Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2112

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1496
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), artikel 14, lid 4. Intrekking Nederlanderschap (20/1496) en ongewenstverklaring (20/1511). Artikel 8:29, lid 5, van de Awb

De rechtbank gaat uit van de juistheid van het ambtsbericht, nu de conclusies als gevolg van het ontbreken van tostemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb niet kunnen worden getoetst aan de hand van de onderliggende stukken. De rechtbank gaat ook uit van de juistheid van de conclusie dat eiser ten tijde van belang was aangesloten bij een terroristische organisatie en een gevaar vormde voor de nationale veiligheid. Hiermee heeft eiser zich zodanig tegen de Nederlandse belangen gekeerd dat de band met Nederland niet langer kan bestaan. Geen strijd met het beginsel van (non)discriminatie. Geen willekeur. Artikel 8 EVRM staat aan de ongewenstverklaring niet in de weg.

Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 20/1496 en SGR 20/1511

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar)

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 27 januari 2020 heeft verweerder het Nederlanderschap van eiser ingetrokken en hem tot ongewenst vreemdeling verklaard.

Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 19 februari 2020 in kennis gesteld van de besluiten van 27 januari 2020. Met deze kennisgeving wordt eiser geacht beroep te hebben ingesteld tegen deze besluiten.

Mr. C.F. Wassenaar (hierna: de gemachtigde) heeft zich bij brief van 21 april 2020 gesteld als raadsman van eiser. Met deze brief heeft de gemachtigde tevens de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft op 12 mei 2020 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:45, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister), die geen partij is, bij brief van 28 juli 2020 verzocht inzage te geven in de stukken die ten grondslag liggen aan het ambtsbericht. Bij brief van 30 juli 2020 heeft de minister de rechtbank onder verwijzing naar artikel 8:29, eerste lid, van de Awb medegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van de onderliggende stukken van het ambtsbericht.

Bij beslissing van 28 september 2020 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisname van de stukken die ten grondslag liggen aan het ambtsbericht gerechtvaardigd is. Bij brief van 30 september 2020 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser gevraagd om toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, om mede op grondslag van de onderliggende stukken van het ambtsbericht uitspraak te doen. Bij brief van 14 oktober 2020 heeft de gemachtigde de rechtbank medegedeeld dat hij zich niet bevoegd acht de toestemming te verlenen of te weigeren.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 januari 2021. Vanwege de maatregelen rondom het coronavirus heeft de zitting via een Skype-verbinding plaatsgevonden. Via deze verbinding zijn de gemachtigde van eiser, [A] (de vader van eiser) en de gemachtigde van verweerder gehoord.

Overwegingen

1. Eiser is op [geboortedag] 1991 in Marokko geboren uit Marokkaanse ouders. Eiser verkreeg daarbij de Marokkaanse nationaliteit. Aan de moeder van eiser is op 10 september 2009 de Nederlandse nationaliteit verleend. Eiser heeft als minderjarige gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de moeder. Eiser bezit daarom zowel de Marokkaanse als de Nederlandse nationaliteit. Eiser is op 14 mei 2012 wegens vertrek uit Nederland uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen van de gemeente Rotterdam naar de Registratie Niet-Ingezetenen, als geëmigreerd naar Egypte.

2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het Nederlanderschap van eiser krachtens artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) ingetrokken. Aanleiding daartoe is dat eiser zich heeft aangesloten bij een organisatie die deelneemt aan een internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormt voor de Nederlandse nationale veiligheid. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op een individueel ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) van 3 januari 2020. Volgens verweerder laat de inhoud van het ambtsbericht ten aanzien van eiser geen twijfel bestaan over de vraag in welke periode eiser is afgereisd naar Syrië, of hij zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie en voor of ten behoeve daarvan feitelijke handelingen heeft verricht. Bovendien blijkt volgens verweerder uit het ambtsbericht dat de handelingen en gedragingen waarmee verzoeker in verband wordt gebracht zich tevens voordeden ná 1 maart 2017. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat wordt voldaan aan de vereisten voor intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN. Om dezelfde redenen is eiser ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling verklaard.

