Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:2030

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
NL21.2329
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde asielaanvraag - geen nova - geen reden voor een afgeleide vvr - eerste asielaanvraag zoon - geen asielmotieven, geen reden voor ambtshalve vvr - beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.2329

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] (eiseres) en [eiser] (eiser), eisers V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer]

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou).

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft verder aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren. De aanvraag van eiser heeft verweerder afgewezen als kennelijk ongegrond. Aan eiser is een vertrektermijn van 28 dagen verleend.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.2330, plaatsgevonden op 2 maart 2021. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer A. Baban. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt dat zij de Libische nationaliteit heeft en dat zij is geboren op [1989]. Eiser is geboren op [2019] in Nederland.

De asielaanvraag van eiseres

2. Eiseres heeft eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 12 oktober 2018 afgewezen. Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van

19 december 20181 is dat besluit in rechte komen vast te staan.

1. V2 en 20180921 2/2/V2.

3. Op 2 mei 2019 heeft eiseres opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Die aanvraag ligt ten grondslag aan het nu bestreden besluit. Eiseres heeft in de kennisgeving van haar opvolgende asielaanvraag aangegeven dat de reden voor deze aanvraag verband houdt met de geboorte van haar zoon [eiser] (eiser dus). Eiseres heeft verder aangegeven dat de vader van haar zoon, de heer [vader van zoon], in Nederland is toegelaten als vluchteling. Ter onderbouwing heeft eiseres een rapport DNA- onderzoek overgelegd waaruit blijkt dat [vader van zoon] de vader is van [eiser]. Eiseres heeft opgemerkt dat vanwege de geboorte van [eiser] en het resultaat van het DNA-onderzoek in ieder geval sprake is van een serieuze relatie en dat eiseres daarom tenminste in aanmerking moet komen voor een afgeleide verblijfsvergunning.

4. Verweerder heeft die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiseres geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Hij heeft dit gedaan onder verwijzing naar het hierboven genoemde besluit van 12 oktober 2018. Hij heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

5. Als er geen relevante wijziging van het recht is, toetst de rechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of verweerder de aanvraag niet ten onrechte niet- ontvankelijk heeft verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 22 juni 2016.2 Nieuwe elementen of bevindingen zijn feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en dus moesten worden aangevoerd. Daaronder vallen ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van dat eerdere besluit konden en dus moesten worden overgelegd.

Nieuwe elementen of bevindingen

6. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat de overgelegde geboorteakte van [eiser] en de uitslag van het DNA-onderzoek niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe elementen of bevindingen. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom deze bewijzen niet relevant worden geacht voor het bewijzen van het gestelde huwelijk.

7. De rechtbank is anders dan eiseres van oordeel dat verweerder voldoende gemotiveerd heeft waarom de geboorteakte van [eiser] en de uitslag van het DNA-onderzoek niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe elementen of bevindingen. Eiseres heeft aan haar eerste asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij Libië heeft verlaten vanwege de chaos sinds 2011. Sinds het huwelijk van eiseres zijn de problemen verergerd. Dit omdat haar familie tegen het huwelijk met haar man is. Bij het besluit van 12 oktober 2018 is vastgesteld dat de overgelegde huwelijksakte geen betrekking heeft op eiseres en dat het gestelde huwelijk van eiseres met [vader van zoon] daarom ongeloofwaardig is. Omdat het gestelde huwelijk van eiseres ongeloofwaardig is geacht, zijn ook de daaruit door eiseres gestelde voorvloeiende problemen ongeloofwaardig geacht. Daarnaar heeft verweerder in deze procedure verwezen. Ter zitting is met partijen vastgesteld dat in deze procedure dezelfde

2 ECLI:NL:RVS:2016:1759.

huwelijksakte is ingediend als bij de eerste asielaanvraag was ingediend en waarvan dus in rechte vaststaat dat die geen betrekking heeft op eiseres. Met het enkel overleggen van de geboorteakte van [eiser] en de uitslag van het DNA-onderzoek heeft eiseres het gestelde huwelijk niet alsnog aannemelijk gemaakt. Voor zover eiseres subsidiair heeft aangevoerd dat zij een duurzame en exclusieve relatie heeft met [vader van zoon] overweegt de rechtbank dat eiseres dit standpunt niet heeft onderbouwd. Het enkele feit dat zij een kind heeft met [vader van zoon] is daartoe onvoldoende. De beleidsregels ten aanzien van Unieburgers zijn niet op eiseres van toepassing, nu zij noch [vader van zoon] een Unieburger is.

