Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:224

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-01-2021
Datum publicatie
21-01-2021
Zaaknummer
NL20.21480
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. Mali. Gebruik gemaakt van niet-register tolk omdat in de taal Bambara geen registertolken beschikbaar zijn. Relevante elementen niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden. Geen artikel 15c situatie in Mali. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.21480

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. F. Bouyaghjdane), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.21481, plaatsgevonden op 6 januari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Jalloh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Malinese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1984].

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zijn vader islamitisch was en zijn moeder christelijk. Toen eiser vijf jaar oud was is zijn vader overleden. Vervolgens heeft de familie van eisers vader geprobeerd de moeder van eiser uit huis te zetten. De moeder van eiser wilde niet vertrekken en zij is uiteindelijk na een vechtpartij met de vrouwen van de ooms van eiser overleden. Eiser is toen in het huis blijven wonen, totdat het in brand werd gestoken. Eiser heeft het huis daarna weer laten opbouwen. Eiser werd op enige moment opgehaald door de gendarmerie en is een paar maanden vastgezet. Eiser weet niet waarom dit gebeurde. Eiser is uiteindelijk ontsnapt en is toen met behulp van een vriend uit Mali vertrokken.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

de identiteit , nationaliteit en herkomst;

de problemen met de familie van vader; en

de gevangenzetting en ontsnapping van eiser in 2013.

4. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De problemen met de familie van eisers vader en de gevangenzetting en ontsnapping van eiser in 2013 acht verweerder niet geloofwaardig. Hij concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.

Problemen met de tolk

5. Eiser voert allereerst aan dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van een registertolk tijdens de gehoren. Er was geen sprake van spoedeisend belang. Verweerder heeft in het combinatiegehoor aangeven dat er geen registertolken zijn op niveau 1 en 2, maar dit strookt niet met het feit dat verweerder in het aanmeldgehoor wel gebruik heeft gemaakt van een registertolk. Als er geen registertolk aanwezig kon zijn had verweerder vooraf aan de inzet van de tolk een verklaring omtrent gedrag moeten aanleveren. Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 28 van de

Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv). Eiser is door dit gebrek benadeeld.

6. Op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wbtv dient verweerder uitsluitend gebruik te maken van beëdigde tolken. Op grond van artikel 28, derde lid, van de Wbtv, kan, in afwijking van het eerste lid, gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron­ of doeltalen geen ingeschrevene bevat. Op grond van het vierde lid wordt deze afwijking van de afnameplicht met redenen omkleed schriftelijk vastgelegd.

7. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft overwogen' stelt artikel 28, vierde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv), gelezen in samenhang met het derde lid, wat betreft de motivering geen andere eis aan verweerder dan dat hij de reden voor het gebruik maken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden een van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. Verweerder heeft in het aanmeldgehoor aangegeven dat een registertolk is gebruikt. Bij het combinatiegehoor is gemeld dat gebruik is gemaakt van een niet­ registertolk in de taal Bambara omdat er geen registertolken in de taal Bambara beschikbaar zijn. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat in het verslag van het aanmeldgehoor Dublin een typefout is gemaakt, waardoor ten onrechte is aangegeven dat er gebruik was gemaakt van een registertolk. Verweerder heeft bij het aanmeldgehoor gebruik gemaakt van dezelfde niet-register tolk als tijdens het combinatiegehoor aangezien er geen registertolken in de taal Bambara beschikbaar zijn. Dit heeft verweerder bij het combinatiegehoor ook aangegeven en is in het verslag van het combinatiegehoor opgenomen. Hiermee heeft verweerder aan de voornoemde motiveringseis voldaan. Daar komt bij dat eiser aan het eind van de gehoren heeft aangegeven dat hij geen op- of aanmerkingen had over de werkwijze van de tolk en dat hij alles goed heeft kunnen verstaan en begrijpen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van een niet-register tolk heeft geleid tot

1. Zie onder meer de uitspraak van 29 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2224.

vertaalproblemen met betrekking tot onderwerpen die relevant zijn voor de afdoening van de relevante elementen.

Problemen met de familie van de vader van eiser

8. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de problemen die hij heeft ondervonden van de familie van zijn vader ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser is geen praktiserend moslim, dit blijkt ook uit het feit dat hij een buitenechtelijk kind heeft. Dat hij wel naar de moskee gaat en bidt doet daar niets aan af. Verder is het een vorm van gewoonterecht dat binnen de compound na het overlijden van een vader, moeder en kind in de compound blijven bij de familie van de vader. De ooms van eiser zouden dan als voogd moeten fungeren. Het is niet gebruikelijk dat de vrouw als weduwe terug gaat naar haar familie. Op een compound wonen meerdere mensen, de huizen fungeren als het ware als een muur. Binnen de compound wonen verschillende families bij elkaar. Daarom is het ook niet vreemd dat eiser heeft verklaard dat hij veel buren en vrienden heeft.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de problemen die eiser stelt te hebben ondervonden van de familie van zijn vader niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser volgens zijn eigen verklaringen een praktiserend moslim is, eiser heeft immers verklaard dat hij vaak bidt, dat hij regelmatig de moskee bezoekt en dat hij de profeet volgt. Dat eiser geen praktiserend moslim is enkel omdat hij een buitenechtelijke relatie heeft gehad waaruit een kind is geboren volgt de rechtbank niet. Nu de gestelde problemen zijn ontstaan vanwege het feit dat de moeder van eiser christen was, heeft verweerder aan eiser mogen tegenwerpen dat hij niet heeft kunnen verklaren waarom zijn vaders familie het ook op hem had voorzien. Verweerder heeft verder aan eiser kunnen tegenwerpen dat niet valt in te zien dat de moeder van eiser na de dood van zijn vader nog tien jaar in het huis bleef terwijl zij en haar zoon veelvuldig door de familie werden gepest en geslagen. Verweerder heeft verder aan eiser kunnen tegenwerpen dat niet valt in te zien waarom eiser zou zijn teruggegaan naar de plek waar hij werd gepest en mishandeld en waar zijn moeder is geslagen met de dood tot gevolg, nadat het huis in brand was gestoken. Eiser was destijds 22 jaar oud en hij had een alternatief om te verhuizen. Hij had een vriend die hem wilde helpen om ergens anders te gaan wonen.