3 Artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb

De gemachtigde heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de gevraagde toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb niet kan verlenen en niet kan weigeren omdat hij geen partij is en niet namens eiser handelt maar optreedt als amicus curiae en als toegevoegd raadsman een bijzondere positie bekleedt. Onder verwijzing naar eerdere uitspraken van deze rechtbank van 28 januari 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:871), 14 april 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:4396) en 11 augustus 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:7790) overweegt de rechtbank dat er geen aanknopingspunten zijn voor de opvatting dat een raadsman die op grond van artikel 22b, vijfde lid, van de RWN aan de betrokkene is toegevoegd, over minder bevoegdheden beschikt dan een ‘gewone’ gemachtigde en dat er een belemmering bestaat om de op grond van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gevraagde toestemming te verlenen. Gelet op het ontbreken van toestemming moet de rechtbank er van uitgaan dat de toestemming niet is verleend. Als gevolg hiervan heeft de rechtbank geen kennis kunnen nemen van de informatie die ten grondslag ligt aan het ambtsbericht. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:426) zijn de gevolgen van een dergelijke weigering in beginsel voor risico van eiser. Van omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat hierop in dit geval een uitzondering moet worden gemaakt, is niet gebleken. Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank dan ook uit van de juistheid van de inhoud van het ambtsbericht.

4 Ambtsbericht

In het ambtsbericht van 3 januari 2020 is het volgende vermeld.

‘ [eiser] is uitgereisd naar Syrië en hij heeft zich, vanaf tenminste 2014, aangesloten bij de aan Al-Qa'ida (AQ) gerelateerde jihadistische strijdgroep Jabhat al-Nusra (JaN). In de periode na 11 maart 2017 is hij, in elk geval tot eind mei 2019, aangesloten bij Tanzim Hurras Al Din (THD), een eveneens aan AQ gelieerde organisatie. Hij wordt vanaf 2014 tot medio 2019 gelokaliseerd in Syrische plaatsen die liggen binnen het territorium van aan AQ gerelateerde jihadistische strijdgroepen. [eiser] is, in ieder geval sinds zijn verblijf in Syrië, een uitgesproken sympathisant van de gewelddadige, extremistische, islamitische ideologie. Hij is, in ieder geval sinds februari 2018, actief in mediazaken door AQ-propagandamateriaal te (laten) vervaardigen en te verspreiden. [eiser] heeft op sociale media vele jihadistische nieuwsgroepen opgezet en onderhouden en verricht hiermee, in ieder geval tot april 2019, ondersteunende activiteiten voor de gewelddadige jihad. [eiser] heeft, in ieder geval sedert juli 2018, voor THD taken uitgevoerd, zoals het verrichten van gewapende gevechtstaken (ribaat).’

5. Feitelijke grondslag

De gemachtigde heeft naar aanleiding van de stelling in het ambtsbericht dat eiser in ieder geval voor het jaar 2017 aangesloten was bij de organisatie THD, naar voren gebracht dat die organisatie eerst sinds februari 2018 bestaat. De gemachtigde verwijst hiervoor naar een website van het ‘Counter extremism project’. Bovendien is THD, blijkens bijlage 2 van de sanctielijst met terroristische organisaties, niet als verboden organisatie aangemerkt door de UN. Het legaliteitsbeginsel vereist dat restrictief moet worden omgegaan met de namen van organisaties op deze lijst, gezien de grote gevolgen die de RWN aan deelname verbindt. Ook overigens mist het besluit voldoende feitelijke grondslag nu mogelijk door eiser gedane uitingen in het openbaar, waaruit de intentie om zich bij een terroristische organisatie aan te sluiten blijkt, niet aan het procesdossier zijn toegevoegd en verweerder niet heeft uitgewerkt welke feitelijke handelingen eiser worden verweten.

5.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen het ambtsbericht en het gestelde op de website nu in het ambtsbericht meer algemeen vermeld staat dat eiser in de periode na 11 maart 2017 en in ieder geval tot eind mei 2019, was aangesloten, en dat eiser in ieder geval sedert juli 2018 taken voor THD heeft uitgevoerd. Verweerder heeft verder gesteld dat voor intrekking voldoende is dat eiser na

11 maart 2017 was aangesloten bij een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 14, vierde, van de RWN. De omstandigheid dat THD niet op een sanctielijst staat is niet relevant. Al Qa'ida staat als ‘moeder-organisatie’ op de lijst vermeld. Daar is voor gekozen omdat het jihadistisch speelveld onoverzichtelijk en veranderlijk is, zo blijkt uit de toelichting op de lijst. THD is een aan Al Q'aida gelieerde organisatie.

