Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:1860

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 779
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

uitkering schadefonds geweldsmisdrijven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/779

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I. van Baaren),

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. Pieters).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen.

Bij besluit van 3 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat eiseres een uitkering van €1.000,- krijgt.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij fax van 8 februari 2021 heeft eiseres laten weten dat zij afziet van de reeds geplande zitting op 9 februari 2021. De rechtbank heeft dit bericht per abuis beschouwd als intrekking van het beroep. Dit is op 9 februari 2021 onderkend en ongedaan gemaakt.

Nadat uit telefonische navraag bij verweerder bleek dat ook aan die zijde geen behoefte bestond aan een zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en het beroep zonder zitting afgedaan.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 5 november 2018 een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven aangevraagd, omdat zij maandenlang wordt bedreigd, gestalkt en lastig gevallen. Daarbij gaf eiseres op het aanvraagformulier aan dat zij in december 2015 te maken heeft gehad met mishandeling en bedreiging met geweld. Als bijlage bij de aanvraag heeft eiseres een proces-verbaal van aangifte gevoegd van een bedreiging op 19 april 2017 en een proces-verbaal van aangifte van een vernieling op 18 september 2018. Tot slot heeft eiseres bij haar aanvraag een brief van zorgbedrijf i-psy van 12 mei 2016 gevoegd, waaruit blijkt dat eiseres sinds eind 2015 zowel angst- als stemmingsklachten heeft ontwikkeld. Daarbij is de hoofddiagnose post traumatische stressstoornis (ptss) gesteld.

Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit afgewezen omdat het niet voldoende aannemelijk is dat eiseres slachtoffer werd van de opzettelijk gepleegde geweldsmisdrijven die zij opgaf. Verweerder had hiervoor onvoldoende objectieve aanwijzingen.

Uit stukken die eiseres in het kader van bezwaar aan verweerder toegezonden heeft komt volgens verweerder naar voren dat eiseres al op 31 oktober 2015 slachtoffer werd van een mishandeling en dat zij hiervan ook aangifte heeft gedaan.

In het bestreden besluit acht verweerder het aannemelijk dat eiseres op 31 oktober 2015 slachtoffer is geworden van een mishandeling en dat zij op 19 april 2017 slachtoffer is geworden van een woordelijke bedreiging door een lid van de Maffiaklik. Het bezwaar is dan ook gegrond verklaard. Aan eiseres is een uitkering toegekend van €1.000, behorende bij letselcategorie 1.

2 Eiseres voert in beroep aan dat het voor haar onduidelijk is of de uitkering ook is verstrekt naar aanleiding van het geweld van de groep genaamd ‘Maffiaklik’ uit Rotterdam.

Verweerder heeft ten onrechte nagelaten stukken op te vragen over de ptss van eiseres, dan wel zelf een eigen medisch adviseur in te schakelen om haar nader te onderzoeken. Omdat artsen en psychologen niet meewerken aan het verstrekken van informatie is het voor eiseres niet makkelijk om de juiste medische informatie aan verweerder aan te leveren.

Daarnaast kan eiseres zich niet vinden in de indeling in letselcategorie 1, aangezien haar letsel daar te ernstig voor is. Daartoe is redengevend dat de mishandeling van 31 oktober 2015 en de geweldsmisdrijven van de Maffiaklik onder één aanvraag behandeld worden.

3 Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) kunnen uit het schadefonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die als gevolg van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen.

Verweerder heeft bij het nemen van beslissingen op verzoeken om een uitkering als bedoeld in dit artikel dus beslissingsruimte. De rechtbank moet het bestreden besluit daarom terughoudend toetsen. Verweerder heeft aan de beslissingsruimte invulling gegeven in de Beleidsbundel en de Letsellijst. Of sprake is van ernstig geestelijk letsel wordt volgens dit beleid bepaald aan de hand van de aard en de gevolgen van het letsel. Er moet sprake zijn van langdurige of blijvende ernstige gevolgen.

Ter nadere invulling van de in de Wsg neergelegde bevoegdheid hanteert verweerder beleid dat is neergelegd in de Beleidsbundel van 1 januari 2019 (de Beleidsbundel) en een Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven (de Letsellijst januari 2019). Een letsellijst is ontwikkeld om het opgelopen letsel in een letselcategorie in te kunnen delen. Hierin is opgenomen welk fysiek en psychisch letsel als voldoende ernstig kan worden aangemerkt in de zin van de Wsg om een uitkering te rechtvaardigen.

4 De rechtbank stelt vast dat het soort misdrijf dat eiseres is overkomen, te weten mishandeling en woordelijke bedreiging niet genoemd wordt als een van de indicatoren in het beleid. Dat maakt dat het voor verweerder niet mogelijk is om zonder beoordeling van medische informatie ernstig psychisch letsel te vooronderstellen. Verweerder dient de door eiseres overgelegde medische informatie daarom te beoordelen.

Eiseres voert aan dat zij het niet voor elkaar krijgt om haar artsen en psychologen de juiste informatie te laten verstrekken zodat verweerder gehouden is een medisch adviseur in te schakelen. Dit betoog kan de rechtbank niet volgen. Zoals verweerder in het verweerschrift heeft toegelicht is het in de eerste plaats aan degene die een aanvraag doet om alle gegevens en bescheiden die voor de beslissing nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, over te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, op basis van de hem wel ter beschikking staande stukken, voldoende kenbaar heeft gemotiveerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor een uitkering uit een hogere letselcategorie.

Eiseres heeft geen gronden gericht tegen verweerders vaststelling dat het, bij gebrek aan objectieve informatie, onvoldoende aannemelijk is dat eiseres gedurende de opgegeven misdrijfperiode slachtoffer is geworden van stalking of andere vormen van geweld. Ook dit kan daarom niet redengevend zijn voor toekenning van een hogere letselcategorie.

5 Het beroep is ongegrond

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.