Artikel 83.0a van de Vw

8. Eiseres voert aan dat zich bijzondere omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar3 en artikel 83.0a van de Vw voordoen. Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer een reëel risico loop op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat zij als moslima getrouwd is met een man die een ander geloof aanhangt en zij ten gevolge daarvan als afvallige wordt gezien, waardoor zij ook dreigberichten ontvangt, zoals deze zijn bijgevoegd bij de zienswijze.

9. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van het bestaan van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden. Hetgeen eiseres in dit kader heeft aangevoerd, ziet namelijk op haar ongeloofwaardig geachte asielrelaas. Zoals ook onder 7 is geoordeeld heeft eiseres met deze aanvraag niet alsnog haar gestelde huwelijk met [vader van zoon] aannemelijk gemaakt. Van de gestelde dreigberichten – die eiseres eerst in de zienswijze heeft overgelegd – heeft zij geen vertaling overgelegd en ook heeft eiseres niet aangegeven door wie zij dan wordt bedreigd. In wat eiseres stelt zijn daarom geen bijzondere omstandigheden te vinden die vereist zijn voor een succesvol beroep op deze toets.

Afgeleide verblijfsvergunning van kind

10. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte geen van [eiser] afgeleide verblijfsvergunning heeft verleend. [eiser] is immers geboren in Nederland en zijn vader is in Nederland woonachtig. Dit maakt dat [eiser] in aanmerking komt voor de Nederlandse nationaliteit en daarmee dus ook het Unieburgerschap. Indien [eiser] de Nederlandse nationaliteit verkrijgt, ontstaat ook de mogelijkheid dat eiseres alsnog een afgeleide verblijfsvergunning verkrijgt op grond van artikel 8 van het EVRM of op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Het is dan onredelijk om eiseres (nu) op te dragen Nederland te verlaten.

11. De rechtbank overweegt dat uit artikel 29, tweede lid, van de Vw volgt op welke gronden eiseres in aanmerking kan komen voor een afgeleide verblijfsvergunning. Nu de zoon van eiseres niet beschikt over een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw, kan aan eiseres geen afgeleide verblijfsvergunning worden verleend. De beroepsgrond faalt reeds daarom.

3 EHRM, 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.

Afgeleide verblijfsvergunning van [vader van zoon]

12. Eiseres voert verder aan dat zij een van [vader van zoon] afgeleide verblijfsvergunning dient te verkrijgen. Verweerder heeft in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel het huwelijk niet geloofwaardig geacht onder verwijzing naar de eerder ongeloofwaardige geachte huwelijksakte. Eiseres is het niet er niet mee eens dat de huwelijksakte op een ander zou zien. Bij de zienswijze heeft zij een document overgelegd ter onderbouwing. Dit is in samenhang met de het feit dat zij samen met [vader van zoon] een zoon heeft en zij samen zorg dragen voor zijn opvoeding genoeg om in aanmerking te komen voor een afgeleide verblijfsvergunning. Ter zitting is daarnaast gebleken dat het huwelijk is ingeschreven bij de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente.

13. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar 7 dat eiseres in deze procedure haar eerder ongeloofwaardig geachte huwelijk met [vader van zoon] niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt. Ter zitting is gebleken dat de inschrijving in het BRP is geschied op basis van dezelfde huwelijksakte die was overgelegd in de eerste asielprocedure en waarvan is geoordeeld dat die geen betrekking heeft op eiseres. Met die inschrijving in het BRP is dat huwelijk dus evenmin komen vast te staan.

14. De subsidiaire stelling van eiseres dat zij een relatie heeft met [vader van zoon] en dat verweerder daar nader onderzoek naar had moeten doen, volgt de rechtbank niet. Zoals volgt uit rechtspraak van de ABRvS4 volgt uit artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw niet dat verweerder in een geval waarin een vreemdeling aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd dat hij gehuwd is, maar dat huwelijk niet aannemelijk kan maken, ook moet beoordelen of die vreemdeling wel in aanmerking komt voor vergunningverlening indien hij aan zijn aanvraag een partnerschapsrelatie ten grondslag zou hebben gelegd. Bovendien heeft eiseres zowel in de kennisgeving als in de zienswijze geen informatie over verschaft over haar gestelde relatie met [vader van zoon].