5.2

De rechtbank stelt voorop dat de intrekking van het Nederlanderschap is gebaseerd op artikel 14, vierde lid, van de RWN. Ingevolge deze bepaling kan de minister in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en die zich buiten het Koninkrijk bevindt, indien uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die door Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Artikel 14, vierde lid, van de RWN is in werking getreden op 1 maart 2017. Bij de inwerkingtreding van deze bepaling is geen overgangsrecht vastgesteld. Bij besluit van 2 maart 2017, in werking getreden op 11 maart 2017, heeft de minister van Veiligheid en Justitie de lijst met organisaties, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de RWN, vastgesteld (Staatscourant 2017, nr. 2050307). Op deze lijst staan de volgende organisaties vermeld: 1. Al Qa'ida en organisaties die gelieerd zijn aan al Qa'ida; 2. Islamitische Staat in Irak en al-Sham (ISIS) en organisaties die gelieerd zijn aan ISIS; 3. Hay'at Tahrir al-Sham.

5.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen onjuistheid in het ambtsbericht vermeld staat en/of zich een tegenstrijdigheid met het gestelde op de website voordoet nu in het ambtsbericht in algemene bewoordingen is gesteld dat eiser in de periode na 11 maart 2017 in elk geval tot eind mei 2019, aangesloten is geweest bij THD en in ieder geval sedert juli 2018 taken voor THD heeft uitgevoerd. Niet betwist is dat eiser zich heeft aangesloten bij THD of een andere terroristische organisatie van de lijst. De omstandigheid dat THD niet als afzonderlijke organisatie op de lijst voorkomt, betekent niet dat THD niet als terroristische organisatie als bedoeld kan worden aangemerkt nu verweerder onbetwist heeft gesteld dat THD een aan al Qa'ida gelieerde organisatie is. De rechtbank stelt vast dat de conclusies van de AIVD als gevolg van het ontbreken van toestemming niet kunnen worden getoetst aan de hand van de daaraan ten grondslag gelegde geheime stukken. Zoals hiervoor is overwogen dient de rechtbank daarom uit te gaan van de juistheid van het ambtsbericht. Het ambtsbericht bevat voldoende feitelijke informatie over de gedragingen van eiser. Daarvoor is, anders dan de gemachtigde stelt, niet nodig dat eventuele door eiser gedane uitingen in het openbaar waaruit de intentie om zich bij een terroristische organisatie aan te sluiten blijkt, aan het procesdossier zijn toegevoegd. Het betoog dat verweerder niet heeft uitgewerkt welke feitelijke handelingen eiser worden verweten, slaagt niet. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de conclusie van verweerder dat eiser ten tijde van belang was aangesloten bij een terroristische organisatie en een gevaar vormde voor de nationale veiligheid. Hiermee heeft hij zich zodanig tegen de Nederlandse belangen gekeerd dat de band met Nederland niet langer kan bestaan. Verweerder was op grond van de informatie uit het ambtsbericht bevoegd tot intrekking van het Nederlanderschap van eiser over te gaan.

6. Taak AIVD en criterium nationale veiligheid

De gemachtigde betoogt dat verweerder zich niet op de door de AIVD verstrekte feitelijke informatie mag baseren omdat de AIVD alleen deskundig is over het oordelen over de nationale veiligheid in zijn algemeenheid en niet in een concreet geval. De nationale veiligheid is een open norm en staat op gespannen voet met een individuele beoordeling. Het gevaar voor de nationale veiligheid moet geïndividualiseerd worden. Verweerder heeft zich onvoldoende van zijn vergewisplicht gekweten nu verweerder enkel is afgegaan op het ambtsbericht. Uit het ambtsbericht blijkt niet welke concrete gedragingen eiser heeft verricht. Het ambtsbericht bevat bijvoorbeeld ook geen uitingen van eiser op sociale media.

6.1

De rechtbank stelt voorop dat uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken I 2015-2016, 34 356 (R2064), nr. C, onderdeel 4) van artikel 14, vierde lid, van de RWN blijkt dat een ambtsbericht van de AIVD in voorkomend geval kan dienen als grondslag voor de intrekking van het Nederlanderschap. Verweerder heeft zich voor zijn besluit gebaseerd op het ambtsbericht, en niet op de onderliggende stukken. Het ambtsbericht is – zoals ook hiervoor is overwogen – naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet, inzichtelijk, feitelijk en op de persoon van eiser toegespitst. Tot slot overweegt de rechtbank dat, zoals verweerder terecht heeft gesteld, informatievergaring in het kader van de nationale veiligheid bij uitstek een taak en deskundigheid is van de AIVD.

