Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:1919

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
05-03-2021
Zaaknummer
NL21.2402
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen een geplande inbewaringstelling op grond van artikel 59a van de Vw 2000. Ambtshalve toetsing van het voortvarend handelen van verweerder. Verweerder heeft op 10 februari 2021 ten behoeve van eiser een vlucht aangevraagd naar Italië in het kader van een overdracht in de zin van de Dublinverordening voor 9 maart 2021. Op 11 februari 2021 was er voor eiser een laissez-passer beschikbaar. Vervolgens heeft verweerder eiser op 17 februari 2021 in bewaring gesteld, bijna 4 weken voor de beoogde overdrachtsdatum. Door verweerder is pas op dag 8 van de bewaring een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Hierdoor is er sprake van onvoldoende voortvarend handelen en is de maatregel van bewaring van meet af aan niet gerechtvaardigd. De rechtbank beveelt de opheffing van de bewaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.2402


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. L. Sinoo),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).


Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig

is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid.

2. De rechtbank constateert dat nog niet vast staat of het Unierecht de rechtbank

verplicht ambtshalve de rechtmatigheid van alle voorwaarden voor bewaring te toetsen, en zo ja, hoe die toetsing er dan uit zou moeten zien. In het licht van de verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 23 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3034) zal de rechtbank, totdat door het Hof van Justitie duidelijkheid is geschapen, de volgende lijn hanteren. Als de rechtbank zich ten volle bewust is van het feit dat de maatregel onrechtmatig is, dat de vreemdeling als gevolg daarvan ten onrechte van zijn vrijheid is beroofd en dat deze situatie zal voortduren, zal zij deze onrechtmatigheid in haar oordeel betrekken, ook als daar geen grond tegen is gericht. In deze zaak heeft de rechtbank ambtshalve de voortvarendheid van het handelen van verweerder onderzocht en beoordeeld.

3. In het geval van eiser gaat het om een geplande inbewaringstelling. Eiser is

staandegehouden om hem in bewaring te stelling ter overdracht aan een andere lidstaat. De rechtbank stelt vast dat door verweerder op de achtste dag van de inbewaringstelling, 24 februari 2021, voor het eerst een handeling gericht op overdracht is uitgevoerd, namelijk een vertrekgesprek met eiser. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) acht in haar uitspraak van 8 april 20201 in het algemeen zowel bij geplande bewaring als bij bewaring na een geplande overdracht een eerste daadwerkelijke handeling op dag zes voldoende voortvarend. Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding zijn hiervan af te wijken zodat een langere dan wel kortere periode geldt.

3.1.

Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een

bijzondere omstandigheid omdat door eiser op 17 februari 2021 een asielaanvraag is ingediend en verweerder deze aanvraag momenteel behandelt. In het kader van de behandeling van deze asielaanvraag is door verweerder op 27 februari 2021 een voornemen uitgebracht.

3.2.

De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet. In dit kader is van belang dat

uit het dossier volgt dat verweerder al op 10 februari 2021 voor eiser een vlucht heeft aangevraagd voor eisers overdracht aan Italië voor 9 maart 2021 en dat op 11 februari 2021 er al een laissez-passer voor eiser beschikbaar was. Uit de vluchtaanvraag volgt tevens dat verweerder op 10 februari 2021 voornemens was om eiser op 17 februari 2021, bijna vier weken voor de beoogde overdrachtsdatum, in bewaring te stellen. Niet valt in te zien dat eisers asielaanvraag van 17 februari 2021 hieraan kan afdoen. Op 10 februari 2021 kon verweerder er namelijk nog niet bekend mee zijn dat eiser op 17 februari 2021 een asielaanvraag wilde indienen. Verder zijn door verweerder desgevraagd geen omstandigheden genoemd, noch zijn deze de rechtbank gebleken, die de geplande duur van bijna vier weken van deze geplande inbewaringstelling rechtvaardigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat door pas op de achtste dag van de inbewaringstelling een handeling gericht op het vertrek te verrichten er sprake is van onvoldoende voortvarend handelen aan de zijde van verweerder.

4. Het beroep is gegrond. Gelet op het hiervoor vermelde gebrek aan voortvarend

handelen door verweerder, moet het ervoor worden gehouden dat de maatregel van meet af aan niet gerechtvaardigd was. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 2 maart 2021.

5. Omdat het beroep gegrond is behoeven de beroepsgronden die eiser tegen de

maatregel heeft aangevoerd geen bespreking meer.

6. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing

Van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 14 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 14 x € 80,- = € 1120,-.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze

kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 2 maart 2021;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1120,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse-Pot, rechter, in aanwezigheid van

M.M. Neutgens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 2 maart 2021.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 ECLI:NL:RVS:2020:989.