Vertrektermijn

15. Eiseres voert verder aan dat de gestelde vertrektermijn onredelijk is, zo lang de eerste procedure van haar zoon nog loopt. Eiseres moet de gelegenheid worden geboden om de procedure van haar zoon in Nederland af te wachten.

16. De rechtbank is van oordeel dat deze grond niet kan slagen. De vertrektermijn van eiseres is bij het besluit van 12 oktober 2018 aan haar opgelegd en dit besluit staat in rechte vast.

Horen

17. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat verweerder haar had moeten horen overweegt de rechtbank als volgt. Het indienen van een herhaalde aanvraag maakt niet dat de indiener van deze aanvraag (nogmaals) moet worden gehoord. In dit verband verwijst de rechtbank naar artikel 3.118b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) waarin is neergelegd dat kan worden afgezien van het horen als de kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen die nodig is voor het kunnen nemen van de beschikking,

4 Zie de uitspraak van 19 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2786.

vergaard kan worden zonder nader gehoor. In paragraaf C1/2.9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is een niet-limitatieve lijst opgenomen van situaties waarin verweerder kan besluiten om af te zien van een gehoor. Eén van de genoemde situaties is als de vreemdeling zich beroept op hetzelfde asielrelaas als in een eerdere procedure zonder dat er nieuwe elementen of bevindingen zijn, dan wel zonder horen kan worden vastgesteld dat de nieuwe elementen of bevindingen niet relevant zijn. Zoals weergegeven onder 7 is van een dergelijk geval sprake.

De asielaanvraag van eiser

18. De aanvraag van eiser heeft verweerder afgewezen als kennelijk ongegrond. Aan eiser is een vertrektermijn van 28 dagen verleend. Verder heeft verweerder aan eiser niet op grond van artikel 3.6a van het Vb ambtshalve een verblijfsvergunning verleend.

19. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder de aanvraag van eiser heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. In geschil is enkel of verweerder aan eiser ambtshalve een vergunning had moeten verlenen.

20. Zoals volgt uit artikel 3.6a van het Vb kan bij afwijzing van de eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alsnog ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend:

  1. an de vreemdeling wiens uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; of

  2. onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden aan de vreemdeling die slachtoffer-aangever, slachtoffer of getuige-aangever is van mensenhandel, bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, onder a, b of c.

Afgeleide verblijfsvergunning

21. Eiser voert aan dat uit het DNA-onderzoek is gebleken dat [vader van zoon] zijn vader is en dat hij daarom recht heeft op een afgeleide verblijfsvergunning. Eiser is geboren in Nederland en heeft zijn hele leven gewoond in Nederland. Ook zijn vader woont hier, zodat Nederland het aangewezen land voor hem is. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van het kind.

22. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 29, tweede lid, van de Vw. De rechtbank overweegt dat eiser niet nader heeft toegelicht met welke belangen van het kind verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden. Daarom kan ook deze grond niet slagen.

Artikel 8 van het EVRM

23. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere vergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Het feit dat [vader van zoon] de biologische vader is van eiser geeft aanleiding om aan te nemen dat sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft frequent contact met zijn vader.

24. De rechtbank overweegt dat gelet op hetgeen onder 7 is geoordeeld eiser niet kan worden aangemerkt als een kind dat is geboren uit een huwelijk of een met het huwelijk op één lijn te stellen relatie. Uit rechtspraak van de ABRvS5 volgt dat als sprake is van een kind dat niet is geboren uit een huwelijk of een met het huwelijk op één lijn te stellen relatie, de enkel biologische verwantschap onvoldoende is om beschermenswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen een biologische vader en zijn kind aan te nemen. Eiser heeft niet nader gemotiveerd waarom er volgens hem sprake is van beschermenswaardig gezinsleven. Eerst in de gronden van beroep heeft eiser aangevoerd dat hij frequent contact heeft met zijn vader, maar eiser heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd. Eiser heeft geen nader inzicht gegeven in de feitelijke invulling van het gezinsleven dat hij voert met zijn vader. Daarmee kon verweerder zich op het standpunt stellen dat niet is gebleken van beschermenswaardig gezinsleven. Ook deze grond faalt dan ook.

Conclusie

25. De aanvraag van eiseres is terecht niet-ontvankelijk verklaard en de aanvraag van eiser heeft verweerder kennelijk ongegrond kunnen verklaren. Het beroep is ongegrond.

26. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

5 De uitspraak van de ABRvS van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2366.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van

L.S. Lodder, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

04 maart 2021

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.