Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:198

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-01-2021
Datum publicatie
15-01-2021
Zaaknummer
C/09/605372 / FT RK 21/9 HO
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WHOA: afkondiging afkoelingsperiode en opheffing beslagen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 370
Faillissementswet 374
Faillissementswet 375
Faillissementswet 376
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2021-0030
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – meervoudige kamer

afkondigen afkoelingsperiode & opheffing beslagen

rekestnummer: C/09/605372 / FT RK 21/9 HO

uitspraakdatum: 15 januari 2021

beschikking op het ingekomen verzoek ex artikel 376 Fw, met bijlagen, van

[verzoeker],

handelend onder de namen [A] en [B],

wonende en zaak doende te Den Haag

verzoeker,

advocaat: mr. drs. M. Vriezekolk te Zutphen.

1 De procedure

1.1.

Verzoeker heeft op 4 januari 2021 een verklaring ex artikel 370 lid 3 Faillissementswet (Fw) ter griffie gedeponeerd en verzocht een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw te gelasten voor een periode van twee maanden.

1.2.

Verzoeker heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.

1.3.

Het verzoek is op 8 januari 2021 in aanwezigheid van verzoeker, zijn advocaat en mevrouw [Z] in raadkamer behandeld.

1.4.

Ter terechtzitting is het verzoek nader toegelicht en heeft verzoeker – aanvullend – ook een verzoek gedaan tot opheffing van de beslagen die door [beslaglegger 1] ([beslaglegger 1]) en [beslaglegger 2] (beslaglegger 2) zijn gelegd op de voorraad en de bedrijfsinventaris van verzoeker.

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

2.1.

Verzoeker woont in Den Haag en oefent daar een bedrijf uit. De bedrijfsactiviteiten van verzoeker bestaan met name uit [....].

2.2.

[Beslaglegger 1] en [Beslagger 2] hebben beslag gelegd op de voorraad en de inventaris van verzoeker.

2.3.

In de op 5 januari 2021 gedeponeerde startverklaring heeft verzoeker toegezegd dat binnen twee maanden een akkoord zal worden aangeboden.

3 Het standpunt van verzoeker

3.1

Verzoeker heeft onder meer aangevoerd dat zijn onderneming vanwege persoonlijke omstandigheden van 2016 tot en met 2019 verliezen heeft geleden. De afgelopen jaren zijn er kostenbesparende maatregelen getroffen. Die maatregelen hebben er toe geleid dat een positief bedrijfsresultaat kan worden gerealiseerd. Om de onderneming te kunnen voortzetten, zal er echter wel een oplossing moeten komen voor de huidige schulden. De preferente schuldenlast (fiscus) bedraagt € 26.817,- en de concurrente schuldenlast € 120.497,92. Laatst vermeld bedrag dient nog te worden verhoogd met € 50.000,-, zijnde een door een derde verstrekte lening die verzoeker aanvankelijk buiten een akkoord wilde houden.

3.2

Verzoeker vreest dat schuldeisers zijn faillissement zullen aanvragen of verdere verhaalsacties zullen nemen. Dit zal een akkoord onmogelijk maken en een faillissement is dan waarschijnlijk onvermijdelijk. In dat geval is de kans groot dat de schuldeisers niets zullen ontvangen. Als een akkoord slaagt zal – dankzij een extern financier – de preferente schuldeiser vermoedelijk betaling van 45% van zijn vordering ontvangen en zullen de concurrente schuldeisers vermoedelijk betaling van 22,5% van hun vorderingen ontvangen. Dit zal echter enkel het geval zijn wanneer verzoeker zijn bedrijf kan voortzetten en dit is ook waarop de verzoeken tot afkondiging van een afkoelingsperiode en tot opheffing van de beslagen zijn gericht. Voor zover nu kan worden voorzien worden de schuldeisers hierdoor niet wezenlijk in hun belangen geschaad, aldus verzoeker.

4 De beoordeling

4.1

Het onderhavige verzoek is een verzoek op basis van de tweede afdeling van titel IV van de Faillissementswet (Homologatie van een onderhands akkoord, artikel 369 e.v. Fw.). Het verzoek ziet op het afkondigen van een – eerste – afkoelingsperiode en het opheffen van beslagen die ten laste van verzoeker zijn belegd (artikel 376 Fw).

4.2

Verzoeker heeft de keuze gemaakt voor een besloten akkoordprocedure en heeft daarbij aangevoerd welke redenen daaraan ten grondslag liggen. Nu verzoeker de keuze heeft gemaakt voor een besloten akkoordprocedure is dit verzoek in raadkamer behandeld. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om derden in de gelegenheid te stellen hun zienswijze te geven op het verzoek.

Rechtsmacht en bevoegdheid

4.3

Verzoeker woont in Den Haag en oefent daar een bedrijf uit. Gezien het bepaalde in artikel 369 lid 7 aanhef en onder b Fw juncto artikel 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om dit verzoek in behandeling te nemen.

Startverklaring en afkoelingsperiode

4.4 .

