Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:1956

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
17-03-2021
Zaaknummer
SGR 18/5246
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek - dierproeven - dierenrechtenactivisme - beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/5246


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2021 in de zaak tussen

De erf van [eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. H. van Drunen),

en

Centrale Commissie Dierproeven, verweerder

(gemachtigden: mr. J.P. Bos en mr. D. Tangali).

Als derde-partij nemen aan het geding deel:

Erasmus Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC), te Rotterdam

(gemachtigde: mr. E. Dans).

Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), te Amsterdam(gemachtigden: mr. Y. Ritzen en mr. Q. van Voorst)

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2016 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 25 juni 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat ten aanzien van (enkele passages van) op de zaak betrekking hebbende stukken alleen de rechtbank van deze stukken kennis mag nemen. Bij beslissing van 9 oktober 2018 heeft deze rechtbank bepaald dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Bij brief van 15 oktober 2018 heeft eiser de rechtbank toestemming gegeven van de vertrouwelijke overgelegde stukken kennis te nemen, voor zover het de stukken betreffen om welke eiser met zijn Wob-verzoek heeft verzocht.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


De derde-partijen hebben een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft, via een Skype-verbinding, plaatsgevonden op 20 januari 2021. Eiser, verweerder en de derde-partijen hebben zich tijdens de zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens zijn namens het Erasmus MC verschenen [A] en mr. [B] .

Overwegingen

1.1.

Eiser heeft op 11 januari 2016 verweerder op grond van de Wob verzocht om toezending van informatie over de niet-technische samenvattingen van BPRC. Erasmus MC, KNAW-NHI en Radboud Universiteit. Eiser heeft hierbij aangegeven specifiek op zoek te zijn naar aanvraagformulieren, projectvoorstellen, adviezen van de Dierexperimentencommissies, andere adviezen, vergunningen en alle communicatie over project(voorstellen) en afgeleverde vergunningen ervoor.

1.2.

Bij het primaire besluit van 26 april 2016 heeft verweerder op het Wob-verzoek beslist en kenbaar gemaakt dat een deel van de door eiser opgevraagde informatie zal worden verstrekt. Voor het overige heeft verweerder geweigerd om de gevraagde informatie openbaar te maken op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob en artikel 11, eerste lid, van de Wob.

1.3.

Op 23 mei 2016 heeft Erasmus MC bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. De overige vergunninghouders hebben geen bezwaar gemaakt.

2. Verweerder heeft het bezwaar van eiser bij het bestreden besluit van 25 juni 2018 ongegrond verklaard en het bezwaar van Erasmus MC deels gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit in zoverre gewijzigd dat alle door eiser gevraagde informatie ten aanzien van Erasmus MC wordt geweigerd. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat Erasmus MC aannemelijk heeft gemaakt dat openbaarmaking van de stukken een verhoogde dreiging van dierenrechtenactivisme met zich brengt. Verweerder legt hierbij uit dat ook als persoonsnamen en adresgegevens worden geanonimiseerd, op grond van de gegevens een directe koppeling gemaakt kan worden tussen de gegevens en Erasmus MC. Het voorgaande brengt verweerder tot de conclusie dat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het voorkomen van onevenredige benadeling van Erasmus MC en haar medewerkers zwaarder weegt dan het belang van het verstrekken van de gevraagde informatie.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. De rechtbank gaat in het navolgende – voor zover van belang – in op hetgeen namens eiser is aangevoerd.

4. Het juridisch kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Procesbelang

6. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of er nog procesbelang is bij het beroep, nu Deckers (de oorspronkelijke indiener van het Wob-verzoek) op 29 juni 2020 is komen te overlijden. De rechtbank overweegt dat bij brief van 31 augustus 2020 kenbaar is gemaakt dat eiser de zaak wenst voort te zetten. Hierin heeft eiser toegelicht dat hij de enige erfgenaam van Deckers is en hem als voorzitter opvolgt bij twee stichtingen die zich inzetten voor dierenrechten. De rechtbank overweegt verder dat het beoogde resultaat nog aanwezig is en dat bij een wob-verzoek de vraag wie de verzoeker is, een minder grote rol speelt. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat er nog procesbelang bestaat.

