Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:1920

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2021
Datum publicatie
05-03-2021
Zaaknummer
C-09-607026-KG ZA 21-115
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding over de campagne van de Staat om Nederlanders zich te laten vaccineren. De vordering om die campagne te staken, wordt afgewezen. De Staat heeft een grote vrijheid om zijn beleid zo in te richten dat het doel van het realiseren van een bepaalde vaccinatiegraad wordt behaald. Dat de Staat om dat doel te behalen het belang van vaccinatie en de positieve kanten daarvan in zijn campagne benadrukt, is niet ongeoorloofd. De Staat onderschrijft daarbij zonder voorbehoud de vrije, eigen keuze van burgers om zich al dan niet te laten vaccineren. De Staat schiet niet tekort in zijn informatieverstrekking. Ook andere vorderingen, onder meer strekkend tot rectificatie, worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2021-0075
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/607026 / KG ZA 21/115

Vonnis in kort geding van 5 maart 2021 (bij vervroeging)

in de zaak van

1 Stichting Viruswaarheid.nlte Rotterdam,

2. [eisende partij sub 2] te [plaats 1],

3. [eisende partij sub 3] te [plaats 2],

4. [eisende partij sub 4] te [plaats 3],

eisers,

advocaat mr. J.A.A. van der Weijst te Gemonde,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mrs. W.I. Wisman en S. Heeroma te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de Stichting’ (in enkelvoud) en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de akte met aanvullende producties en toelichting;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de bij de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 februari 2021. Ter zitting is vonnis bepaald op 10 maart 2021. Het vonnis is bij vervroeging heden uitgesproken.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Vanaf december 2019 heeft zich wereldwijd een nieuw coronavirus verspreid, ook wel SARS-Cov-2 genoemd (hierna: het coronavirus). Het virus kan de ziekte Covid-19 veroorzaken. In Nederland werd op 27 februari 2020 de eerste patiënt met Covid-19 vastgesteld. Op 11 maart 2020 heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de uitbraak van het coronavirus als pandemie bestempeld. De Staat heeft in de loop van de tijd verschillende maatregelen getroffen ter bestrijding van het coronavirus.

2.2.

Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie worden op dit moment 251 kandidaat-vaccins tegen Covid-19 ontwikkeld. Een farmaceutisch bedrijf mag zijn medicijn of vaccin pas op de markt brengen na goedkeuring door een medicijnautoriteit. Naast de nationale procedures bestaat er in Europa de zogenoemde centrale procedure, waarbij een handelsvergunning kan worden verstrekt die geldig is voor de hele Europese Unie. Bij de centrale procedure beoordeelt het geneesmiddelenbeoordelingscomité van het Europees Geneesmiddelenagentschap (European Medicine Agency, hierna: EMA) het registratiedossier van farmaceutische bedrijven. Na beoordeling brengt de EMA advies uit aan de Europese Commissie, die daarop een bindend besluit neemt. De EMA heeft de mogelijkheid om een vaccin te beoordelen aan de hand van een zogenoemde rolling review. Daarbij beoordeelt de EMA de gegevens zodra die beschikbaar komen uit lopende onderzoeken en dus voordat een formele aanvraag wordt ingediend.

2.3.

In Nederland zijn na een rolling review – op het moment van de behandeling van deze zaak ter zitting – drie preventieve middelen tegen Covid-19 onder voorwaarden goedgekeurd en tijdelijk toegelaten op de markt, namelijk “Coronavaccin BioNTech/Pfizer”, “COVID-19 Vaccin Moderna” en “COVID-19 Vaccin AstraZeneca.

2.4.

Nederland heeft in Europees verband voor zes van deze middelen een contract gesloten voor de aanschaf. Daarvoor zijn overeenkomsten gesloten met de hiervoor genoemde farmaceuten en met Janssen Pharmaceutica, Sanofi Pasteur/GSK en Curevac.

2.5.

Op 6 januari 2021 is in Nederland gestart met vaccineren. Daarvoor is een vaccinatiestrategie ontwikkeld, waarbij groepen personen voorrang krijgen op anderen. De Staat deelt informatie over de vaccinatie en het vaccinatieproces via sociale media, online advertenties, dagbladadvertenties en tv-spotjes.

3 Het geschil

3.1.