7. Strafvervolging

De gemachtigde betoogt dat het Openbaar Ministerie (OM) negatief geadviseerd heeft. Het belang van strafrechtelijke vervolging dient, gelet op onder meer het ontbreken van rechtsmacht voor feiten die na de intrekking worden gepleegd, zwaarder te wegen dan het belang van intrekking van het Nederlanderschap. Dit geldt temeer nu een veroordeling voor een terroristisch misdrijf intrekking van het Nederlanderschap op andere grondslag ook mogelijk maakt. Verweerder heeft eerdere intrekkingsbesluiten die op basis van artikel 14, vierde lid, van de RWN waren genomen, ingetrokken. Het is niet duidelijk welke beleidslijn daaraan ten grondslag ligt.

7.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het OM blijkens de zich in het dossier bevindende brief van 13 januari 2020 niet negatief heeft geadviseerd omtrent de intrekking maar slechts op de mogelijke gevolgen voor het strafrechtelijk traject heeft gewezen. In voorkomende gevallen kan tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring hierbij een uitweg bieden.

7.2

In artikel 1, aanhef, en onder b, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: BVVN) is bepaald dat verweerder bij het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN rekening houdt met onder meer het eventuele belang van opsporing, vervolging en berechting van betrokkene en de mogelijkheid van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. In de toelichting op de wetsbepaling (zie Kamerstukken II 2015-2016, 34 356 (R2064), nr. 3 blz 8 onderaan) staat hierover onder meer vermeld dat tenuitvoerlegging van de opgelegde straf uiteraard wordt bemoeilijkt als betrokkene het Nederlanderschap is ontnomen en hij als ongewenst vreemdeling geen toegang tot Nederland meer heeft. Daarnaast dient te worden voorkomen dat een strafrechtelijk onderzoek op een ontijdig moment zou worden doorkruist door de intrekking van het Nederlanderschap.

7.3

Gelet op de wetsgeschiedenis is de mogelijkheid van intrekking van het Nederlanderschap bedoeld als aanvulling op het bestaande -strafrechtelijke- instrumentarium. De inzet van het strafrecht kan immers niet voorkomen dat een uitreiziger die geoefend is in het gebruik van geweld of het gebruik van geweld heeft gefaciliteerd, terugkeert naar Nederland. Veroordeling bij verstek heeft weinig effect zolang betrokkene in het buitenland is, omdat de eventuele straf niet kan worden geëxecuteerd. Vanwege het belang van bescherming van de nationale veiligheid en het voorkomen van mogelijke aanslagen bij terugkeer is het, aldus de wetgever, bezwaarlijk te wachten met intrekken van het Nederlanderschap totdat betrokkene is teruggekeerd en strafrechtelijk is vervolgd en veroordeeld (Kamerstukken II 2015-2016, 34 356 (R2064) nr. 3 blz 3 en 4).

7.4

De intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN is mogelijk indien uit gedragingen blijkt dat betrokkene zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie die op de lijst is geplaatst en die een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de mogelijkheid bestaat om de ongewenstverklaring van eiser tijdelijk op te heffen voor zover dat voor de strafrechtelijke procedure noodzakelijk is en dat dit uitgangspunt alleen relevant is als eiser op enig moment in het licht van een internationale signalering wordt aangehouden en de komst naar Nederland wegens een stafrechtelijke procedure aan de orde zou zijn, zodat de signalering ter fine van uit- of overlevering kan blijven staan en indien van toepassing ook kan worden uitgevoerd.

7.5

Verweerder heeft in het bestreden besluit tot intrekking van het Nederlanderschap voldoende rekening gehouden met de belangen zoals omschreven in artikel 1, aanhef en onder b, van het BVVN. De beroepsgrond dat verweerder de belangen niet kenbaar heeft afgewogen en het bestreden besluit daarom onvoldoende is gemotiveerd, slaagt niet.

8. Het beginsel van (non)discriminatie

De gemachtigde betoogt allereerst dat de intrekking van het Nederlanderschap in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, gezien het bepaalde in de Richtlijn 2000/43/EG in relatie tot artikel 21 van het Handvest. Voorts betoogt de gemachtigde onder meer dat de maatregel in strijd is met het beginsel van directe discriminatie op grond van ras of etnische afstamming omdat Nederlanders van niet westerse allochtone achtergrond niet met de maatregel worden geconfronteerd. Dat het Staatloosheidsverdrag de ontneming van het Nederlanderschap verbiedt bij monopatride Nederlanders maakt niet dat van willekeur geen sprake zou zijn. Daarnaast betoogt de gemachtigde dat sprake is van indirecte discriminatie omdat de maatregel leidt tot ongelijke behandeling van Nederlanders met een niet westerse tweede nationaliteit. Van een legitiem doel dat de maatregel kan rechtvaardigen, is geen sprake.