Misbruik van recht

7.1.

De rechtbank laat zich daarnaast uit over de vraag of sprake is van misbruik van recht. Erasmus MC heeft in haar schriftelijke uiteenzetting van de zaak de vraag opgeworpen of in deze zaak sprake is van misbruik van recht en of het beroep daarom niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Hierbij heeft Erasmus MC verwezen naar een aan eiser gericht besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

7.2.

De rechtbank overweegt dat voor een niet-ontvankelijkverklaring zwaarwichtige gronden vereist zijn, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 13 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:54). De rechtbank ziet in dit geval, evenals verweerder, geen aanleiding voor het oordeel dat eiser met zijn Wob-verzoek misbruik van recht heeft gemaakt.


Wob en de Wet op de dierproeven (Wod)

8.1.

Erasmus MC betoogt dat de Wod en niet de Wob van toepassing is, nu de Wod een bijzondere openbaarmakingsregeling is. Hiervoor verwijst Erasmus MC naar artikel 10a1, zevende lid, van de Wod, in samenhang met artikel 4 van de Dierproevenregeling 2014 en artikel 43 van de Richtlijn 2010/63/EU (hierna: de Dierproevenrichtlijn).

8.2.

Zoals de Afdeling heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:186) wijkt de Wob als algemene openbaarmakingsregeling voor bijzondere regelingen, indien deze zijn neergelegd in een formele wet en indien de bijzondere regeling bovendien uitputtend van aard is. Dat laatste is het geval indien de regeling ertoe strekt te voorkomen dat door toepassing van de Wob afbreuk zou worden gedaan aan de goede werking van de materiële bepalingen in de bijzondere wet.

8.3.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor de conclusie dat de Wod een bijzondere openbaarmakingsregeling is die voorgaat op de Wob. De rechtbank maakt uit de Memorie van Toelichting (MvT, 2012-2013, 33 692, 3nr. 3) bij de Wod op dat er in deze wet ruimte is gelaten om een belangenafweging te maken bij een Wob-verzoek. De rechtbank wijst hierbij met name op pagina 14 van de MvT. Voorts overweegt de rechtbank dat uit de door Erasmus MC aangehaalde bepalingen alleen valt af te leiden dat er een voorgeschreven minimum aan informatieverstrekking bestaat. Van een uitputtende regeling tot openbaarmaking die aan de Wob derogeert is volgens de rechtbank geen sprake.


Integrale weigering ten aanzien van de stukken van Erasmus MC

9.1.

Ter zitting heeft eiser toegelicht dat zijn beroep alleen nog is gericht tegen de integrale weigering van verweerder ten aanzien van de opgevraagde stukken van Erasmus MC. Eiser betoogt dat verweerder geen gedegen belangenafweging heeft gemaakt en dat verweerder ten onrechte de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van Erasmus MC zwaarder heeft laten wegen dan het algemene belang bij openbaarmaking van de verzochte gegevens. Hieraan legt eiser ten grondslag dat niet is aangetoond dat sprake is van een dreiging van dierenrechtenactivisme ten aanzien van Erasmus MC. Volgens eiser moet deze dreiging wel worden aangetoond en inzichtelijk worden gemaakt, maar kunnen verweerder en Erasmus MC dit niet. Eiser stelt namelijk dat er de afgelopen tijd op grote schaal informatie openbaar is gemaakt, maar dat dit nooit tot acties van dierenrechtenactivisten heeft geleid. Verder betoogt eiser dat verweerder de verzochte informatie niet integraal heeft mogen weigeren, nu Erasmus MC in de zienswijze heeft ingestemd met een gedeeltelijke openbaarmaking.