De Stichting vordert, zakelijk weergegeven:

I. de Staat te gebieden in plaats van de term “vaccin” in al zijn uitingen de termen “mRNA-injectie”, “injectie met genetisch gemodificeerd organisme” of “pseudo-coronavaccin” te gebruiken;

II. de Staat te gebieden zijn campagnes om Nederlandse burgers zich te laten vaccineren met voorwaardelijk en tijdelijk toegelaten middelen te staken en gestaakt te houden;

III. de Staat te gebieden een button “rijksoverheid.nl/corona/risico’s” toe te voegen op de homepage van de website van de rijksoverheid, met actuele informatie over ziekenhuisopnamen, opgetreden bijwerkingen van vaccins en gegevens die burgers in staat stellen om een afgewogen keuze te maken over vaccinatie en de risico’s te beoordelen;

IV. de Staat te gebieden de in de dagvaarding opgenomen rectificatie in landelijke dagbladen te laten plaatsen, waarvan de strekking is dat ten onrechte het woord “vaccin” is gebruikt, dat onvoldoende is benadrukt dat (i) niet zeker is of de middelen volledige bescherming bieden tegen Covid-19 en tegen het besmetten van anderen en (ii) de middelen slechts voorwaardelijk en tijdelijk zijn toegelaten op de Nederlandse markt en tot slot dat vaccinatie volstrekt vrijwillig is en de keuze om zich niet te laten vaccineren geen nadelige gevolgen zal hebben;

V. de Staat te gebieden bij elke publicatie van gegevens de disclaimer op te nemen zoals die in de dagvaarding is vermeld, waarvan de strekking is dat het vaccin ziekte of besmettelijkheid voor anderen mogelijk niet voorkomt, dat de gevolgen van vaccinatie op de lange termijn onbekend zijn, dat er zonder enige beperking keuzevrijheid is om al dan niet te kiezen voor vaccinatie en dat een besluit om niet te kiezen voor vaccinatie geen gevolgen zal hebben;

VI. de Staat te gebieden de tekst “Het is belangrijk dat zo veel mogelijk mensen zich laten vaccineren. Dit wordt ons ticket naar meer vrijheid.” te rectificeren en te vervangen door een alternatieve tekst, zoals opgenomen in de dagvaarding;

VII. de Staat te verbieden dagelijks cijfers te publiceren die louter zien op het aantal besmettingen met het coronavirus;

VIII. de Staat te veroordelen om het mogelijk te maken dat elke burger die gevaccineerd wenst te worden, daarbij vrijelijk kan kiezen uit de ten tijde van het prikken voorhanden zijnde middelen ter bestrijding van het coronavirus;

alles op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de kosten.

3.2.

Daartoe voert de Stichting – samengevat – het volgende aan.

De Staat handelt onrechtmatig met het voeren van een actieve publieke campagne die erop gericht is om de Nederlandse burgers zich massaal te laten vaccineren. Burgers worden onvoldoende in staat gesteld om een afgewogen keuze te maken. De Staat jaagt burgers angst aan en beïnvloedt hen bij het maken van een keuze vóór vaccinatie. Zo vergroot de Staat het probleem door stelselmatig cijfers te blijven publiceren over het aantal besmettingen. Daar kan geen objectief doel mee gemoeid zijn. Het zou moeten gaan om het aantal mensen dat ziek wordt en in het ziekenhuis moet worden opgenomen. Met de invoering van een vaccinatiepaspoort wordt een verboden onderscheid gemaakt. De informatie van de Staat in zijn campagne is onjuist. De Staat meldt ten onrechte dat het om een vaccin gaat en dat het vaccin is goedgekeurd. De middelen zijn geen vaccins, maar zijn tot stand gekomen door genetische technologie en zijn in feite genetische manipulatie. Aan het gebruik van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) zijn risico’s verbonden voor de menselijke gezondheid en het milieu. Het uitgangspunt van de Europese Unie is al sinds 2001 dat daarmee conservatief moet worden omgegaan. Het spreken over een vaccin is ook misleidend, omdat het ten onrechte de veiligheid suggereert die het publiek kent van andere injecties. Het middel is niet goedgekeurd, want de toestemming van de EMA voor de middelen is slechts voorwaardelijk en tijdelijk. De informatie in de overheidscampagne dat het vaccin voor 95% effectief is en dat elk vaccin op vele tienduizenden mensen is getest, is eveneens onjuist. Daarnaast is de garantie dat het middel veilig is onhoudbaar. Er is geen veiligheidsoordeel gegeven door een officiële instantie en er zijn al doden gevallen na vaccinatie.