Gevangenzetting en ontsnapping van eiser in 2013

10. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte aan hem heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over wie aanwezig waren bij de gendarmerie. Dat eiser zou hebben verklaard dat zijn oom daarbij aanwezig was komt door een misverstand tussen eiser en de tolk. Eiser voert verder aan dat de relatie met zijn ex-vriendin geheim was, omdat dit tegen de regels van de islam is. Daarom zijn er geen aanknopingspunten voor de stelling van verweerder dat de politie had kunnen weten dat eiser een vriendin had.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gevangenzetting en ontsnapping van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over wie er aanwezig waren toen hij het gendarmeriekantoor binnen kwam. Zo heeft eiser tijdens het nader gehoor eerst verklaard dat zijn oom en een vrouw aanwezig waren. Terwijl eiser vervolgens heeft verklaard dat er twee vrouwen aanwezig waren in het kantoor en eiser in de correcties en aanvullingen heeft aangegeven dat de vrouw van zijn oom en haar dochter aanwezig waren. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat eiser ook verschillend heeft verklaard over of hij deze persoon/personen wel of niet kende. Eerst heeft eiser verklaard dat hij de vrouw naast zijn

oom niet kende, vervolgens heeft eiser verklaard dat hij de beide personen wel kende. Verweerder heeft mogen stellen dat gelet hierop niet valt in te zien dat deze reeks van tegenstrijdigheden te wijten is aan een vertaalfout. Ook heeft verweerder mogen betrekken dat eiser heeft verklaard dat er geen aanklacht tegen hem was. Eiser heeft immers verklaard dat hij niet weet waarom hij werd aangehouden en dat hem nooit was verteld waarom hij in de gevangenis zat. Daarnaast heeft verweerder van belang mogen vinden dat eiser vier tot vijf maanden in de gevangenis zou hebben gezeten in een cel met iemand anders, maar dat hij niet weet wie deze persoon is. Verweerder heeft verder mogen tegenwerpen dat het onaannemelijk is dat na de gestelde ontsnapping van eiser niet naar hem is gezocht door de autoriteiten. De rechtbank acht eisers stelling dat de politie eiser niet heeft gezocht bij zijn ex-vriendin wel aannemelijk. Gelet op de verklaringen van eiser was de relatie met zijn

ex-vriendin namelijk geheim en was de politie daar niet van op de hoogte. Dit heeft echter niet tot gevolg dat verweerder het relevante element gevangenzetting en ontsnapping niet ongeloofwaardig heeft kunnen vinden.

Veiligheidssituatie in Mali

12. Eiser voert aan dat uit het UNHCR-rapport2 volgt dat UNHCR weliswaar vluchtelingen ondersteunt bij terugkeer , maar dat deze actie niet moet worden gezien als een beoordeling van de veiligheid in Mali door het UNHCR. Gedwongen terugkeer en vrijwillige terugkeer zijn verschillende processen. Verweerder kan daarom niet stellen dat gelet op de terugkeer van vluchtelingen naar Mali eiser geen risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Verweerder heeft verder opgemerkt dat eiser is opgegroeid in Markala en niet in Segou, waar de meeste incidenten plaatsvinden volgens het UNHCR- rapport. Markala is echter een gemeente binnen de regio Segou.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in Mali geen sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 15, onder c,

van de Definitierichtlijn3 Verweerder heeft in dit kader kunnen overwegen dat er problemen

in Mali zijn en het in delen van het land onrustig is, maar dat de Nederlandse overheid de veiligheids situatie in Mali nauwlettend in het oog houdt en dat er uit de door eiser overgelegde rapporten en andere openbare bronnen niet blijkt dat er sprake is van een de situatie zoals bedoeld in artikel 15, onder c, van de Definitierichtlijn. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat weliswaar uit punt 18 uit het UNHCR-rapport volgt dat de staten worden opgeroepen om niet gedwongen mensen terug te sturen, maar dat dat op zich onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van een situatie als in artikel 15, onder c, van de Definitierichtlijn.

14. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

15. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2 UNHCR-rapport van juli 2019: "Position on return to Mali" .

3 Richtlijn 2004/83/EG.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilps tra-Foppen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

08 januari 2021

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.