Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:1947

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2021
Datum publicatie
08-03-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 7512
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek - beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/7512

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: F. van der Tempel),

en

het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H. Norde).

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) gedeeltelijk toegewezen en voor het overige afgewezen.

Bij besluit van 5 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1.1.

Bij brief van 7 januari 2019 heeft eiser op grond van de Wob verzocht om de volgende documenten over de Centrumvisie 2018 in de gemeente Bodegraven-Reeuwijk:

1. Agenda’s en verslagen van vergaderingen van de stuurgroep Centrumvisie;

2. Agenda’s en verslagen van vergaderingen van de klakbordgroep Centrumvisie;

3. Correspondentie met [A] ;

4. Facturen van [A] ;

5. Informatie wat in vergaderingen van het college van burgemeester en wethouders gezegd is over Centrumvisie en parkeren, bijvoorbeeld wat hierover staat in agenda’s en verslagen van vergaderingen van het college;

6. Informatie wat in vergaderingen van de directie van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk gezegd is over Centrumvisie en parkeren, bijvoorbeeld wat hierover staat in verslagen en agenda’s van de directie;

7. Informatie over het burgerinitiatief Hart van Bodegraven;

8. In 2018 gestorte bedragen in het Parkeerfonds, bijvoorbeeld verstuurde rekeningen voor stortingen in het Parkeerfonds;

9. Correspondentie met het Kadaster over Centrumvisie en parkeren, ook facturen van Kadaster die betrekking hebben op gedane werkzaamheden Centrumvisie en parkeren;

10. Correspondentie met en van ambtenaren, ook als het gaat om correspondentie met raadsleden en de Bodegraafse Ondernemersvereniging (hierna: BOV);

11. Factuur, betaling aangebrachte paaltjes in gebied rond hervormde kerk;

12. Agenda’s en verslagen van de Taskforce Centrumvisie.

1.2.

Bij schrijven van 28 januari 2019 heeft eiser op verzoek van verweerder de nummers 7, 9 en 10 van zijn Wob-verzoek nader gepreciseerd.

2. Verweerder heeft op 5 maart 2019 een voornemen aan eiser bekend gemaakt. Daarbij heeft verweerder overwogen dat een deel van de door eiser gevraagde informatie openbaar wordt gemaakt. Verweerder heeft de persoonsgegevens onleesbaar gemaakt op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Ook heeft verweerder bedragen onleesbaar gemaakt, op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Ten aanzien van het deel waarvan openbaarmaking wordt geweigerd heeft verweerder overwogen dat deze dan wel reeds openbaar zijn gemaakt, dan wel dat deze documenten niet beschikbaar zijn.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder dit voornemen gehandhaafd. Voorts heeft verweerder overwogen dat voor zover eiser andere informatie verzoekt in relatie tot de Centrumvisie, bijvoorbeeld over de uitvoering daarvan op diverse onderdelen, dit niet valt onder het door eiser ingediende Wob-verzoek en dat hij daartoe een nader specifieker Wob-verzoek moet indienen.

4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het advies van de commissie bezwaarschriften ten grondslag gelegd. Daarin heeft de commissie geadviseerd het beroep deels gegrond te verklaren, nu niet is gebleken dat verweerder onderzoek heeft gedaan of er WhatsApp-berichten aanwezig zijn die onder het Wob-verzoek van eiser vallen. Verweerder heeft dit advies gevolgd en vervolgens in het bestreden besluit overwogen dat uit nader onderzoek is gebleken dat dergelijke WhatsApp-berichten niet (meer) voorhanden zijn. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

5. Op grond van artikel 10, tweede lid, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

6. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte een aantal door eiser genoemde documenten buiten beschouwing heeft gelaten, omdat deze niet onder het Wob-verzoek zouden vallen. Het gaat daarbij om verslagen van overleggen van de BOV en de wethouder, documentatie over het project Hans Anders (een voorgenomen bouwproject op twee percelen in de Kerkstraat), documentatie van de projectleider parkeren, correspondentie met en bestanden van het wijkteam Bodegraven-Noord en documentatie van de werkgroepen Centrumvisie.