De informatie die de Staat met de campagne verstrekt, is ook onvolledig. De Staat vermeldt ten onrechte niet of schenkt onvoldoende aandacht aan diverse feiten, te weten dat het vaccin voorwaardelijk is toegelaten, de duur van bescherming niet bekend is, niet duidelijk is wat de langetermijneffecten zijn, de effectiviteit niet bij iedereen een gegeven is, onduidelijk is of men na vaccinatie nog besmettelijk is voor anderen, personen mogelijk pas na zeven dagen na de tweede prik volledig beschermd zijn, geen onderzoek is gedaan naar de invloed in combinatie met andere geneesmiddelen en er beperkte ervaring is bij zwangere vrouwen. De Nederlandse burger heeft recht op deze informatie, die voor de gemiddelde burger niet te ontsluiten en/of te begrijpen is. Uit de informatie volgt bovendien dat de Staat de burger in feite onderwerpt aan een medisch experiment. Dat is ontoelaatbaar.

De uiting van de Staat in zijn vaccinatiecampagne “Het is belangrijk dat zoveel mogelijk mensen zich laten vaccineren. Dat wordt ons ticket naar meer vrijheid.” is misleidend omdat de gevolgen van vaccinatie op lange termijn onduidelijk zijn. De oproep is ook onjuist, want de coronamaatregelen gelden nog steeds voor degenen die inmiddels zijn gevaccineerd. Zij zijn dus niet vrij in de zin van de oproep.

De Nederlandse burger zou in ieder geval moeten kunnen kiezen tussen de voorhanden zijnde middelen tegen het coronavirus indien hij zich wenst te laten vaccineren. Het is in strijd met de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst dat de Staat kiest welk middel de burgers krijgen toegediend die gevaccineerd wensen te worden.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De Stichting heeft bezwaar gemaakt tegen het verweer van de Staat voor zover dat niet uit de Conclusie van Antwoord (CvA) volgt. Volgens de Stichting is nader of eerst ter zitting gevoerd verweer een niet toegestaan verrassingsverweer. Dit bezwaar wordt verworpen. Het is inherent aan het karakter van een kort geding dat het verweer pas ter zitting wordt gevoerd; de kortgedingprocedure houdt niets meer of minder in dan een mondelinge behandeling ter zitting. Dat aan gedaagden wordt verzocht op voorhand een CvA in te dienen, zoals dat ook in deze zaak is gebeurd, maakt dat niet anders. Het verzoek is bedoeld om de mondelinge behandeling te stroomlijnen en ingegeven door de in deze coronatijd beperkte zittingsruimte en de daaruit voortvloeiende noodzaak om de behandeling binnen de geplande tijd af te ronden. De indiening van een CvA is geen verplichting, maar een middel om de ter zitting vergunde spreektijd niet te overschrijden. Het verweer van de Staat zal dan ook in volle omvang bij de beoordeling worden betrokken.

4.2.

Het standpunt van de Stichting, dat zij op meerdere plaatsen in de processtukken heeft herhaald, dat de bewijslast in deze zaak op de Staat rust, volgt de voorzieningenrechter niet. De regels omtrent stelplicht en bewijslast zijn in kort geding niet van toepassing. Bovendien legt de Stichting aan haar vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig handelt. Op de Stichting rust dan ook, uitzonderingen (die zich hier niet voordoen) daargelaten, de taak om dat aannemelijk te maken in deze procedure.

4.3.

Vordering I strekt ertoe de Staat te verbieden in zijn communicatie over de middelen ter bestrijding van het coronavirus de term “vaccin” te gebruiken en te gebieden in plaats daarvan een van de door de Stichting genoemde aanduidingen te gebruiken. De Stichting heeft daartoe aangevoerd dat het gebruik van de term vaccin technisch gezien onjuist is. Wat daar ook van zij, vaststaat dat de term vaccin in dit verband door de farmaceuten en ook door de betrokken deskundigen zoals die van de EMA en de Gezondheidsraad wordt gebruikt. Om die reden kan niet worden geconcludeerd dat de Staat onrechtmatig handelt door zich ook van die terminologie te bedienen. Daarbij komt dat de Staat voor alle typen van deze middelen, ongeacht de gebruikte technologie, consequent het woord vaccin gebruikt. Nu daarnaast op de websites van de Rijksoverheid en het RIVM informatie is te vinden over de technologie die de basis vormt voor deze coronavaccins, kan evenmin worden vastgesteld dat de Staat zich schuldig maakt aan misleiding. Vordering I zal dan ook worden afgewezen.

4.4.

