1 oktober 2020. De rechtbank is echter van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de laatste brief van
22 mei 2020 en de melding van referente van 30 april 2020 onjuist dan wel achterhaald zijn en/of anders zouden moeten worden geïnterpreteerd. Dit betekent dat de rechtbank verweerder volgt in het standpunt dat de relatie tussen eiser en referente ten tijde van het bestreden besluit was verbroken. Dit oordeel wordt ook onderschreven door de e-mail van 1 oktober 2020 van referente waaruit volgt dat referente niet langer contact wil met eiser omdat het haar teveel stress oplevert.

3.2.

De stelling van eiser dat in ieder geval tot 30 april 2020 sprake was van een duurzame en exclusieve relatie en dat aan eiser tot deze datum een verblijfsrecht had moeten worden toegekend volgt de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de relatie tussen eiser en referente is verbroken en dat er geen sprake was van een exclusieve en duurzame relatie. Dit volgt ondubbelzinnig uit de in 3.1 aangehaalde documentatie van referente. De ter zitting ingenomen stelling van eiser dat de relatie nooit heeft opgehouden te bestaan, legt tegenover de verklaringen van referente onvoldoende gewicht in de schaal. Weliswaar volgt uit de verklaringen van referente dat zij in ieder geval tot maart 2020 hebben samengewoond maar dit betekent niet dat verweerder om die reden tot deze datum verblijfsrecht had moeten toekennen.

4. Ook het standpunt van eiser dat verweerder weigert onderzoek te doen naar de relatie tussen eiser en referente terwijl het dossier daar volgens eiser wel aanleiding voor geeft volgt de rechtbank niet. Verweerder had naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanleiding om te twijfelen aan de relatie tussen eiser en referente. Vervolgens is het aan eiser om deze twijfels weg te nemen. Eiser moet in het onderhavige geval het bestaan van zijn relatie onderbouwen, niet verweerder.

5. Voor wat betreft de stelling van eiser dat verweerder ten onrechte oordeelt dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM oordeelt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser in de onderhavige procedure geen beroep op artikel 8 van het EVRM toekomt voor wat betreft zijn gezinsleven, waardoor enkel het privéleven overblijft. In dit kader heeft verweerder niet ten onrechte opgemerkt dat eiser wel banden heeft met Nederland maar dat deze de gebruikelijke banden niet overstijgen. Daarbij heeft verweerder in eisers nadeel mogen meewegen dat hij weliswaar in Nederland heeft gestudeerd en gewerkt maar dat is niet gebleken van een andere binding met Nederland. Temeer gezien het feit dat eiser geen werk meer heeft, bij een Chinese vriend verblijft en de Nederlandse taal niet machtig is. Daarbij heeft verweerder in eisers nadeel mogen meewegen dat hoewel eiser over rechtmatig verblijf in Nederland beschikte hij daarvoor zijn hele leven in China heeft verbleven. Van eiser mag bij die stand van zaken worden verwacht dat hij zich kan handhaven in zijn land van herkomst. Omdat gebleken is dat eiser daar het grootse deel van zijn leven heeft gewoond, mag er van uitgegaan worden dat hij aldaar nog privéleven heeft of kan opbouwen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank alle voor de belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar betrokken en voldoende gemotiveerd dat de afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

6. Voor wat betreft de stelling van eiser dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat eiser in het telefoongesprek van 8 juni 2020 heeft aangegeven dat de relatie is verbroken en dat daarvan het verslag ontbreekt, oordeelt de rechtbank als volgt. Met het verweerschrift heeft verweerder alsnog het verslag van dit telefoongesprek overgelegd. Op de zitting heeft verweerder erkend dat uit dit verslag niet valt af te leiden dat eiser heeft bevestigd dat de relatie tussen hem en referente was verbroken. De rechtbank is dan ook met eiser van oordeel dat dit een motiveringsgebrek oplevert. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat uit de laatste brief van 22 mei 2020 en de e-mail van 1 oktober 2020 wel degelijk volgt dat referente van gedachte is veranderd over de relatie en niet langer betrokken wil zijn bij de aanvraag van eiser voor verblijf bij haar als zijn partner. Om die reden heeft eiser ook een aanvraag ingediend om verblijfsrecht te krijgen als EU2 langdurig ingezetene.

7. Hoewel het hiervoor onder 6 genoemde motiveringsgebrek leidt tot de gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit, zal de rechtbank de gevolgen van het bestreden besluit in stand laten uit proceseconomische overwegingen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de toelichting op de zitting het motiveringsgebrek heeft hersteld en dat eiser daarop voldoende heeft kunnen reageren, zodat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

8. Slotsom is dat het beroep gegrond wordt verklaard wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, met instandlating van de rechtsgevolgen.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

9. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, omdat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en verzoek om een voorlopige voorziening

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser de door hem betaalde griffierechten vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.602,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 20/7776,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 20/7777,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 356,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.602,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van
mr. T.J.M. Schilder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift aan partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens.

2 Europese Unie.