Ook betoogt eiser dat het onderzoek naar voor het Wob-verzoek relevante documenten onvolledig is, nu de behandelend ambtenaar niet in de mailboxen van anderen kan controleren of er toch nog meer documenten aanwezig zijn. Verder heeft de behandelend ambtenaar bij een te beperkt aantal ambtenaren navraag gedaan. Zo is geen navraag gedaan naar documenten bij het bestuurssecretariaat, de gemeentesecretaris en bij de leden van het college van burgemeester en wethouders. Voorts kan niet worden nagegaan bij welke ambtenaren wel navraag is gedaan. Verder is er ten onrechte geen onderzoek gedaan of op de server, dan wel in het back-up systeem, documenten terug te halen zijn. Dat dit niet gemakkelijk te doen zou zijn gaat niet op, nu verweerder daar externe specialisten voor kan inhuren. Eiser betoogt verder dat verweerder te lang heeft gewacht met het onderzoek naar relevante WhatsApp berichten. Verder stelt eiser dat verweerder na het ontvangen van het Wob-verzoek geen maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat meer documenten uit mailboxen werden gewist. Ook heeft verweerder niet onderzocht of er documenten zijn die voor een deel geopenbaard kunnen worden, zoals de delen over de parkeersituatie als gevolg van bouwprojecten. Verder is niet gebleken dat onderzocht is welke documenten naar de formateur zijn gestuurd ten behoeve van de formatie van het nieuwe college van burgemeester en wethouders.

Eiser betoogt verder dat uit het Reglement van Orde blijkt dat er agenda’s en verslagen worden gemaakt ten behoeve van de collegevergaderingen. Niet is nagegaan of deze nog in de mailboxen van de leden van het college terug te vinden zijn. Voor zover verweerder heeft verwezen naar de besluitenlijsten, stelt eiser dat daarop niet de geheime onderwerpen terug te vinden zijn. Deze zijn wel zichtbaar in de ten behoeve van de vergaderingen opgestelde korte verslagen. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat er geen documenten zijn van de centrummanager.

Voorts betoogt eiser dat verweerder ten onrechte op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob bedragen in stukken niet openbaar heeft gemaakt. Hij wijst daarbij op de factuur van [A] en de brief van 18 december 2018 van [B] . Niet valt in te zien hoe zij door openbaarmaking van de voor hun werkzaamheden betaalde bedragen onevenredig worden benadeeld. Verder stelt eiser dat het weggelakte deel in document 6/12/18 en in de Mijlpalenplanning niet ziet op bedragen, maar op projecten, en dat het juist een publiek belang dient om te weten aan welke projecten wordt gewerkt.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1

De rechtbank dient zich allereerst uit te laten over de vraag of sprake is van misbruik van recht. De rechtbank overweegt dat verweerder zich in het verweerschrift voor het eerst op het standpunt heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard vanwege de gedragingen van eiser en zijn gemachtigde die wijzen op misbruik van recht. De rechtbank is, gelet op het feit dat verweerder hier pas in het verweerschrift een eenduidig standpunt over heeft ingenomen, van oordeel dat omwille van de goede procesorde voorbij moet worden gegaan aan de vraag of in de onderhavige zaak sprake is van misbruik van recht.

7.2

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser genoemde onderwerpen niet onder het Wob-verzoek vallen. Eiser heeft in zijn Wob-verzoek verzocht om openbaarmaking van de daarbij specifiek genoemde informatie. De rechtbank acht voorts van belang dat de onderwerpen ook bij de nadere specificering van het verzoek van eiser niet naar voren zijn gekomen. Hoewel niet wordt ontkend dat de thans genoemde onderwerpen raakvlakken hebben met de Centrumvisie en het parkeren in Bodegraven, worden deze niet genoemd in het Wob-verzoek.

7.3

Verweerder heeft te kennen gegeven dat door de heer [C] naar aanleiding van het Wob-verzoek navraag is gedaan bij ambtenaren die betrokken zijn geweest bij de Centrumvisie en de parkeersituatie in het centrum van de gemeente. Als projectleider Centrumvisie wist hij welke ambtenaren dit waren. De omstandigheid dat de behandelend ambtenaar niet zelf de mailboxen van deze ambtenaren kan controleren, maakt niet dat het onderzoek daarom onvolledig of onzorgvuldig is geweest. De enkele niet onderbouwde stellingen van eiser dat bij een te beperkt aantal ambtenaren navraag is gedaan, dan wel dat verweerder onvoldoende maatregelen zou hebben getroffen om te voorkomen dat documenten na het Wob-verzoek nog werden verwijderd, kunnen evenmin tot dat oordeel leiden.