De Stichting vordert onder II staking van de vaccinatiecampagne van de Staat. In de visie van de Stichting oefent de Staat met de campagne ontoelaatbare druk uit op burgers om zich te laten vaccineren. Zij verwijst ter onderbouwing van de vordering naar een resolutie van het Europees Parlement (Provisional Version of Resolution 2361 (2021)), waarin onder meer het belang van het onverplichte karakter van vaccinatie wordt benadrukt. Nog afgezien van het feit dat een resolutie slechts politieke betekenis heeft, geldt dat niet is gebleken dat de Staat de in de resolutie opgenomen uitgangspunten met voeten treedt. Uit de campagne volgt dat de Staat het belangrijk vindt dat zoveel mogelijk mensen zich laten vaccineren. De Stichting vindt dat grootschalige vaccinatie ter bestrijding van het coronavirus niet nodig is en verschilt daarin fundamenteel met de Staat van mening. Het staat de Stichting vrij om haar kritische mening over coronavaccinaties te uiten, maar de Staat is allerminst verplicht de Stichting daarin te volgen. De Staat heeft een grote vrijheid om zijn beleid zo in te richten dat het doel van het realiseren van een bepaalde vaccinatiegraad wordt behaald. Dat de Staat om dat doel te behalen het belang van vaccinatie en de positieve kanten daarvan in zijn campagne benadrukt, is niet ongeoorloofd. De Staat onderschrijft daarbij zonder voorbehoud de vrije, eigen keuze van burgers om zich al dan niet te laten vaccineren.

4.5.

Voor zover de Stichting stelt dat de vaccinatiecampagne van de Staat onjuiste informatie bevat en om die reden moet worden gestaakt, geldt het volgende. Zoals hiervoor overwogen, kan het gebruik van de term “vaccin” niet als onjuist worden beschouwd. Ook een voorwaardelijke en tijdelijke goedkeuring van een vaccin is een goedkeuring en elk van de vaccins is getest in een groep van ten minste 24.000 mensen. De klachten van de Stichting over de informatie met betrekking tot de veiligheid en effectiviteit van de vaccins stuiten af op het gegeven dat de EMA, de daarvoor aangewezen deskundige instantie, daarover heeft geoordeeld. Het is niet de taak van de voorzieningenrechter om die beoordeling te toetsen en de Staat mag van de juistheid van het oordeel van de EMA uitgaan.

4.6.

De Stichting verwijt de Staat verder dat hij geen volledige informatie verstrekt. Bij de beoordeling daarvan wordt vooropgesteld dat, hoewel de Staat strikt genomen geen geadresseerde is van de bepalingen in boek 7 van het Burgerlijk Wetboek over de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling, hij wel verantwoordelijk is voor het verstrekken van deugdelijke en transparante informatie. De zorgvuldigheid brengt dat mee nu de Staat een landelijke vaccinatiecampagne is gestart en sturend optreedt tegenover de zorgverleners.

4.7.

Niettemin treft ook dit verwijt van de Stichting geen doel. Het lijkt ondoenlijk om in iedere campagne-uiting volledige informatie te verstrekken over de vaccins. Het karakter van een campagne, waarbij de mogelijkheid om te vaccineren onder de aandacht wordt gebracht met bijvoorbeeld korte advertenties en reclamespotjes, leent zich daar niet voor. De Staat heeft aangevoerd dat hij door middel van websites nadere informatie verstrekt over vaccinatie en het vaccinatieproces. Ook wordt een informatiebrief gevoegd bij elke uitnodiging tot vaccinatie. Dat op de websites van de overheid en in de informatiebrief bewust bepaalde relevante informatie wordt achtergehouden, is niet gebleken. De informatie op de websites laat er geen twijfel over bestaan dat over bepaalde aspecten van de vaccins nog onduidelijkheid bestaat, onder meer waar het gaat over de beschermingsduur van de vaccins en de besmettelijkheid van de gevaccineerde. Deze onzekerheden maken niet dat de toediening van coronavaccins kan worden gelijkgesteld aan een medisch experiment. De voorwaardelijke goedkeuring door de EMA weerspreekt dat. Ook wordt op de websites verwezen naar de bijsluiters van de vaccins. Het is op zichzelf juist dat het ontsluiten en duiden van alle informatie niet voor iedere burger even gemakkelijk zal zijn, maar dat is inherent aan het technische en soms complexe karakter van de materie. Niet kan worden aangenomen dat de Staat barrières opwerpt die een accurate informatievergaring bemoeilijken. Vordering II zal om deze redenen worden afgewezen. Nu niet kan worden vastgesteld dat de Staat tekort schiet in zijn informatieverstrekking, komen ook de vorderingen III en IV niet voor toewijzing in aanmerking. Voor het opnemen van een disclaimer bij elke publicatie van gegevens, zoals gevorderd onder V, ontbreekt eveneens een grondslag. De Stichting wenst overigens dat met de disclaimer onder meer wordt gegarandeerd dat geen enkel onderscheid wordt gemaakt op grond van de keuze om al dan niet te vaccineren en verwijst daarvoor naar de mogelijke invoering van een vaccinatiepaspoort. Of een vaccinatiepaspoort zal worden ingevoerd is onderwerp van discussie en is dus allerminst een voldongen feit, zodat een oordeel daarover prematuur is. Daarbij komt dat van de Staat geen garantie kan worden gevergd dat private partijen nimmer onderscheid zullen maken al naar gelang iemand gevaccineerd is. Of en in hoeverre dat in deze relaties (on-)gerechtvaardigd c.q. onrechtmatig is, is een vraag die niet in dit geding kan en hoeft te worden beoordeeld.