9.2.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennisgenomen van de vertrouwelijk overgelegde stukken.

9.3.

De rechtbank overweegt dat Erasmus MC in eerste instantie toestemming heeft gegeven om de gevraagde stukken deels openbaar te maken, maar dat zij haar standpunt hierover later heeft gewijzigd. Bij nader inzien bleek volgens Erasmus MC dat de gegevens in de stukken herleidbaar waren naar haar, ondanks dat sommige passages waren gelakt.

9.4.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het openbaar maken van stukken het uitgangspunt is en dat de beslissing hierover zelfstandig door verweerder wordt genomen. Verweerder heeft hieraan toegevoegd dat het echter zwaar wordt meegewogen als de betreffende vergunninghouder vanwege bijzondere omstandigheden bezwaar heeft tegen het (deels) openbaar maken van stukken. De gedachte hierachter is dat de vergunninghouder het risico draagt voor eventueel nadelige gevolgen van het openbaar maken.

9.5.

Zoals verweerder en Erasmus MC terecht hebben gesteld, blijkt uit jurisprudentie van de Afdeling over mogelijke doelwitten van dierenrechtenactivisme (zie onder meer de uitspraken van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:492, 18 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1282 en 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:440) dat de vrees voor dierenrechtenactivisme in het algemeen gerechtvaardigd is. In het bestreden besluit en het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat dierenrechtenextremisme onvoorspelbaar is en met golven komt en gaat. Dit wordt ondersteund door rapportages van de Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid. In tegenstelling tot eisers betoog, hoeft een concrete dreiging ten aanzien van Erasmus MC niet te worden aangetoond (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:795).

9.6.

In dit geval heeft verweerder, zoals ook gemotiveerd in het bestreden besluit en het verweerschrift, van belang geacht dat vanwege de formulering van het Wob-verzoek alle eventueel openbaar gemaakte gegevens direct herleidbaar zijn naar (specifieke dierproeven van) Erasmus MC. Via openbare bronnen zou dan vervolgens een koppeling gemaakt kunnen worden tussen deze gegevens en de betreffende onderzoekers en onderzoeksgroepen. Hiermee worden de betrokken medewerkers van Erasmus MC extra kwetsbaar gemaakt voor dierenrechtenactivisme. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het voorkomen van onevenredige benadeling van Erasmus MC zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van openbaarmaking van de verzochte informatie. Verweerder mocht het verzoek van eiser tot openbaarmaking van de stukken dan ook in zijn geheel weigeren. Dat Erasmus MC in eerste instantie akkoord ging met een gedeeltelijke openbaarmaking doet aan het voorgaande niets af.

Schadevergoeding

10.1.

Eiser heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

10.2.

De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiser gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser.

10.3.

De redelijke termijn in een zaak als deze vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Op grond van de jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1197) geldt als uitgangspunt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar mag duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. Uitgegaan wordt van een tarief van
€ 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2388).

10.4.

Gelet op het feit dat het bezwaarschrift op 31 mei 2016 door verweerder is ontvangen, is de termijn op die datum aangevangen. Aangezien de rechtbank uitspraak doet op 3 maart 2021, is een periode van ongeveer 57 maanden verstreken. Feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat deze termijn wegens bijzondere omstandigheden zou moeten worden verkort zijn gesteld noch gebleken. Dat betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn 33 maanden bedraagt. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 3000. Het besluit op bezwaar was op 25 juni 2018. De bezwaarfase heeft dus (afgerond) 25 maanden, en daarmee 19 maanden te lang geduurd. Het beroepschrift is ontvangen op 31 juli 2018. De beroepsfase heeft daarmee (afgerond) 32 maanden, en daarmee 14 maanden te lang geduurd. Daarom is de overschrijding van de redelijke termijn voor 19/33 toe te rekenen aan de bezwaarfase en voor 14/33 toe te rekenen aan de beroepsfase. Van de schadevergoeding dient verweerder daarom 19/33 = € 1727 te betalen en de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming) 14/33 = € 1273.

