Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2089

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
NL21.2395 en NL21.2397
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asielaanvraag, Dublinverordening, Italie, gezin met jonge kinderen, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummers: NL21.2395 en NL21.2397

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] en [eiser 2], mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen

[eiser 3] en [eiser 4], eisers

V-nummers: [V-nummer], [V-nummer], [V-nummer] en [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.W.F. Klarenaar), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. Visschers).

Procesverloop

In de besluiten van 16 februari 2021 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

De zitting heeft, samen met de behandeling van de zaken NL21.2396 en NL21.2398, plaatsgevonden op 2 maart 2021. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen A.K. Nyaku. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen. De reden daarvoor is dat volgens verweerder op grond van de Dublinverordening Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen, omdat eisers daar eerder een asielaanvraag hebben ingediend.

2. Eisers zijn het hier niet mee eens. Volgens eisers kunnen zij niet terug naar Italië, omdat de situatie daar heel slecht is voor asielzoekers. Zij voeren aan dat zij zich met hun problemen tot de Italiaanse autoriteiten hebben gewend, maar geen gehoor vonden. Zij hadden wel een soggiorno gekregen en om verlenging gevraagd, maar hebben Italië verlaten voordat op dat verzoek was beslist. De reden daarvoor was dat eiseres in verwachting was van de tweeling en eisers al niet in staat waren om de schoolkosten voor hun twee oudste kinderen te betalen. Verder voeren eisers aan dat de opvang voor hen als gezin met vier minderjarige kinderen, waaronder een op [2021] geboren tweeling, niet

gewaarborgd is. Daar merken zij bij op dat sinds de uitbraak van het Corona-virus er maar mondjesmaat overdrachten naar Italië plaatsvinden. Volgens eisers is het nog maar de vraag of zij wel binnen de overdrachtstermijn kunnen worden overgedragen aan Italië.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van Italië heeft mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft dit recent bevestigd in onder meer de uitspraken van 8 april 20201 en 15 oktober 20202. Dit betekent onder andere dat verweerder ervan uit mag gaan dat Italië zich aan de Verdragsverplichtingen en de verplichtingen uit de toepasselijke richtlijnen houdt. Het ligt op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat dit niet klopt. Daarin zijn eisers niet geslaagd. Hun enkele stellingen zijn hiervoor namelijk onvoldoende. Om aan te nemen wat eisers stellen, heeft de rechtbank onderbouwing nodig. Bijvoorbeeld stukken waaruit blijkt dat Italië heeft geweigerd eisers bescherming te geven of algemene openbare bronnen waaruit blijkt dat dit structureel gebeurt. Die hebben eisers niet overgelegd.

5. In de samenstelling van hun gezin, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om tot een andere conclusie te komen. Daarvoor is van belang dat de ABRvS vorig jaar meerdere uitspraken heeft gedaan waarin de vraag aan de orde was of verweerder bij Italië terecht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat, ook als het gaat om de opvang van bijzonder kwetsbare vreemdelingen, zoals bijvoorbeeld gezinnen met kleine kinderen.3 De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het geval van eisers ook terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eisers hebben namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de opvangvoorzieningen in Italië zodanig structureel zijn verslechterd sinds de uitspraken van de ABRvS dat voor bijzonder kwetsbare vreemdelingen een reëel risico op een behandeling bestaat in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 4 van het Handvest. In dat verband is nog van belang dat als eisers van mening zijn dat Italië wel in strijd met de richtlijnen handelt, het aan hen is om hierover bij de (hogere) Italiaanse autoriteiten te klagen. Het is niet gebleken dat klagen voor eisers onmogelijk of zinloos is.

6. De uitbraak van het Corona-virus maakt het voorgaande niet anders. Het is niet gebleken dat de uitbraak van het Corona-virus in Italië op dit moment en in de nabije toekomt zo nijpend is (en anders dan in Nederland) dat eisers niet binnen de overdrachtstermijn kunnen worden overgedragen aan Italië. Daarnaast is van belang dat de uitbraak van het Corona-virus een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel is. Het maakt de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat -waar deze procedure om draait- niet onrechtmatig en staat er niet aan in de weg dat, als dat beletsel is opgeheven, eisers in beginsel alsnog kunnen worden overgedragen.4 De beroepsgronden slagen niet.

7. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling heeft hoeven nemen, omdat Italië hiervoor verantwoordelijk is. Daarbij heeft verweerder mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In wat eisers

1. ECLI:NL:RVS:2020:986.

2 ECLI:NL:RVS:2020:2449.

3 Zie de uitspraken van 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987) en van 5 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1848, ECLI:NL:RVS:2020:1849 en ECLI:NL:LRVS:2020:1850).

4 Zie de uitspraak van de ABRvS van 15 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2449).

hebben aangevoerd, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien de asielverzoeken alsnog in behandeling te nemen.

8. De beroepen zijn ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

05 maart 2021

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl

Mr. J.J. Catsburg S. Westerhof

Rechter Griffier

Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling

bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.