8.1

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

8.2

Zoals de rechtbank in eerdere soortgelijke zaken, waarin (nagenoeg) gelijkluidende beroepsgronden zijn aangevoerd, heeft overwogen, is zij van oordeel dat de intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN niet in strijd is met het verbod van discriminatie omdat deze bepaling in beginsel van toepassing is op een ieder die het Nederlanderschap bezit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5784). De verplichting tot het voorkomen van staatloosheid zoals opgenomen in het Verdrag tot beperking der Staatloosheid van 30 augustus 1961, Trb 1967, nr 124 (Staatloosheidsverdrag) en in artikel 7, derde lid, van het Europees Verdrag inzake nationaliteit (EVN) staat er aan in de weg het Nederlanderschap in te trekken van iemand die enkel de Nederlandse nationaliteit bezit en vormt een toereikende rechtvaardiging voor het directe onderscheid dat artikel 14, achtste lid, van de RWN maakt tussen Nederlanders met meerdere nationaliteiten en Nederlanders met alleen de Nederlandse nationaliteit. De verwijzing door de gemachtigde ter zitting naar artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (New York, 7 maart 1966) leidt niet tot een ander oordeel. Voor het indirecte onderscheid naar ras, etnische afkomst en religie bestaat naar het oordeel van de rechtbank een objectieve en redelijke rechtvaardiging. De doelstelling van de intrekking van het Nederlanderschap krachtens deze bepaling, het tot uitdrukking brengen dat eiser zich zodanig tegen de Nederlandse belangen heeft gekeerd dat de band met Nederland niet langer kan bestaan, is op zichzelf legitiem en eveneens in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarnaast is van belang dat verweerder heeft getoetst aan het (Unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel.

8.3

De rechtbank ziet zich voor haar oordeel dat de intrekking van het Nederlanderschap niet in strijd is met het verbod op discriminatie gesteund door het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 30 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3045). Voor wat betreft de werkingssfeer van de Richtlijn 2000/34/EG verwijst de rechtbank naar hetgeen de Afdeling daarover in die uitspraak heeft overwogen.

8.4

De rapporten en brieven waar de gemachtigde in het beroepschrift en ter zitting naar heeft verwezen, zoals de brief van de Commissie Meijers van 6 december 2020, en waarin andere opvattingen zijn beschreven, kunnen aan het voorgaande niet afdoen.

8.5

Ter zitting heeft de gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat, anders dan in de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 30 december 2020, in deze zaak bij gebrek aan een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling, geen bewijs is voor het feit dat als gevolg van de verweten gedragingen de nationale veiligheid in het geding is, zodat de maatregel discriminatoir is.

8.6

De rechtbank volgt dit betoog niet. Beoordeeld dient te worden of voldaan is aan het in artikel 14, vierde lid, van de RWN gestelde vereiste dat betrokkene (ook) na 11 maart 2017 was aangesloten bij een terroristische organisatie als bedoeld in deze bepaling. Voor de toepassing van deze bepaling is, anders dan bij artikel 14, tweede lid, van de RWN het geval is, niet vereist dat sprake is van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling. De rechtbank is van oordeel dat aansluiting bij een op de lijst geplaatste terroristische organisatie, gekwalificeerd dient te worden als gedrag dat de essentiële belangen van de Staat ernstig schaadt. Zoals hiervoor uiteengezet onder r.o. 4 is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat het door de AIVD uitgebrachte ambtsbericht voldoende feitelijke informatie bevat over de gedragingen van eiser en dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser ten tijde van belang was aangesloten bij een terroristische organisatie en aannemelijk is dat hij daarbij handelingen heeft verricht die maken dat hij zich zodanig tegen de Nederlandse belangen heeft gekeerd dat de band met Nederland niet langer kan bestaan en dat hij een gevaar voor de nationale veiligheid vormt.