De desbetreffende ambtenaren hebben volgens verweerder met relevante zoektermen gezocht in het documentenmanagement-systeem JOIN en in de cloudomgeving van Microsoft Office 365. Hierin worden ‘verwijderde items’, zoals verwijderde e-mails nog 30 dagen bewaard, voor ze definitief worden verwijderd. De informatiemanager van de gemeente heeft uitgelegd dat archiefwaardige documenten in JOIN worden opgeslagen en niet-archiefwaardige documenten in de cloudomgeving van Microsoft Office 365. Voorts heeft hij uitgelegd dat er geen specifiek aanvullende back-up wordt ingericht om individueel verwijderde e-mails te herstellen. In geval van een ‘disaster recovery’ is het wel mogelijk om de gehele omgeving te herstellen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de back-up die binnen Microsoft Office 365 wordt aangeboden. Deze ‘disaster recovery’ is echter tot hooguit 30 dagen na verwijdering mogelijk, aldus verweerder. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze uitleg te twijfelen. Ten tijde van het Wob-verzoek op 7 januari 2019 was voor een groot deel van 2018 deze termijn van 30 dagen reeds ruimschoots verstreken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:451). Gelet op deze informatie ziet de rechtbank voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder externe ICT-specialisten had moeten inhuren om nader onderzoek te doen in het back-up systeem van de gemeente. Het is verder vaste jurisprudentie van de Afdeling dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document onder dat bestuursorgaan berust (zie onder meer de uitspraak van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1745). Met hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft hij dit naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Hetzelfde geldt met betrekking tot WhatsApp-berichten. Verweerder heeft te kennen gegeven dat het onderzoek zich zowel heeft uitgestrekt tot de zakelijke als de privételefoons, maar dat hieruit geen informatie is gekomen. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat de opslagduur van WhatsApp-berichten afhankelijk is van een aantal factoren, zoals de instellingen van de telefoon en of er nog voldoende ruimte is in de cloud. Ook ten aanzien van de WhatsApp-berichten acht de rechtbank de gegeven verklaring van verweerder niet ongeloofwaardig. Eiser heeft, met zijn enkele stellingen op dit punt, niet aannemelijk gemaakt dat er toch WhatsApp-berichten die onder het Wob-verzoek vallen beschikbaar zouden moeten zijn.

Ook heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er ten onrechte geen documenten van de formateur en centrummanager openbaar zijn gemaakt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aangetroffen correspondentie uit 2018 openbaar is gemaakt. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er in 2018 geen mailwisselingen hebben plaatsgevonden tussen ambtenaren en de formateur over de Centrumvisie en het parkeren in het centrum. Verder heeft verweerder gesteld dat de centrummanager deels in dienst was van de BOV en dat e-mails van de centrummanager met derden daarom niet onder verweerder berusten. Voor zover de centrummanager een emailadres bij de gemeente had, is daarin onderzoek gedaan en zijn aangetroffen documenten openbaar gemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding deze verklaringen ongeloofwaardig te achten.

7.4

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kennis genomen van de onder geheimhouding door verweerder overgelegde documenten.

7.5

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de feitelijke werkwijze van het college van burgemeester en wethouders afwijkt van het Reglement van orde van het college van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk, waarbij niet gewerkt wordt met agenda’s en verslagen, maar met besluitenlijsten. De besluitenlijsten worden als agenda’s gebruikt, waarop tevens wordt aangegeven of het college akkoord is met de daarop voorgestelde punten. De reeds door verweerder aan eiser verstrekte besluitenlijsten ondersteunen deze werkwijze. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat er andere agenda’s of korte verslagen onder verweerder beschikbaar zouden moeten zijn.

7.6

Ten aanzien van de factuur van [A] en de offerte van [B] overweegt de rechtbank dat de bedragen die zijn geweigerd (ook) zijn geweigerd in verband met de concurrentiebelangen van die bedrijven. Openbaarmaking van de bedragen zou ertoe leiden dat voor een ieder, en dus ook voor concurrenten van deze bedrijven, bekend wordt tegen welke financiële vergoeding de bedrijven bereid zijn te contracteren. Verweerder heeft terecht gesteld dat dit leidt tot onevenredige benadeling van deze bedrijven, omdat vergelijkbare informatie over hun concurrenten niet openbaar is. Gelet hierop heeft verweerder het belang om onevenredige benadeling te voorkomen zwaarder mogen laten wegen dan het belang dat is gemoeid met openbaarmaking.

Ook ten aanzien van de niet openbaar gemaakte passages in het document 6/12/18 en de Mijlpalenplanning heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang om onevenredige benadeling te voorkomen zwaarder weegt dan het belang bij openbaarmaking. Verweerder heeft daartoe kunnen overwegen dat het ten tijde van het bestreden besluit ging om de stand van zaken van lopende projecten en nog te onderzoeken mogelijkheden en dat openbaarmaking van die informatie in dat stadium de belangen van de gemeente en de betrokken partijen onevenredig zou benadelen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2021.

Verhinderd te tekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.