4.8.

Met vordering VI eist de Stichting een rectificatie van de tekst “Het is belangrijk dat zo veel mogelijk mensen zich laten vaccineren. Dit wordt ons ticket naar meer vrijheid.”. Dat de Staat uitdraagt het belangrijk te vinden dat zoveel mogelijk mensen zich laten vaccineren, is – zoals hiervoor ook al overwogen – niet onrechtmatig. De Stichting stelt zich op het standpunt dat de belofte van de Staat van meer vrijheid feitelijk onjuist is, nu de coronamaatregelen ook nog gelden voor mensen die gevaccineerd zijn. Daarmee miskent de Stichting dat de Staat niet zozeer doelt op onmiddellijke gevolgen voor gevaccineerde mensen, maar op een perspectief op langere termijn van versoepelingen van nu geldende maatregelen voor de maatschappij als geheel. Gesteld noch gebleken is dat de Staat daarmee een irreëel perspectief voorspiegelt. Voor de gevraagde rectificatie is dan ook geen plaats.

4.9.

Het gevorderde verbod aan de Staat om dagelijks besmettingscijfers te publiceren (vordering VII), komt evenmin voor toewijzing in aanmerking. Niet valt in te zien dat de Staat met deze weergave van feitelijkheden, gebaseerd op positieve testresultaten, onrechtmatig handelt. Daarbij komt dat niet alleen besmettingscijfers worden gepubliceerd, maar eveneens cijfers over het aantal ziekenhuis- en IC-opnames. De Staat geeft aldus een relevant beeld van de actuele epidemiologische situatie. Welke conclusies aan die cijfers verbonden kunnen worden, is een kwestie die geen onderwerp van dit geschil is.

4.10.

De Stichting vordert tot slot een veroordeling van de Staat om het voor iedereen mogelijk te maken te kiezen tussen de vaccins die voorhanden zijn. Die keuzevrijheid past naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet binnen het stelsel van vaccinaties zoals dat in Nederland geldt. Vaccineren vindt plaats op vrijwillige basis, zodat het aangeboden vaccin kan worden geweigerd. Daarbij komt dat toewijzing van de vordering zich niet zou verdragen met de feitelijke situatie. Vaccins zijn op dit moment schaars en in dat licht is het begrijpelijk dat niet eenieder een vaccinkeuze kan worden geboden. De Stichting heeft ook niet weersproken dat er verschillen bestaan in de geschiktheid van elk vaccin voor bepaalde leeftijds- of risicogroepen. De Gezondheidsraad adviseert over de te volgen vaccinatiestrategie. Het is onwenselijk dat deze medische basis voor de uitwerking en uitvoering van de vaccinatiestrategie wordt doorkruist door de individuele keuzevrijheid die de Stichting voorstaat. Ook deze vordering (VIII) zal daarom worden afgewezen.

4.11.

De Stichting heeft in de processtukken uitgebreid haar kritiek weergegeven op de geldende coronamaatregelen en op de wijze waarop de Staat contracteert met farmaceuten van coronavaccins. De stellingen daarover kunnen onbesproken blijven, nu daaraan geen vorderingen zijn verbonden.

4.12.

De Stichting zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt de Stichting om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.683,--, waarvan € 1.016,-- aan salaris advocaat en € 667,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet op 5 maart 2021.

hvd