9. Willekeur

Ten aanzien van de verwijzing ter zitting naar het arrest Ghoumid (Ghoumid e.a. tegen Frankrijk, arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 25 juni 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0625JUD005227316) overweegt de rechtbank als volgt. Voor zover de gemachtigde met deze verwijzing wil betogen dat bij de maatregel die aan eiser is opgelegd, sprake is van willekeur, slaagt dit betoog niet. De rechtbank is van oordeel dat artikel 14, vierde lid, van de RWN een bepaling is die bij wet is voorzien, objectief is geformuleerd -met dien verstande dat deze bepaling kan worden toegepast op iedere Nederlander met een tweede nationaliteit, ongeacht de vraag hoe lang de betrokkene in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en op welke wijze hij deze heeft verkregen-, gelet op de evenredigheidsbeoordeling niet willekeurig wordt toegepast en dat de procedure tot intrekking met de nodige waarborgen en rechtsbeschermingsmogelijkheden is omgeven.

10. Ongewenstverklaring (SGR 20/1511)

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de ongewenstverklaring van degenen van wie het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de RWN is ingetrokken, noodzakelijk is om legale terugkeer naar Nederland te voorkomen (Kamerstukken II, 2015-2016, 34 356 (R2064), nr. 3 onderdeel 5). Voor de motivering van het besluit tot ongewenstverklaring van eiser heeft verweerder aangesloten bij de overwegingen uit het besluit van gelijke datum (27 januari 2020) inhoudende de intrekking van het Nederlanderschap van eiser. Zoals hiervoor ten aanzien van het beroep tegen de intrekking is vermeld, heeft verweerder uit de beschikbare informatie terecht afgeleid dat boven redelijke twijfel verheven is dat eiser ten tijde van belang was aangesloten bij een terroristische organisatie. Als gevolg daarvan heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. De rechtbank ziet geen aanleiding om ten aanzien van de ongewenstverklaring een ander standpunt in te nemen. Aan de criteria voor toepassing van de artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, en e, van de Vw 2000 is voldaan.

10.1

Gemachtigde betoogt dat nu bij hem niets bekend is over eiser en hij daarom geen feiten of omstandigheden naar voren kan brengen over de worteling van eiser in Nederland en diens ‘family life’ als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), verweerder daar zelfstandig onderzoek naar had moeten doen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het vertrek van eiser uit Nederland op zijn laatst in 2012, zijn vestiging elders, het feit dat hij sympathie heeft opgevat voor de gewelddadige, extremistische, islamitische ideologie zoals het ambtsbericht van de AIVD vermeldt en zijn in dat ambtsbericht genoemde activiteiten, niet duiden op affiniteit met de Nederlandse samenleving. Verweerder stelt dat niet valt in te zien dat respect voor eisers gezins- of privéleven in de weg zou staan aan de ongewenstverklaring.

10.2

De rechtbank overweegt dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij de ongewenstverklaring dient te worden getoetst aan artikel 8 van het EVRM, hetgeen met name relevant zal zijn wanneer er familie- en gezinsleven in Nederland is. In het besluit tot ongewenstverklaring staat vermeld dat niet gebleken is dat eiser, die volgens het ambtsbericht van de AIVD reeds op 14 mei 2012 is uitgeschreven uit de basisregistratie personen van de gemeente Rotterdam naar de Registratie Niet-Ingezetenen als geëmigreerd naar Egypte, in Nederland nog familie- of gezinsleven uitoefent. De rechtbank stelt vast dat er geen feiten en omstandigheden over eiser bekend zijn en dat de vader van eiser ter zitting daarover ook niets heeft verklaard. De rechtbank volgt niet het betoog dat verweerder zelf onderzoek had moeten verrichten. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat het belang van de Staat bij bescherming van de nationale veiligheid en de internationale betrekkingen in dit geval dient te prevaleren boven het (mogelijke) belang van eiser bij een ongestoord familie- en gezinsleven in Nederland. Dit geldt ook voor het door dit artikel beschermde privéleven.

11. Conclusie

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op grond van de informatie uit het ambtsbericht bevoegd was tot intrekking van het Nederlanderschap van eiser en tot diens ongewenstverklaring over te gaan en op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Van onevenredigheid van de opgelegde maatregel ten opzichte van de individuele belangen van eiser is de rechtbank niet gebleken. Hetgeen meer of overigens is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

12. De rechtbank komt tot de slotsom dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, voorzitter, en mr. D. Biever en mr. M.J.L. van der Waals, leden, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Meide, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2021.

De voorzitter is verhinderd te ondertekenen

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.