Conclusie

11. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond en is aan eiser een schadevergoeding toegekend van € 3000.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder en de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming) in gelijke delen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en, omdat de proceskostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend wegens het toekennen van een vergoeding van immateriële schade, een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1727;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming) tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1273;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 267;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 267;
- bepaalt dat verweerder het voor deze zaak geheven griffierecht aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2021.

De rechter is verhinderd te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

BIJLAGE

Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt

Artikel 43 – Niet-technische samenvatting van het project
1. Onverminderd de bescherming van de intellectuele eigendom en vertrouwelijke informatie bevat de niet-technische samenvatting van een project de volgende gegevens:
a) informatie over de doelstellingen van het project, met inbegrip van de voorspelde schade en baten en de aantallen en soorten te gebruiken dieren;
b) het bewijs dat aan de vereiste vervanging, vermindering en verfijning wordt voldaan. De niet-technische samenvatting van een project is anoniem en bevat geen namen en adressen van de gebruiker en zijn personeel.
[…]
3. De lidstaten publiceren de niet-technische samenvattingen van de toegelaten projecten en de eventuele aanvullingen daarop.


Wet op de dierproeven

Artikel 10a1
[…]
7. De niet-technische samenvatting van een project waarvoor de centrale commissie dierproeven een projectvergunning heeft verleend en de eventuele aanvullingen daarop, worden op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze bekend gemaakt. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het indienen van de niet-technische samenvatting en de eventuele aanvullingen daarop door de aanvrager dan wel vergunninghouder.
[…]


Dierproevenregeling 2014

Artikel 4
1. Voor de niet-technische samenvatting van het project en eventuele aanvullingen hierop als gevolg van wijzigingen als bedoeld in artikel 10a5 van de wet, of een beoordeling van het project achteraf als bedoeld in artikel 10a1, eerste lid, onder d, van de wet, maakt de aanvrager respectievelijk vergunninghouder gebruik van het in bijlage 5 bij deze regeling opgenomen model.
2. Onverminderd de bescherming van de intellectuele eigendom en vertrouwelijke informatie bevat de niet-technische samenvatting de volgende gegevens:
a. informatie over de doelstellingen van het project met inbegrip van de voorspelde schade en baten en de aantallen en soorten te gebruiken dieren;
b. onderbouwing dat aan het vereiste op het gebied van vervanging, vermindering en verfijning zoals neergelegd in de artikelen 1d en 10, tweede lid, van de wet wordt voldaan.
3. De aanvrager zorgt ervoor dat de niet-technische samenvatting anoniem is en geen namen en adressen van de gebruiker en zijn personeel bevat.
4. De centrale commissie dierproeven maakt zo snel mogelijk na de verlening van een projectvergunning de niet-technische samenvatting openbaar en vermeldt daarbij indien van toepassing dat het project achteraf wordt beoordeeld, en binnen welke termijn. De centrale commissie dierproeven maakt eventuele aanvullingen op een niet-technische samenvatting als gevolg van wijzigingen als bedoeld in artikel 10a5 van de wet, of een beoordeling van het project achteraf als bedoeld in artikel 10a1, eerste lid, onder d, van de wet, zo snel mogelijk na ontvangst openbaar. De centrale commissie dierproeven zorgt ervoor dat de niet-technische samenvatting tot vijf jaar na afloop van het project, dan wel, indien van toepassing, vijf jaar na afloop van de beoordeling van het project achteraf, door een ieder kan worden ingezien middels een doorzoekbare online databank.


Wet openbaarheid van bestuur

Artikel 3
1. Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

[…]

5. Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Artikel 10
1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:
[…]

c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;

[…]

2.
Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
[…]
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
[…]
g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.
[…]

Artikel 11

1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.