Verzoeker heeft op 5 januari 2021 een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw gedeponeerd ter griffie van de rechtbank. Hij heeft toegezegd dat hij binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw zal aanbieden. Verzoeker heeft ter zitting voldoende deugdelijk en concreet onderbouwd met welke middelen hij binnen deze termijn een akkoord kan aanbieden aan zijn schuldeisers. Verzoeker kan dan ook worden ontvangen in zijn verzoek om een afkoelingsperiode.

Noodzaak afkoelingsperiode

4.5.

Bij de behandeling van het verzoek is summierlijk gebleken dat een afkoelingsperiode noodzakelijk is om de door verzoeker gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten. Dit geldt ook in de huidige situatie waarin verzoeker bij de winkelverkoop beperkingen van de corona-maatregelen ondervindt. Het bij elkaar houden en kunnen voortzetten van de

– volgens de stellingen van verzoeker op zichzelf levensvatbare – onderneming is een belangrijk onderdeel van het beoogde akkoord.

Belangen schuldeisers

4.6

Uit de stellingen van verzoeker volgt dat indien de onderneming kan worden gecontinueerd een derde bereid is om een bedrag van € 50.000,- ten behoeve van een akkoord ter beschikking te stellen. Ook volgt daaruit, en uit de door verzoeker overgelegde taxatie van de voorraad en inventaris van verzoeker, dat met een akkoord een hogere uitkering aan de schuldeisers zal kunnen plaatsvinden dan ingeval van een faillissement; een faillissement dat zonder totstandkoming van een akkoord waarschijnlijk onafwendbaar zal zijn. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verzoeker heeft aangevoerd dat zijn activa met name bestaan uit bedrijfsinventaris en voorraad en dat deze zijn getaxeerd op een liquidatiewaarde van € 13.585,- en een onderhandse verkoopwaarde van € 13.715,-. Niet onaannemelijk is dat dergelijke bedragen in een faillissementssituatie geheel of grotendeels zullen opgaan aan faillissementskosten en het salaris van de curator. Dit alles maakt dat de rechtbank tevens van oordeel is dat thans summierlijk is gebleken dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers gediend zijn met het gelasten van een afkoelingsperiode; een afkoelingsperiode waarvan eveneens summierlijk is gebleken dat die noodzakelijk zal zijn ter voorbereiding van een akkoord dat in het belang van de gezamenlijk schuldeisers is. Het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode zal dan ook worden toegewezen.

Opheffing beslagen

4.7.

Naar het oordeel van de rechtbank is summierlijk gebleken dat de beslagleggers niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad door opheffing van de beslagen. De beslagleggers worden weliswaar door de opheffing van de beslagen geraakt, maar niet zodanig dat sprake is van “wezenlijk” schaden van hun belangen. De inventaris zal de komende periode slechts beperkt worden gebruikt en zal daardoor niet wezenlijk in waarde dalen. Verzoeker is voor zijn omzet met name afhankelijk van winkelverkoop. Bovendien is voldoende aannemelijk geworden dat het niet vrijelijk kunnen beschikken over inventaris en voorraad en (de aankondiging van) een executoriale verkoop daarvan de kans op het realiseren van externe financiering doet dalen en zal kunnen leiden tot een spoedig faillissement waarin (ook) de beslagleggers niets zullen ontvangen. Het verzoek tot opheffing van de beslagen zal eveneens worden toegewezen.

Voorzieningen

4.8

De rechtbank acht redenen aanwezig om te bepalen dat verzoeker de rechtbank uiterlijk 15 februari 2021 moet informeren over de voortgang van de akkoordprocedure. Dit dient te gebeuren door middel van een schriftelijk verslag waaruit moet blijken welke acties verzoeker heeft ondernomen om tot een akkoord te komen, in hoeverre is voldaan aan de vereisten die de wet stelt aan het indienen van akkoord (onder meer artikel 374 en 375 Fw) en wanneer een akkoord aan de schuldeisers zal worden voorgelegd.

5 De beslissing

De rechtbank:

- kondigt een afkoelingsperiode als bedoeld in artikel 376 Fw af voor een periode van twee maanden, ingaande 15 januari 2021, die inhoudt:


- dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van verzoeker behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van verzoeker bevinden, gedurende een periode van twee maanden niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat een akkoord wordt voorbereid;


- dat de behandeling van een verzoek tot verlening van surséance van betaling, een eigen aangifte of een door de schuldeiser jegens de schuldenaar ingediend verzoek tot faillietverklaring wordt geschorst;

- heft op de beslagen die door die door [Beslaglegger 1] en [Beslaglegger 2] zijn gelegd op de voorraad en de inventaris van verzoeker;

- bepaalt dat de rechtbank uiterlijk 15 februari 2021 moeten worden geïnformeerd over de voortgang van de akkoordprocedure, op de wijze zoals hiervoor onder 4.8. beschreven.

Deze beslissing is gegeven door mr. R. Cats, voorzitter, mr. F. Damsteegt-Molier en mr. M.C. Bosch, rechters, en is in aanwezigheid van mr. A.M. Pieters-Boelhouwer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2021.

De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.